Regenput

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Regenbak bij een woning

Beluister

(info)

Een regenput, regenbak, cisterne of tras is een ondergronds gelegen opslagbassin voor hemelwater, soms binnenshuis, maar vaak ook daarbuiten gelegen. Hij heeft een stenen of houten opbouw van circa 1 meter hoog met een houten of metalen deksel. Deze opbouw wordt ook wel de keel genoemd.

In de kuststreken is het grondwater vaak brak, en dus ondrinkbaar. Regenwater gebruikte men er daarom als drinkwater voordat de gemeenschappelijke waterleiding werd aangelegd. De putten hadden meestal een capaciteit van 300-500 emmers. Ook bij kerkgebouwen was vaak een waterkelder voor het bewaren van regenwater aanwezig. Deze voorraad vormde een reserve voor droge tijden. Veel kerken in Zeeland zijn nog steeds voorzien van een regenbak. Bij langdurige droogte werd soms water per tankwagen of schip aangevoerd.

Regenwater werd van het dak van een gebouw door goten opgevangen en via pijpen naar de put geleid. Het werd vaak voor het in de put kwam gefilterd met behulp van turf of cokes. Ook kwam het wel voor dat men in de put enige zeelten (zoetwatervis) hield, die hielpen het water schoon te houden.

Water putten gebeurde eeuwenlang met behulp van een putketel of aker, een kleine emmer. Ook benutte men vaak een handzuigerpomp met een zwengel die het water maximaal 5 meter verticaal kon verplaatsen.

Regenbakken werden tot ongeveer 1950 op bijvoorbeeld de Zuid-Hollandse en Zeeuwse Eilanden en in Noord-Groningen algemeen gebruikt.

Waterkelder[bewerken]

Op de zandgronden in bijvoorbeeld Noord-Brabant werden ondanks het drinkbare grondwater vroeger waterkelders aangelegd om regenwater op te vangen. Dit zijn vaak ondergrondse gewelven waar water in staat. Het relatief kalkarme regenwater was geschikt om kleren mee te wassen, in tegenstelling tot het kalkrijke grondwater.

Zie ook[bewerken]