Project Jennifer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Hughes Glomar Explorer

Project Jennifer was de naam van een operatie van de CIA om de gezonken Sovjetrussische duikboot K-129 (uit Viljoetsjinsk) te bergen van de bodem van de Grote Oceaan. De duikboot zonk in maart 1968. Het was een van de meest complexe, dure en geheime inlichtingen-operaties tijdens de Koude Oorlog.

Geheim plan[bewerken]

In april 1968 leidde de inlichtingendienst van de Amerikaanse marine van activiteiten van de Russische marine in de Grote Oceaan af, dat daar waarschijnlijk een onderzeeër was gezonken. De Russen zochten vergeefs naar de gezonken K-129 en staakten hun pogingen uiteindelijk. Dankzij hydrofoon-gegevens wisten de Amerikanen waar de duikboot ongeveer moest zijn gezonken. De USS Hallibut, een nucleaire onderzeeër en toegerust voor speciale operaties, werd vanuit Pearl Harbor naar het gebied gedirigeerd en wist na drie weken onderzoek in een gebied van 3100 km² de K-129 te lokaliseren. Hallibut nam in de weken erop zo'n 20.000 foto's van de duikboot. Op basis van deze foto's adviseerden Minister van Defensie Melvin Laird en Nationaal Veiligheidsadviseur Henry Kissinger de onderzeeër in een geheime operatie te bergen. Dit om de K-129 en de aanwezige nucleaire raketten te kunnen onderzoeken. President Richard Nixon stemde in met het plan en belastte de CIA met de operatie.

Howard Hughes[bewerken]

De CIA vroeg de miljardair en zakenman Howard Hughes een speciaal schip te ontwerpen en bouwen, dat kon worden ingezet om de gezonken duikboot te kunnen bergen. In 1972 werd een start gemaakt met de bouw van de Hughes Glomar Explorer (63.000 ton, 169 meter lang). Het schip werd uitgerust met een grote mechanische grijper ('Capture Vehicle'), die naar de oceaanbodem zou moeten worden neergelaten om het beoogde deel van de duikboot pakken en naar boven te tillen. Hughes vertelde de media, dat het schip werd gebouwd voor Summa Corporation met het oog op het mijnen van mangaanknollen ('Deep Ocean Mining Project'). Op die manier hoopte men, dat het project geheim bleef. De Glomar Explorer was klaar in 1974 (kosten: 350 miljoen dollar).

Kort voor het begin van de bergingsoperatie werd, op 5 juni 1974, bij het hoofdkwartier van Howard Hughes in Los Angeles ingebroken, waarbij geheime documenten over de ophanden zijnde berging werden ontvreemd. Deze documenten hadden een rol moeten spelen in een gerechtelijk onderzoek naar Hughes, diens overname van een luchtvaartmaatschappij, en een mogelijk verband van deze overname met de inbraak in Watergate. Volgens sommigen had de diefstal te maken met een cover-up van politieke corruptie op allerlei niveaus: Howard Hughes documenteerde alles over zijn contacten met politici en regeringsinstanties. De gestolen documenten zouden later de basis vormen van de eerste berichtgeving over Project Jennifer in de Los Angeles Times.

De berging[bewerken]

Het schip bereikte op 4 juli dat jaar de bergingsplek en begon daarna pogingen te ondernemen de K-129 te bergen. De onderzeeër was in tweeën gebroken en lag op een diepte van 5000 meter. Tijdens de werkzaamheden kwamen enkele Russische marineschepen poolshoogte nemen, zonder precies te weten wat de Hughes Glomar Explorer daar uitvoerde. De aandacht van de bergingsploeg was gericht op het voorste gedeelte van de duikboot, een stuk van 41 meter lang. Dit werd in augustus omhooggetakeld, maar de Capture Vehicle haperde: halverwege brak het stuk in tweeën en een helft viel terug in het water. De rest kwam boven water.

Het is onduidelijk wat met dit deel van de boot nog meer is geborgen. Het teruggevallen deel zou de belangrijkste objecten hebben bevat: nucleaire raketten en enkele codeboeken. Volgens sommige auteurs zijn deze raketten en boeken echter boven water gekomen. Enkelen zeggen zelfs, dat het grootste deel van de K-129 is geborgen. Wat wel is geborgen, zijn enkele nucleaire torpedo's, codeermachines voor versleutelde informatie en de lichamen van zes omgekomen bemanningsleden. De Russen kregen een zeemansbegrafenis met militaire eer. Vanuit het oogpunt van inlichtingen was Project Jennifer teleurstellend, maar het was de diepste bergingsoperatie aller tijden.

Openbaarmaking[bewerken]

Begin 1974 wilde journalist Seymour Hersh, toen werkzaam bij de New York Times, over het Project Jennifer schrijven. De Amerikaanse regering oefende echter druk op de krant uit, niet te publiceren terwijl het project nog in volle gang was. Het zou leiden tot een internationaal incident. Op 7 februari 1975 schreef de Los Angeles Times over de geheime berging, waarbij de gestolen documenten een grote rol speelden. De CIA probeerde erna de media ervan te overtuigen niet verder over het project te schrijven, maar in maart verschenen talloze verhalen die de Hughes Glomar Explorer in verband brachten met de geheime regeringsoperatie.

Nadat verhalen verschenen over de pogingen van de CIA om publicaties over Project Jennifer tegen te houden, probeerde een journaliste via de Freedom of Information Act documenten te krijgen over deze pogingen tot censuur. De CIA wilde het bestaan van deze documenten 'ontkennen noch bevestigen'. Een dergelijk ontwijkend antwoord wordt tegenwoordig 'Glomar Response' ('Glomar Antwoord') of Glomarisation genoemd.

Literatuur[bewerken]

  • Craven, John (2001)-"The Hunt for Red September: A Tale of Two Submarines", The Silent War: The Cold War Battle Beneath the Sea. New York: Simon & Schuster, 198-222
  • Sontag, Sherry (1998)-Blind Man's Bluff: The Untold Story of American Submarine Espionage. Harper
  • Sewell, Kenneth (2005)-Red Star Rogue: The untold story of a Soviet submarine's nucleair strike attempt on the U.S.. New York: Simon & Schuster