Rasjid Ali al-Gailani

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Rasjid Ali al-Gailani (Arabisch: رشيد عالي الكيلاني) (Bagdad, 1892 - Beiroet, 28 augustus 1965) was een Iraaks politicus.

Al-Gailani was afkomstig uit een voorname familie uit Bagdad. Hij was gelieerd aan de vroegere premier Abd ar-Rahman al-Haidari al-Gailani (1841-1927), die tevens een prominent Soefi was. Rasjid Ali werd in 1924 minister van justitie en in 1933 was hij enige maanden premier.

Vanaf halverwege de jaren dertig werd hij onder invloed van de nationalistische en pro-Duitse Groot-Moefti van Jeruzalem, Hadji Amin al-Husseini, een Arabische nationalist met anti-semitische opvattingen. Hij raakte betrokken bij de extreem-rechtse Golden Square (Gouden Vierhoek). Samen met enkele officieren, aanhangers van de Golden Square en andere nationalisten (waaronder Saddam Hoesseins' oom Khairullah Tulfah) pleegden zij in april 1941 een staatsgreep waarbij de pro-Britse regering werd afgezet (koning Faisal II was inmiddels naar Jordanië gevlucht). Nazi-Duitsland gaf in de persoon van Adolf Hitler het regime van Rasjid Ali zijn steun en beloofde wapenleverancies. Tijdens zijn bewind vonden in Irak gruwelijke pogroms tegen Joden plaats, die bekend werden onder de naam Farhud. Omdat de wapenleverancies uitbleven gaf Ali legeronderdelen opdracht om Britse stellingen in Irak aan te vallen. De Britten, gesteund door Iraakse troepen die loyaal waren aan de koning, gingen in de tegenaanval. In juni 1941 viel de regering van Ali. Rasjid Ali ging daarop in ballingschap.

In 1958, na de val van de monarchie en de installatie van het Arabisch nationalistische regime van generaal Abdul Karim Qassem, keerde hij naar Bagdad terug waar hij groots werd onthaald. Enkele maanden nadien moest hij opnieuw in ballingschap omdat hij betrokken zou zijn geweest bij een staatsgreep tegen de regering-Kassem.

Zie ook[bewerken]