Pyke Koch
Pyke (Pieter Frans Christiaan) Koch (Beek (Ubbergen), 15 juli 1901- Utrecht, 27 oktober 1991) was een Nederlandse kunstschilder.
Met Carel Willink wordt hij beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van het magisch realisme. Een kunststroming waarbij men realistisch schildert, terwijl men door middel van licht, schaduw, diepte en kleur een onwerkelijke sfeer creëert. Getrouw aan het magisch realisme schilderde Koch met een technische perfectie, combineerde alledaagse voorwerpen op een onwaarschijnlijke manier en maakte hij veel gebruik van symboliek.
Koch onderscheidde zich als schilder door zogenaamde verstilling: veel schilderijen toonden gebeurtenissen die midden in de beweging werden stilgezet. Door de buitengewoon gladde manier van schilderen en het extreme gevoel voor detail ontstond dan een vreemd effect, net alsof de tijd werd stilgezet. Door de koele, bleke kleuren en door de vreemde lichtval hadden veel schilderijen een steriel effect.
Koch viel ook op door de vreemde onderwerpen in zijn werk. Hij schilderde het liefst achterbuurten, lelijke vrouwen, kermissen, circussen en decadente personen. Wat Koch precies met deze onderwerpen wilde zeggen is voor velen onduidelijk, hetgeen zijn oeuvre alleen maar raadselachtiger maakt. Volgens sommige kunsthistorici symboliseren veel van deze voorwerpen bepaalde gebeurtenissen uit Kochs eigen leven. Zo zouden in zijn werk verwijzingen zitten naar het fascisme, verborgen homoseksualiteit en naar een grote angst voor de dood.
Inhoud |
[bewerken] Biografie
[bewerken] Jeugd
Koch werd in 1901 geboren in Beek, een dorpje vlakbij Nijmegen. Hij ging naar de kostschool die indertijd in Slot Zeist was gevestigd. Daar kreeg hij de bijnaam 'Pyke' naar de vissoort. Van 1920 tot 1927 studeerde hij rechten aan de Universiteit van Utrecht. Opmerkelijk is dat Koch in deze periode, nauwelijks geïnteresseerd was in schilderkunst. Als kind tekende hij wel maar had geen ambitie om daar zijn beroep van te maken.
In zijn studententijd raakte hij bevriend met de beroemde kunstenares Charley Tooropdie net als Pykes ouders in Beek woonde. De vriendschap, die hij met haar onderhield, wekte zijn interesse voor de schilderkunst en nadat hij een tentoonstelling van Carel Willink had bezocht, raakte hij compleet verkocht.
[bewerken] Eerste schreden
Koch maakte abrupt een einde aan zijn studie en hij begon te oefenen. In het najaar van 1927 voltooide hij zijn eerste schilderij en hij nam deel aan een groepsexpositie. Dit schilderij Dolores' ontbijt werd nauwelijks opgemerkt en na afloop vernielde Koch het werk uit ontevredenheid.
Teleurgesteld, maar niet terneergeslagen ging Koch verder met oefenen. Hij wilde geen les volgen omdat op de academies alleen maar verwerpelijke moderne kunst werd gedoceerd. In plaats hiervan koos Koch voor een schildertechniek die teruggreep op kunststromingen uit het verre verleden: de renaissance en de middeleeuwse Vlaamse primitieven.
Getrouw aan die kunststroming schilderde Koch op paneel met een onderschildering van eitempera en koos hij voor een strakke compositie en emotionele afstandelijkheid. Om de hiervoor benodigde technieken te leren, bestudeerde hij het beroemde boek van Max Doerner en volgde hij scheikunde lessen om de samenstelling van verf te onderzoeken.
Kochs schilderstijl had succes en 1928 nam hij met drie schilderijen deel aan een expositie van de magisch realisten. Het jaar daarop exposeerde hij samen met zijn idool Carel Willink en weer een jaar later had hij zijn eigen solo-expositie. Deze expositie kreeg lovende kritieken en hij werd gezien als een van de grootste talenten van Nederland. Toen het Museum Boijmans Van Beuningen in 1931 het schilderij De Schiettent van hem kocht, was hij definitief doorgedrongen tot het pantheon van Nederlandse grootmeesters.
[bewerken] Hoogtijdagen
In de jaren 30 was het magisch realisme ongekend populair en Kochs zeer opvallende stijl paste hier perfect tussen. De schilder leefde in die tijd samen met Cola Debrot in een huis en had veel contact met prominente kunstenaars en dichters, onder wie Jan Engelman en Martinus Nijhoff en ook met de musicus Hans Philips. De groep jonge kunstenaars zat regelmatig in het Utrechtse café 'Flora' op de hoek van de Nobelstraat en het Lucasbolwerk.
In 1932 trad hij in het huwelijk met Esther Voorhoeve, een nicht van Ernst Voorhoeve, en via haar werd hij actief voor het Verdinaso in Utrecht.
Koch schilderde in die periode het ene meesterwerk na het andere: schilderijen als de Achterbuurtrapsodie, Het Park en drie portretten, die hij maakte van schoorsteenvegers, trokken op exposities veel bekijks en werden voor hoge bedragen verkocht. Koch raakte in deze tijd ook gefascineerd door film en hij maakte een portret van de Deense filmactrice Asta Nielsen.
Naast schilderen hield de gevierde kunstenaar zich bezig met het ontwerpen van decors, postzegels en ander grafisch ontwerp.
In 1936 vertrok Koch voor een reis naar Italië om daar inspiratie op te doen. Hij bezocht daar vele musea en raakte gefascineerd door de vroege renaissanceschilders zoals Piero della Francesca en Mantegna en door moderne Italiaanse kunstenaars zoals De Chirico en Severini. Ook zou het Italiaanse landschap veelvuldig terugkomen in zijn werken.
Bij terugkomst maakte hij het Portret van een Stervende Jongen, een schilderij dat gebaseerd was op de Pieta van Mantegna en een reeks portretten van Jonkvrouw de Boetselaer. Deze portretten waren geschilderd in de stijl van Piero della Francesca.
Kochs politieke overtuiging begon in die tijd steeds meer een rol te spelen. Via de fascistenleider Voorhoeve raakte Koch betrokken bij de sterk anti-marxistische beweging Verdinaso. Volgens Koch was de Nederlandse samenleving steeds verder in ontbinding geraakt en alleen het fascisme kon daar nog verandering in brengen. In 1938 gaf Koch zijn definitieve steunbetuiging aan het fascisme met twee schilderijen: Marschgezang en Portret met zwarte band. Beide schilderijen tonen Koch met een zwarte haarband, het symbool van fascistische strijder. Later zou Koch elke fascistische associatie met de schilderijen ontkennen, maar niettemin werden ze wel afgebeeld op de omslag van verscheidene fascistische tijdschriften.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef Koch, in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten, een succesvol kunstenaar. De Duitsers beschouwden zijn werk als Arische kunst en exposeerde veel in Duitsland. Al tijdens de oorlog veranderde Kochs visie op het fascisme en hij weigerde zich bezig te houden met het schilderen van propaganda. Om niemand tegen het hoofd te stoten schilderde hij vooral veel stillevens van fruit en groente. Koch weigerde deze schilderijen te signeren omdat hij ze beschouwde als puur commercieel werk.
[bewerken] Latere carrière
Na de oorlog werd Koch als een collaborateur gezien en vrijwel iedereen in de kunstwereld keerde hem de rug toe. Koch kreeg nauwelijks de mogelijkheid om te exposeren en hij verkocht weinig. Het besmette imago van zijn werk zorgde ervoor dat Koch alleen nog maar in buitenland zijn kunst kon verkopen. Tussen 1945 en 1960 schilderde hij uitsluitend politiek neutrale onderwerpen zoals boerinnen, sterrenbeelden en sporten. Veel van deze werken werden verkocht in Duitsland. Belangrijk voor zijn carrière waren de vele reizen, die hij naar Italië maakte. Hier raakte hij gefascineerd door de films van Federico Fellini, hetgeen grote invloed zou hebben op zijn werk.
De periode van 1960 tot 1980 wordt gekenmerkt door een lage productiviteit. Koch was een bezeten perfectionist die eindeloos lang aan zijn schilderijen bleef doorwerken. Maandenlang was hij soms bezig en dan nog was hij niet tevreden: een groot aantal schilderijen vernietigde hij uit onvrede. Koch kende ook vele dagen dat hij niet tot inspiratie kon komen en hij liep soms dagenlang rond voordat hij op het idee van een schilderij kwam. Daarnaast was hij een eigenzinnig kunstenaar die niet snel opdrachten aannam.
Desondanks schilderde hij een aantal bejubelde schilderijen, waarvan hij vaak meerdere versies schilderde. Zo maakte hij een vijftal schilderijen van slangenmensen, twee schilderijen van een slaapwandelaarster en drie van een koorddanser.
Koch stopte in 1980 met schilderen en de laatste elf jaar van zijn leven leefde hij in armoede.
[bewerken] Werk
Koch werkte net als Carel Willink, Dick Ket en Wim Schuhmacher in de stijl van het magisch realisme. Deze stroming ontstond in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw en was verwant met de Duitse stroming Neue Sachlichkeit en het surrealisme. Koch zei over het magisch realisme:
- Het magisch realisme bedient zich van voorstellingen die wel mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn ; het surrealisme daarentegen van onmogelijke, onbestaande of onbestaanbare situaties.[1]
Koch was zeer geïnspireerd door de Duitse films uit de jaren twintig en vanaf de jaren dertig ook door het surrealisme. Na zijn reis naar Italië raakt hij ook beïnvloed door de vroege renaissanceschilders zoals Piero della Francesca en Mantegna en het Italiaanse landschap en de Italiaanse cineast Federico Fellini. Deze Italiaanse invloeden zijn onder andere te zien in het portret Jonkvrouw J.C. van Boetzelaer II. Koch schilderde naast landschappen en portretten ook onderwerpen die meer kritiek oogstten namelijk achterbuurten, prostituees en kermisgasten. In 1931 zorgde het werk De Schiettent[2] voor zijn doorbraak.
Van 1938 tot 1940 reisde Koch naar Italië waar hij zich begon te interesseren voor de kunst van de renaissance. Koch kreeg mede door deze reis ook sympathie voor Mussolini en diens politieke opvattingen. In De Waag van augustus 1940 schreef hij:
- De blijde boodschap van het nationaalsocialisme is nou juist, dat het klasse-isolement wordt opgeheven: ieder krijgt weer de rol en plaats in de maatschappij die hem van nature toebehoort.
Ook van zijn Zelfportret met zwarte band (1937) wordt wel gezegd dat het getuigt van Kochs affiniteit met het fascisme. Zelf heeft hij dit verband altijd ontkend. Het werk stond op de omslag van het eerste nummer van De Schouw, het tijdschrift van de Kultuurkamer en zou symbool staan voor de 'nieuwe mens'. Dit werk is sinds 1938 in het bezit van het Centraal Museum in Utrecht. Koch maakte in totaal drie zelfportretten, maar hij heeft er één weer uit onvrede vernietigd. Hij beeldde alleen zijn hoofd en (blote) nek af tegen een lichtblauwe lucht, een zeer ongebruikelijke aanpak voor een zelfportret.
In 1980 schilderde Koch zijn laatste grote schilderij, De koorddanser III. Hierin beeldt hij een koorddanser af die oefent in een huiskamer. Het lijkt een symbolisch zelfportret, maar is geïnspireerd op zijn zoon Floris, balletdanser.
Daarna leidde hij tot zijn dood een teruggetrokken bestaan.
Koch heeft weinig werk nagelaten: zo'n 100 werken. Gedurende zijn leven vernietigde hij ook regelmatig werk of vermaakte hij schilderijen of delen ervan tot nieuwe werken. Hij maakte ook toneeldecors en ontwierp postzegels, bankbiljetten en een lantaarn. Hij was autodidact en schilderde zeer traag en nauwgezet. Vaak schilderde hij een serie van een onderwerp zoals Koorddanser I, II en III. Hij vernietigde werk gemakkelijk als hij er niet tevreden over was. Soms kenden zijn werken een lange conceptietijd.
[bewerken] Noten
- ↑ Tekst gepubliceerd in de catalogus van de tentoonstelling Magisch realisme in Nederland, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen 1971, z.p. (geciteerd in: Blotkamp, Carel. Pyke Koch. Amsterdam: Arbeiderspers, 1972, p. 132.)
- ↑ Afbeelding van De Schiettent. Museum Boymans-Van Beuningen, Rotterdam. Geraadpleegd op 11 februari 2009.