Raad voor de Kinderbescherming

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Raad voor de Kinderbescherming in Nederland is een dienst van het Ministerie van Justitie. De Raad voert een aantal wettelijke taken uit die te maken hebben met kinderen, met name kinderen die in de knel dreigen te komen of dat al zijn. Deze taken liggen op civielrechtelijk en strafrechtelijk terrein.

Taken[bewerken]

Belangrijke taken van de Raad voor de Kinderbescherming zijn:

Tot 1 maart 1994 was de Raad voor de Kinderbescherming ook belast met de inning van de kinderalimentatie. Deze taak is per die datum overgedragen aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Gouda.

Organisatie[bewerken]

De Raad bestaat in 2004 uit 22 vestigingen met daarboven 5 directies en een hoofdkantoor met hoofddirectie. Deze organisatie is per 1 januari 2006 gecentraliseerd waarna er 13 regio's overgebleven zijn, waaronder een iets groter aantal vestigingen. De regionale directiebureaus zijn opgeheven. De Raad wordt weer meer geïntegreerd in het Ministerie van Justitie. Elke vestiging bestaat uit een vestigingsmanager, een of meerdere teamleiders, intern gedragsdeskundigen, raadsonderzoekers, taakstrafcoördinatoren en facilitaire en administratieve ondersteuning.

De Raad krijgt via twee verschillende routes signalen en meldingen van problemen van/bij minderjarigen. Dit kan via de route van het strafrecht (een minderjarige is in aanraking gekomen met de politie). Een raadsonderzoeker gaat de jongere in de cel opzoeken als deze "in verzekering is gesteld" en rapporteert hierover aan de rechtbank en officier van Justitie. De Raad geeft dan een strafadvies (zie "Kwaliteitskader" van de Raad voor Kinderbescherming) en eventueel een hulpverleningsadvies.

Een andere route is het civiele recht; instanties zoals Bureau Jeugdzorg melden hun zorgen over minderjarigen en/of hun gezinnen. Deze signalen worden onderzocht door Raadsonderzoekers en soms voorgedragen aan de rechtbank met het verzoek om een ondertoezichtstelling uit te spreken. Als er een ondertoezichtstelling komt wordt een vestiging van het Bureau Jeugdzorg gevraagd deze uit te voeren.

Geschiedenis[bewerken]

De Raad voor de Kinderbescherming vindt zijn oorsprong in de in 1905 opgerichte voogdijraden die onder andere belast werden met het uitvoeren van de kinderwetten van 1901. De kinderwetten van 1901 waren het voorlopige sluitstuk in een proces waarbij de staat zich genoodzaakt voelde hoe langer hoe meer mogelijkheden te scheppen om in te grijpen in de ouderlijke opvoedingsverantwoordelijkheid. Aanvankelijk was er sprake van organisaties van gegoede burgers die zich op vrijwillige basis ontfermden over kinderen in door hun zelf benoemde probleemsituaties. Later werd er een ambtelijk secretaris toegevoegd. In 1956 werd de definitieve stap naar professionalisering gezet. Met het toenemen van het arsenaal aan mogelijkheden voor de overheid om in te grijpen in het privé-leven van gezinnen werden de raden hoe langer hoe omvangrijker. De in de laatste decennia steeds weer opstekende kritiek op de Raad was aanleiding om meer gedragsdeskundigen aan het werk te zetten bij 19 Raden voor de kinderbescherming die bovendien werden samengevoegd tot één landelijke organisatie. (zie verder kopje organisatie).

Kritiek[bewerken]

De Raad voor de Kinderbescherming staat regelmatig bloot aan kritiek. Dit betreft dikwijls de veronderstelde ondoorzichtige en willekeurige manier van werken. Soms zou de Raad niet of te laat ingrijpen (waardoor kinderen overlijden), en soms te vroeg (waardoor kinderen ten onrechte gescheiden worden van hun ouders). De Raad zelf vindt deze kritiek meestal inherent aan haar moeilijke taak en vindt dat ze hard aan haar transparantie heeft gewerkt.

Volgens onderzoek uit 1995 heeft de Raad een slecht imago bij eerstelijnswerkers[1] en cliënten.[2] Nieuwer onderzoek is niet bekend, maar de Raad heeft het zelf ook daarna in de media nog vaak over het verbeteren van het imago[3]. De Raad werkt aan haar imago door reorganisaties en intensieve mediacontacten. Zo betaalt zij journalisten bijvoorbeeld om mediatraining te geven aan haar medewerkers voordat deze een programma maken over de Raad. Overigens zijn er weinig formele klachten tegen de Raad. Criticasters wijten dat aan de kwaliteit van de klachtenprocedures. Klachtenprocedures van de Raad zijn niet openbaar. De Nationale Ombudsman stelt zich in de meeste zaken met betrekking tot de Raad niet geroepen te voelen onderzoeken te doen. Dit in verband met het mogelijk doorkruisen van de bevoegdheden van de rechterlijke macht.

Onderzoek naar het functioneren van de Raad wordt dikwijls gedaan door zelf aangestelde onderzoekers naar zelf aangeleverde dossiers met zelf aangestelde begeleidingscommissies. Directeur Levenkamp van het Ministerie van Justitie erkende in 2004 dat die laatste kritiek terecht is.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. "We zijn het vuilnisvat van de maatschappij" Algemeen Dagblad 12 januari 1995
  2. Telegraaf 17 juni 1995: 44% klanten hebben negatief oordeel. Wel bestaan er tegenwoordig klanttevredenheidsonderzoeken waaruit volgens de Raad op basis van een respons van 15% wordt geconcludeerd dat er een gemiddeld rapportcijfer van 6,8 zou worden toegekend.
  3. "Het imago van de Raad wordt voor een belangrijk deel bepaald door de media. En dat beeld is - terecht of onterecht - niet altijd positief. Om die reden is een vernieuwd communicatiebeleid gestart, waarin veel aandacht is voor eenduidige communicatie en professionele woordvoering. De Raad kiest er voor om de boodschap door getrainde woordvoerders naar buiten te brengen. Dit vereist mediasensitiviteit, training en ervaring." Meerjarenbeleidsplan 2005-2008 van de Raad voor de kinderbescherming