Radiosonde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De radiosonde of kortweg sonde is het kastje met weerkundige instrumenten dat onderaan een weerballon tot grote hoogte wordt opgelaten. Het doel is om ook van de hogere luchtlagen meetgegevens van temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk en wind te verkrijgen. De radiosonde is iets kleiner dan de grootte van een pak melk van een halve liter. Een radiosonde die windsnelheid en windrichting kan meten wordt ook wel rawinsonde (radio- en windsonde) genoemd. Een radiosonde die vanuit een vliegtuig wordt neergelaten wordt een dropsonde genoemd.

Vaisala RS92. Dit type radiosonde wordt meestal door het KNMI gebruikt. De gedraaide antenne linksboven is de gps-antenne. De metalen strip rechtsboven bevat de sensoren voor temperatuur en luchtvochtigheid.

Meteorologische metingen[bewerken]

De radiosonde gaat aan een met helium of waterstofgas gevulde ballon omhoog en doet metingen van de bovenlucht. De resultaten zendt hij radiografisch naar een weerstation toe. Afhankelijk van het gebruikte type ballon en de vullingsgraad van de ballon, bereikt de sonde een hoogte tussen 10 en ongeveer 35 kilometer. Een vlucht kan van start tot landing anderhalf tot drie uur duren. Tijdens het stijgen wordt één meting per seconde verricht van temperatuur, luchtvochtigheid en luchtdruk. Sommige (minder gebruikte) typen radiosondes bieden een resolutie van twee metingen per seconde. De stijgsnelheid van de ballon moet volgens de standaard van de WMO 5 m/s (18 km/uur of 1000 voet/minuut) bedragen. Afhankelijk van het type radiosonde wordt de positie van de radiosonde bepaald met behulp van de signalen van gps-satellieten of LORAN-C. Aan de hand van deze posities worden windrichting en windsnelheid berekend.

De gegevens zijn van groot belang voor numerieke weersverwachtingsmodellen, waarmee weersverwachtingen worden berekend, zowel voor de korte termijn als voor meerdere dagen. Metingen aan de grond bieden geen informatie over het verticale temperatuurverloop in de atmosfeer en de aanwezigheid van vocht in de hogere luchtlagen. Windmetingen aan de grond zeggen evenmin iets over luchtstromingen op grotere hoogte. Wind op grote hoogte bepaalt echter het weer voor de komende dagen. Met name de luchtvaart profiteert van de (wind)gegevens. Met behulp van de metingen van de bovenlucht kan onder meer bekeken worden of er sprake kan zijn van ijsafzetting, waar zich de straalstroom bevindt en op welke hoogten mogelijk bewolking voorkomt. Voorbeelden van metingen met radiosondes zijn te vinden in de verklaring van vliegtuigstrepen.

Toepassing[bewerken]

Radiosondes worden door een wereldwijd netwerk van ruim 1300 weerstations opgelaten.[1] Meer dan tweederde van de stations start een sonde om 00 uur UTC en 12 UTC. Tussen 100 en 200 stations doen eens per etmaal een sondering. Ongeveer 15 zeeschepen met een automatische sondeerinrichting laten weerballonnen op in oceaangebieden, voornamelijk vanuit het Noord-Atlantische deel.

Nederland[bewerken]

Stüve-diagram van een radiosonde opgelaten door het KNMI te De Bilt op 27 nov. 2014 rond 00 UTC. De bruine lijn geeft de gemeten luchttemperatuur op verschillende hoogtes weer, de rode lijn het dauwpunt. Op hoogtes waar beide lijnen elkaar dicht naderen, is de relatieve luchtvochtigheid (oranje lijn) bijna 100% en is de aanwezigheid van wolken waarschijnlijk.

In Nederland wordt vanaf één locatie dagelijks een radiosonde opgelaten onder een weerballon. Dit gebeurt vanaf het waarneemterrein van het KNMI in De Bilt rond 00 UTC, en vaker bij bijzondere weersomstandigheden. Tevens gebeurde dit jarenlang op Maritiem Vliegkamp De Kooy rond 06 UTC, maar deze sonderingen zijn in het najaar van 2014 beëindigd. De Bilt gebruikt gps-radiosondes van het type Vaisala RS92. Eens per week wordt een extra sonde met een ozonsensor omhoog gestuurd om ozon in de lucht te meten. Voor de ozonsonde wordt een grotere weerballon gebruikt die een hoogte van 33 km of meer kan halen.

De Koninklijke Landmacht heeft twee Weermeetgroepen (die deel uitmaken van 11 AfdRA & 14 AfdVA), gelegerd in 't Harde die radiosondeoplatingen doen, ten behoeve van de Nederlandse artillerie en bondgenoten. Met de radiosondes worden de atmosferische waarden gemeten die van invloed zijn op de dracht van een projectiel. Voor zover bekend maken de weermeetgroepen van de Landmacht gebruik van radiosondes van het type Vaisala RS92.

België[bewerken]

In België worden vanaf twee locaties radiosondes opgelaten: dagelijks rond 23 UTC door de meteo van Vliegbasis Bevekom en drie maal per week om 12 UTC door het KMI in Ukkel. Bevekom gebruikt radiosondes van het type Graw DFM-06. Ukkel start uitsluitend radiosondes van het type RS92 waaraan een ozonsensor is gekoppeld.

Vanuit Kamp Elsenborn worden tijdens militaire oefeningen door artillerie-eenheden radiosondes opgelaten.

Duitsland[bewerken]

Twaalf weerstations in Duitsland laten dagelijks radiosondes op. Zeven daarvan starten om 00 en 12 UTC een sonde. De weerstations Idar-Oberstein, Kümmersbruck en Lindenberg doen dat vier keer per dag: om 00, 06, 12 en 18 UTC. De militaire weerstations Meppen en Bergen sonderen drie tot vier keer per etmaal. In Duitsland worden voornamelijk radiosondes van het type Vaisala RS92 gebruikt.

Geschiedenis[bewerken]

Ozonsonde van het KNMI aan een parachute geland.

De radiosonde bestaat ruim een halve eeuw maar begin 20e eeuw waren er al vlieger- en ballonoplatingen. In de jaren van de Tweede Wereldoorlog werden internationaal radiosondes gebruikt om kennis op te doen over stromingen en processen in de hogere luchtlagen. In 1947 begon het KNMI in De Bilt met oplatingen van radiosondes, indertijd twee keer per dag. Vanaf 1957 zijn daar radiosondes met radar bijgekomen. Van 1985 tot 2002 werden dagelijks vier sondes opgelaten, maar in de jaren daarna is dit aantal geleidelijke teruggebracht. Sinds begin 2013 wordt slechts één radiosonde per dag opgelaten. Vanaf 1992 wordt een of twee keer per week een ozonsensor meegestuurd om ozon in de lucht te meten.

Recycling[bewerken]

Als de radiosonde omhoog gaat komt hij in steeds ijlere lucht. De (latex) ballon zal dus groter en groter worden en vroeg of laat klappen. De radiosonde komt dan aan de parachute naar beneden, soms op honderden kilometers afstand van de startlocatie. Gewone radiosondes worden slechts één maal gebruikt. Wie zo'n sonde vindt mag hem behouden of kan hem inleveren bij het klein chemisch afval of voor verdere verwerking terugsturen naar het weerstation dat hem heeft opgelaten. Hiertoe zijn de radiosondes soms voorzien van een briefje met vermelding van de herkomst en een nadere uitleg. Afhankelijk van de hoogtewinden komen radiosondes opgelaten in Duitsland vanaf bijvoorbeeld de nabijgelegen weerstations Norderney, Meppen en Essen, en vanaf de Belgische weerstations Bevekom en Ukkel regelmatig boven Nederland terecht. Ozonsondes worden wel opnieuw gebruikt. Het KNMI en het KMI ontvangen hun ozonsondes dan ook graag retour. De vinder ontvangt een vinderspremie.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) afkomstig van de website van het KNMI.
  1. WMO Global Observing System 'Zie: Upper-air observations