Radiosonde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De radiosonde of kortweg sonde is het kastje met weerkundige instrumenten dat onderaan een weerballon tot grote hoogte wordt opgelaten. Het doel is om ook van de hogere luchtlagen meetgegevens van temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk en wind te verkrijgen. De radiosonde is iets kleiner dan de grootte van een pak melk van een halve liter. Een radiosonde die windsnelheid en windrichting kan meten wordt ook wel rawinsonde (radio- en windsonde) genoemd. Een radiosonde die vanuit een vliegtuig wordt neergelaten wordt een dropsonde genoemd.

Vaisala RS92. Dit type radiosonde wordt meestal door het KNMI gebruikt. De gedraaide antenne linksboven is de gps-antenne. De metalen strip rechtsboven bevat de sensoren voor temperatuur en luchtvochtigheid.

In Nederland wordt vanaf één locatie dagelijks een radiosonde opgelaten onder een weerballon. Dit gebeurt vanaf het waarneemterrein van het KNMI in De Bilt rond 00 uur Universal Time en vaker bij bijzondere weersomstandigheden. Tevens gebeurde dit jarenlang op Maritiem Vliegkamp De Kooy rond 06 uur Universal Time, maar deze sonderingen zijn per oktober 2014 beëindigd. Het KNMI gebruikt radiosondes van het type Vaisala RS92. De radiosonde, die aan een met helium gevulde ballon omhoog gaat, doet de metingen van de bovenlucht en zendt de resultaten radiografisch naar De Bilt toe. De ballon bereikt doorgaans een hoogte tussen 20 en 30 kilometer. Tijdens de vlucht, die van start tot landing twee tot drie uur duurt, worden metingen verricht van temperatuur, luchtvochtigheid en luchtdruk. De stijgsnelheid van de ballon bedraagt ca. 5 m/s (18 km/uur of 1000 voet/minuut). Afhankelijk van het type RS92 wordt de positie van de radiosonde iedere seconde met behulp van de signalen van gps-satellieten of LORAN-C bepaald. Aan de hand van deze posities worden de windrichting en windsnelheid berekend.

De Koninklijke Landmacht heeft twee Weermeetgroepen (die deel uitmaken van 11 AfdRA & 14 AfdVA), gelegerd in 't Harde die radiosondeoplatingen doen, ten behoeve van de Nederlandse artillerie en bondgenoten. Met de radiosondes worden de atmosferische waarden gemeten die van invloed zijn op de dracht van een projectiel. Voor zover bekend maken de weermeetgroepen van de Landmacht gebruik van radiosondes van het type Vaisala RS92.

Afhankelijk van de hoogtewinden komen radiosondes opgelaten in Duitsland vanaf bijvoorbeeld de nabijgelegen weerstations Norderney, Meppen en Essen, en vanaf de Belgische weerstations Beauvechain en Ukkel regelmatig boven Nederland terecht.

Radiosondes worden op vrijwel alle nationale meteorologische stations opgelaten. Het gaat om een wereldwijd netwerk van ruim 500 meetpunten. De gegevens zijn van groot belang voor de weersverwachtingen, niet altijd voor de korte termijn maar ook voor meerdere dagen. Metingen aan de grond zeggen niet veel over de luchtstromingen op grotere hoogte. Wind op grote hoogte bepaalt echter het weer voor de komende dagen. Met name de luchtvaart profiteert van de (wind)gegevens. Met behulp van de metingen van de bovenlucht kan onder meer bekeken worden of er sprake kan zijn van ijsafzetting en op welke hoogten mogelijk bewolking voorkomt. Voorbeelden van metingen met radiosondes zijn te vinden in de verklaring van vliegtuigstrepen.

Geschiedenis[bewerken]

Ozonsonde van het KNMI aan een parachute geland.

De radiosonde bestaat ruim een halve eeuw maar begin 20e eeuw waren er al vlieger- en ballonoplatingen. In de jaren van de Tweede Wereldoorlog werden internationaal radiosondes gebruikt om kennis op te doen over stromingen en processen in de hogere luchtlagen. In 1947 begon het KNMI in De Bilt met oplatingen van radiosondes, indertijd twee keer per dag. Vanaf 1957 zijn daar radiosondes met radar bijgekomen. Van 1985 tot 2002 werden dagelijks vier sondes opgelaten, maar in de jaren daarna is dit aantal geleidelijke teruggebracht. Sinds begin 2013 wordt slechts één radiosonde per dag opgelaten. Vanaf 1992 wordt een of twee keer per week een ozonsensor meegestuurd om ozon in de lucht te meten. Voor de ozonsonde wordt een grotere weerballon gebruikt die een hoogte van 33 km of meer kan halen.

Recycling[bewerken]

Als de radiosonde omhoog gaat komt hij in steeds ijlere lucht. De (latex) ballon zal dus groter en groter worden en vroeg of laat klappen. De radiosonde komt dan aan de parachute naar beneden. Gewone radiosondes worden slechts één maal gebruikt. Wie zo'n sonde vindt mag hem behouden of kan hem inleveren bij het klein chemisch afval of voor verdere verwerking terugsturen naar het KNMI. De sondes zijn soms voorzien van een briefje met adresgegevens en een beschrijving in het Nederlands en Duits. Dat is nodig omdat de ballonnen afstanden kunnen afleggen van honderden kilometers, zodat ze in de ons omringende landen terechtkomen. Ozonsondes worden wel opnieuw gebruikt. Het KNMI ontvangt de ozonsondes dan ook graag retour. De vinder ontvangt een vinderspremie.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) afkomstig van de website van het KNMI.