Rederijker
Een rederijker (ook: retoricus) is iemand die de welsprekendheid (retorica) beoefent. Een specifieke betekenis kreeg dit woord in de late Middeleeuwen toen amateur-dichters zich verenigden in geestelijke broederschappen die rederijkerskamers werden genoemd. Het woord zelf is een vernederlandsing van het Franse woord "Rhétoriqueur": hij die de retorica beoefent.
In de periode 1300 tot 1500 verenigden mensen zich om te dichten, te zingen en toneelstukken te spelen.
Dit gebeurde vooral in de Zuidelijke Nederlanden. De rederijkers verenigden zich in zogenaamde rederijkerskamers, die vaak ontstaan zijn als culturele afdeling van de gilden. Elke kamer had een beschermheer of prince, een deken (voorzitter) en een factor (de tekstdichter). Zo was Anthonis de Roovere factor van de Brugse rederijkerskamer 'De Heilige Geest'. Te Antwerpen moet 'De Violieren' en te Amsterdam 'De Eglantier' genoemd worden. Beroemde leden van 'De Eglantier' waren onder meer Laurens Reael, Hendrik Laurensz. Spiegel, Roemer Visscher en Dirck Volkertsz. Coornhert.
De rederijkerspoëzie bracht nieuwe dichtvormen zoals het refrein en de rethorike extraordinaire: het schaakbord, het kreeftdicht, de rederijkersballade en dergelijke meer. Kunstige rijmen en gezochte woordconstructies waren schering en inslag. Inhoudelijk onderscheidde men drie genres: 'in 't vroede' (ernstige poëzie), 'in 't amoureuze' (liefdesgedichten) en 'in 't sotte' (komische, soms schunnige gedichten).
[bewerken] Wedstrijden
Er waren ook wedstrijden om uit te maken welke Rederijkersgroep het beste toneelstuk schreef en opvoerde. Deze wedstrijden heetten landjuwelen. De aankondigingen voor een landjuweel werden vaak al lang voor de wedstrijd zelf verstuurd. De uitnodiging voor zo'n wedstrijd heet een kaart. Met de kaart werden ook de opdrachten en de prijzen genoemd. Vaak werd er tijdens een wedstrijd in verschillende onderdelen geconcurreerd. Voorbeelden van winnende stukken zijn Elckerlijc en Mariken van Nimwegen. De winnaar kreeg de prijs en moest de volgende keer de wedstrijd organiseren.
[bewerken] Rederijkers nu
Rederijkers bestaan nog steeds. De meeste rederijkerskamers zijn tegenwoordig gezelligheidsverenigingen, maar vooral in het noorden van Nederland is er een levendige cultuur binnen de daar gevestigde rederijkerskamers. De Groningse kamers stammen uit veel latere tijd dan de "oude" kamers uit de zuidelijke Nederlanden. Uit noodzaak Hollands te leren voor de handel met het westen werden door Groningssprekende notabelen en boeren in Groningse dorpen rederijkerskamers opgericht. Deze zijn tegenwoordig verenigd in het K.P.G.R.V. (Koninklijk Provinciaal Groninger Rederijkers Verbond). Binnen de meeste van de aangesloten verenigingen streven de leden naar hoogwaardig amateurtoneel, wordt poëzie voorgedragen en wordt jeugd onderricht in de theater- en poëziekunst. Elk jaar is er een concours (toneel- en voordrachtwedstrijd) tussen de verschillende kamers van het K.P.G.R.V. Ook in Friesland komt een rederijkerskamer voor en wel de 'Koninklijke Rederijkerskamer Ons Genoegen' te Sexbierum, één van de zes rederijkerskamers in Nederland die het predicaat 'Koninklijk' mogen voeren[1].
In Vlaanderen leeft de rederijkerscultuur nog. Sinds 2004 bestaat er Gentiaan (rederijkerskamer), een Gentse kamer. Andere voorbeelden zijn de Koninklijke Rederijkerskamer De Bloeyende Wijngaerd uit Berchem en de Koninklijke Aloude Hoofdrederijkerskamer De Violieren, beide uit Antwerpen.
De Rederijkers was ook een improvisatieprogramma op Canvas (VRT) van en met Johan Terryn.
Bronnen, noten en/of referenties:
- Dixhoorn, A. van, Lustige geesten. Rederijkers en hun kamers in het publieke leven van de Noordelijke Nederlanden in de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw (Proefschrift Amsterdam 2004).
- Mareel, S. en Bussels, S., 'Strategieën van overtuiging in het rederijkerstoneel en de beeldende kunsten in de vijftiende- en zestiende-eeuwse Nederlanden', in: Desipientia: Zin & Waan: Kunsthistorisch Tijdschrift 15 (2008), nr. 1 (2008), pp. 16-20.
- Literatuurgeschiedenis.nl, Rederijkerij
- ↑ persbericht SDU 29 januari 1997