Referendum over het afschaffen van de Italiaanse monarchie in 1946

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Risultati regionali del referendum del 2 giugno 1946.png

Op 2 juni 1946 kon de Italiaanse bevolking zich in een referendum uitspreken over de staatkundige toekomst van het land. Tot 1946 was Italië een koninkrijk, waarin het huis van Savoye de koning leverde sinds de Risorgimento van de negentiende eeuw. Echter, de fascistische dictatuur onder Benito Mussolini maakte het koningshuis een stuk minder populair. Om die reden werd in 1946 een referendum uitgeschreven over het invoeren van een republiek. Aanhangers van de monarchie veroordeelden de uitslag wegens vermeende fraude, maar daarvoor is nooit een bewijs gevonden.

Aanloop naar het referendum[bewerken]

Waar het in het referendum echt om draaide, was of het staatshoofd voortaan zou worden gekozen of dat het afkomstig zou zijn uit een dynastie en dus door erfopvolging zou worden aangewezen. In beide gevallen bleef het staatshoofd betrekkelijk ceremonieel. In maart 1946 besloot men het referendum te houden op 2 juni.

Na de Tweede Wereldoorlog was van Italië weinig meer over. Daardoor groeide de republikeinse beweging. Men verzocht koning Victor Emanuel III in mei 1946 af te treden ten gunste van zijn zoon, Umberto. Die besteeg op 9 mei de troon als koning Umberto II. In een laatste poging om de monarchie te redden, werd op de volgende dag besloten de titel van de koning te wijzigen van (naam), Koning van Italië, bij de gratie Gods en bij de wil van de natie naar (naam), Koning van Italië. Ook werden alle bevoegdheden van de koning opgeschort tot in elk geval de uitslag van het referendum.

Krachtens de wet werden de uitslagen gecontroleerd door het Hof van Cassatie, dat op 16 juni de definitieve uitslag kon vaststellen. Enkele dagen daarvoor al had de koning het land verlaten en was premier Alcide De Gasperi aangewezen als voorlopig staatshoofd.

De uitslagen[bewerken]

Uiteindelijk stemde 54,3% voor het invoeren van de republiek en 45,7% voor het behoud van de monarchie. De regio's waren echter verdeeld: in Lazio, de zuidelijke regio's, Sardinië en Sicilië was een meerderheid voor de monarchie, terwijl in de noordelijke regio's de republiek de gewenste staatsvorm was. Hierbij moet worden aangetekend dat onder meer de staatkundige toekomst van de regio Trentino-Zuid-Tirol, waar 85% voor de republiek stemde, onzeker was (er gingen stemmen op om het gebied weer bij Oostenrijk te voegen, maar daarvan is het nooit gekomen).

Op 4 juni kreeg de Paus te horen dat de monarchie toch behouden zou blijven, aangezien een meerderheid van de kiezers daarvoor zou hebben gestemd. Een dag later echter kwamen nog veel stemmen binnen voor de republiek, waardoor de kansen keerden. Aanhangers van de monarchie schatten destijds dat ongeveer drie miljoen stemmen verloren zouden zijn gegaan. Aangezien het verschil tussen de stemmen voor de republiek (12.000.000) en de monarchie (ongeveer 10.000.000) kleiner is, hadden die stemmen doorslaggevend kunnen zijn. Er is echter geen krachtig bewijs bekend voor deze beweringen.

In de nieuwe republikeinse grondwet kwam onder meer het artikel dat mannelijke leden van het Italiaanse Koninklijk Huis voorgoed verbannen zouden worden uit Italië. Dit artikel werd in 2002 geschrapt. In december van dat jaar besloot de zoon van Umberto II terug te keren naar zijn vaderland.