Pseudowetenschappelijk racisme
Pseudowetenschappelijk racisme, soms incorrect wetenschappelijk racisme, is een terrein van pseudowetenschappelijke pogingen om de mensheid op te delen in verschillende zogenaamde "mensenrassen". Terwijl het denken in (en minachten van andere) rassen kortweg "racisme" heet, gaat het bij pseudowetenschappelijk racisme om het ontwikkelen van een uitgewerkt systeem van rassen met verschillende niveaus van waardigheid, wat een rassenleer of rassentheorie wordt genoemd. Volgens het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie (1965) van de Verenigde Naties is superioriteit gebaseerd op rassenverschillen wetenschappelijk onjuist, moreel te veroordelen, sociaal onrechtvaardig en gevaarlijk, en er is geen verantwoording voor rassendiscriminatie, in theorie of in de praktijk, waar dan ook.[1]
Inhoud |
Geschiedenis [bewerken]
Opkomst [bewerken]
Sinds halverwege de 19e eeuw probeerden sommige West-Europese geleerden hun racistische denken, dat enerzijds voortkwam uit het opkomende nationalisme, anderzijds door de ontwikkelingen in de biologie, te onderbouwen met wetenschappelijk onderzoek. Arthur de Gobineau was hiervan één van de eerste vertegenwoordigers, wiens belangstelling voor rasdenken werd gewekt door zijn aanwezigheid in Perzië als Frans diplomaat, in welke periode hij Een verhandeling over de Ongelijkheid van de Menselijke Rassen (1853-1855)[2] schreef. Hij stelde daarin dat er, afgaande op zijn perceptie, een "kaukasisch" of "europeïde" (blank), een "negroïde" (zwart) en een "mongoloïde" (geel) mensenras bestond, waarbij zijn eigen kaukasische ras "superieur" was aan beide anderen en dat rassenvermenging zou leiden tot "chaos".
In Europese koloniën en de Verenigde Staten werden racistische denkbeelden gebruikt om imperialisme (zie bijvoorbeeld The white man's burden) en slavernij (zie ook drapetomanie) te rechtvaardigen. Hoewel er ook Bijbelse rechtvaardigingen bestonden voor slavernij (zoals Leviticus 25:44-46), had een opkomende seculiere elite behoefte aan een niet-religieus wetenschappelijk alternatief op het christelijke wereldbeeld. Dat het strikt wetenschappelijk niet klopte stoorden velen zich niet aan, zolang de koloniale belangen maar konden worden veiliggesteld. Er bestonden echter ook mengvormen, die het Bijbelse wereldbeeld wetenschappelijk probeerden te bewijzen; het bekendste voorbeeld hiervan is de hamitische hypothese, die ervan uitging dat de drie mensenrassen afstammelingen waren van de drie zonen van Noach: Sem (de Semieten oftewel Aziaten), Cham (de Hamieten oftewel Afrikanen) en Jafet (de Jafieten oftewel Europeanen).[3] Dit gaf ruimte aan een racistische stroming binnen het oriëntalisme, en ook een pseudowetenschappelijke rechtvaardiging voor jodenhaat in Europa, vanaf dan bekend als antisemitisme (Wilhelm Marr 1879).
Invloed evolutietheorie [bewerken]
De ontdekkingen die de Britse bioloog Charles Darwin publiceerde in De oorsprong der soorten (1859)[4], die de grondslag werd van de evolutietheorie middels natuurlijke selectie, waren van grote invloed op de pseudowetenschappelijke racisten, die er ondersteuning voor hun rassentheorieën in zagen. Darwin had weliswaar aangetoond dat er verschillende diersoorten of "dierenrassen" waren die met elkaar verwikkeld waren in een strijd om het bestaan, of zoals collega-bioloog Herbert Spencer het in 1864 verwoordde, een "survival of the fittest"[5], en dat de mensheid deze strijd tot nog toe had doorstaan door zijn aanpassingsvermogen. Echter heeft Darwin met zijn onderzoek nooit aangetoond, zoals Gobineau beweerde, dat de mensheid op te delen is in verschillende rassen (want homo sapiens is één diersoort waarvan alle leden zich in principe onderling kunnen voortplanten, wat het belangrijke kenmerk van een soort is) of dat het gaat om het overleven van het "sterkste ras" door de andere rassen uit te roeien (fittest betekent "het best aangepast [aan de natuurlijke omgeving]"; klimaatverandering eerder dan andere rassen zijn meestal een grotere bedreiging voor het overleven dan andere diersoorten), laat staan dat hij meende dat het "blanke ras superieur" was aan de overige. Deze belangrijke details van Darwins bevindingen werden evenwel door een grote groep geleerden genegeerd, en zij ontwikkelden hun rassenleren door voort te bouwen op hun verkeerde begrip van de evolutietheorie. Dit element werd in 1877 voor het eerst sociaal darwinisme genoemd. Andere racisten verwierpen echter Darwins ontdekkingen, omdat deze niet strookten met hun creationistische ideeën, die zij verenigbaar achtten met hun pseudowetenschappelijk racisme, maar niet met de evolutietheorie.
Eugenetica [bewerken]
In 1883 sprak Francis Galton, een halve neef van Darwin, voor het eerst van eugenetica oftewel "rasverbetering". Men zou kunstmatige selectie moeten toepassen op mensen om zo perfecte mensen te produceren. Hij kreeg navolging bij onder meer Houston Stewart Chamberlain[6] en de Amerikaan Madison Grant.
Bronnen, noten en/of referenties
|