Puntland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Puntland
Semi-autonome regio binnen Somalië
Vlag van Puntland
(Details)
Locatie van Puntland
Geografie
Hoofdstad Garoowe
Oppervlakte 300.000
 % water -
Bevolking
Inwoners 3,9 miljoen (2009)
Bevolkingsdichtheid 18/km²
Talen Somalisch
Overig
Munteenheid Shilling
Tijdzone UTC +3
Telefoon 252

Puntland (Somalisch: Puntlaand/Buntlaand, Arabisch: ‏أرض البنط, Arḍ al-Bunṭ) officieel De Puntlandstaat van Somalië (Somalisch: Maamul Goboleedka Buntlaand ee Soomaaliya) is een van de feitelijk autonome gebieden in Somalië. Het grenst aan Somaliland, Ethiopië, Galmudug en de rest van de jure Somalië. Puntland is het noordelijke deel van wat van 1880 tot 1941 een Italiaanse kolonie was, Italiaans-Somaliland geheten. In 1961 werd het gebied met Brits-Somaliland samengevoegd tot Somalië. De hoofdplaats is Garoowe in de regio Nugaal. Puntland is het stamgebied van de Darod (ten westen van de Ogadeni), met de Dolbohanta en de Majertain als belangrijkste clans.
Somalische regio's die tot Puntland behoren zijn Bari, Mudug en Nugaal.

De grenzen in het zuiden en vooral in het noorden met Sanaag en Sool worden nog dagelijks betwist, en de chaos in Somalië belemmert inzicht in de feitelijke toestand.

Geschiedenis[bewerken]

De naam van het gebied is afgeleid van het land van Poent dat genoemd wordt in reisverslagen uit het oude Egypte en dat ergens in de Hoorn van Afrika zou hebben gelegen.

Sinds 23 juli 1998 beschouwt Puntland zich als een autonome staat binnen Somalië. In tegenstelling tot Somaliland streeft Puntland niet naar internationale erkenning, maar ijvert het voor een federaal Somalië. Puntland functioneert de facto als een onafhankelijk land, onder andere doordat het de jure grondgebied van Somalië geen centraal gezag meer kent.

Puntland was in de jaren negentig de regio van waaruit de piraterij in de Golf van Aden begon. Aanleiding was het leegvissen door Aziatische schepen van de viswateren die traditioneel de basis vormden van de Somalische economie. In het begin werden buitenlandse vissersschepen aangevallen, maar al snel werden de vissers professionele kapers. Door het ontbreken van centraal gezag konden zij zich gemakkelijk bewegen binnen Puntland.

Uittocht[bewerken]

Eind april 2009 werd bekend dat duizenden Somaliërs en Ethiopiërs zich zouden hebben verzameld in Bosaso, de belangrijkste handelsplaats, met de bedoeling als vluchteling de gevaarlijke oversteek te maken van Puntland over de Golf van Aden naar Jemen. Geschat werd dat het tussen de 2000 en 4000 migranten betrof.

Volgens Mohamed Ahmed Ugas, een woordvoerder van de plaatselijke overheid, was het onmogelijk gebleken hen terug te sturen, doordat ze alsmaar bleven terugkomen. Wekelijks zouden vier boten met zo'n 100 personen aan boord de oversteek wagen. De nieuwe regering van Puntland, aan de macht sinds de verkiezingen in januari 2009, wil de toestroom van migranten indammen, maar zou zonder de steun van de internationale gemeenschap er niet toe in staat zijn langs de lange kustlijn te patrouilleren om op te treden tegen mensensmokkelaars.

De smokkelaars zouden elke migrant 100 Amerikaanse dollar laten betalen voor de overtocht naar Jemen, maar zouden de migranten soms na een nacht op zee gewoon elders op de kust van Puntland neerzetten met de valse mededeling dat ze in Jemen zouden zijn aangekomen.

Volgens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR zouden in 2008 ruim 50.000 mensen de oversteek hebben gewaagd, waarbij meer dan 1000 personen tijdens de tocht zouden zijn omgekomen. In het eerste kwartaal van 2009 zouden al bijna 18.000 mensen naar Jemen zijn overgestoken, een aanzienlijke toename vergeleken met 2008, toen het er in het eerste kwartaal ongeveer 12.800 waren [1].

Externe links[bewerken]

Etnische groepen in Somalië in 2002: De Darod (ten oosten van de Ogadeni) zijn met de subclans Dolbohanta, Majertain en Warsangeli zowat de enige clan van Puntland
Bron: CIA (de feitelijkheid wordt betwist).
Bronnen, noten en/of referenties
  1. "SOMALIA: Potential migrants gather in Puntland", persbericht IRIN, 29 april 2009