Regering-Pierlot in Londen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De regering-Pierlot in Londen, ook soms de regering-Pierlot IV genaamd, was de regering in ballingschap van België van 28 mei 1940 (eigenlijk vanaf 31 oktober 1940) tot 21 september 1944.

Regering-Pierlot vanaf 10 mei 1940[bewerken]

Hubert Pierlot en zijn regering kwamen in mei 1940 in scherp conflict met koning Leopold III, toen deze weigerde de regering naar het buitenland te volgen. Pierlot nam geen verantwoordelijkheid voor de houding van de koning en hield in Limoges een toespraak tot de daar aanwezige parlementsleden, die hun instemming gaven met de regeringsbeslissing om vast te stellen dat de koning in de onmogelijkheid verkeerde tot regeren en de grondwettelijke uitvoerende machten werden overgenomen door de regering.

Van einde mei tot in september verkeerde de regering Pierlot in de meest onzekere situatie in Frankrijk. De voornaamste ministers verbleven achtereenvolgens in Bordeaux, Poitiers, Vichy en Sauveterre-de-Guyenne.

Een van de ministers, Marcel-Henri Jaspar, vertrok al in juni naar Engeland en riep daar op eigen houtje, naar het voorbeeld van generaal Charles de Gaulle, in een radiotoespraak op 23 juni uit de strijd te zullen verderzetten. Zijn collega's waren het daar niet mee eens en hij werd uit de regering gezet.

Minister van kolonies Albert de Vleeschauwer vertrok naar Portugal en was vanaf 9 juli in Engeland, met de opdracht van de regering om verder de Belgische kolonies te besturen. Minister van Financies Camille Gutt vertrok in augustus naar Londen, van waaruit hij zijn collega's aanspoorde het zelfde te doen.

Pierlot verzocht alle in Frankrijk verblijvende ministers, die niet van plan waren naar Engeland mee te gaan, hem hun ontslagbrief te overhandigen, wat ze deden. Hun ontslag werd niet officieel gepubliceerd. In augustus vertrokken Pierlot en Spaak via Spanje en Portugal naar Engeland, waar ze einde oktober aankwamen, en op 31 oktober 1940 een vorm van regeringsorganisatie tot stand brachten, die zich formeel er op beriep nog steeds de wettelijke regering te zijn die op 3 september 1939 het vertrouwen van de Kamer had gekregen. Met een wisselende bezetting, maar met het behoud van de vier eerste titularissen, bleef dit de door de andere geallieerde mogendheden erkende Belgische regering in ballingschap, tot aan de terugkeer naar België op 8 september 1944, het ontslag op 21 september en de vorming van een vierledige regering-Pierlot (katholieken-socialisten-liberalen-communisten) op 27 september 1944. De wijzigingen in de samenstelling van de Londense regering werden telkens bij regeringsbesluit genomen en gepubliceerd in het in Londen gedrukte Belgisch Staatsblad.

Samenstelling[bewerken]

Gedurende het grootste deel van de oorlog bestond de regering uit vier ministers. Tegen het einde van de oorlog waren het er zeven. Zowel voor als na de aankomst van drie ministers en de benoeming van onderstaatssecretarissen werden heel wat wijzigingen beslist in de door elk van de ministers beheerde portefeuilles.

Minister Naam Partij
Eerste minister, Onderwijs, Landsverdediging en alle niet vermelde departementen (31/10/1940 - 27/09/1944) Hubert Pierlot Katholieke Partij
Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel, Voorlichting en Propaganda (31/10/1940 - 27/09/1944) Paul-Henri Spaak POB
Financiën, Economische Zaken en Landsverdediging ((31/10/1940 - 27/09/1944) Camille Gutt technicus
Koloniën en Justitie (31/10/1940 - 27/09/1944) Albert de Vleeschauwer Katholieke Partij
Justitie, Voorlichting en Propaganda (2/10/1942 - 27/09/1944) Antoine Delfosse Katholieke Partij
Binnenlandse Zaken en Landbouw (6/04/1943 - 27/09/1944) August De Schryver Katholieke Partij
Openbare Werken (6/04/1943 - 27/09/1944) August Balthazar POB

Onderstaatssecretarissen[bewerken]

Eerste minister Pierlot, zeer legalistisch ingesteld, wilde geen ministers benoemen die niet tot zijn vooroorlogse regering hadden behoord. Aangezien de activiteiten toenamen, werd de formule gekozen van onderstaatssecretarissen die, onder de verantwoordelijkheid van een van de ministers, ministeriële bevoegdheid kregen. Werden aldus benoemd:

  • op 19 februari 1942:
    • Julius Hoste (Liberalen), Onderstaatssecretaris voor het Openbaar Onderwijs;
    • Henri Rolin (BWP), Onderstaatssecretaris voor de Landsverdediging - tot 2 oktober 1942;
    • Gustave Joassart (technicus), Onderstaatssecretaris voor Hulp aan de Vluchtelingen, Arbeid en Sociale Voorzorg tot 16 juli 1943;
  • op 31 december 1942:
    • Raoul Richard, onderstaatssecretaris voor de Bevoorrading;
    • Joseph Bondas (BWP), onderstaatssecretaris voor Hulp aan Vluchtelingen, Arbeid en Sociale Voorzorg.

Literatuur[bewerken]

  • Theo LUYKX, Politieke geschiedenis van België, Brussel-Amsterdam, 1964.
  • Camille GUTT, La Belgique au Carrefour, 1940-1944, Parijs, Fayard, 1971.
  • Fernand VAN LANGENHOVE, La Belgique et ses garants. L'été 1940, Brussel, Paleis der Academies, 1972.
  • Luc SCHEPENS, De Belgen in Groot-Brittannië, 1940-1944, Nijmegen-Brugge, 1980.
  • Jan VELAERS & Herman VAN GOETHEM, Leopold III. De Koning, het Land, de Oorlog, Tielt, Lannoo, 1994.
  • Thierry GROSBOIS, Pierlot, 1930-1950, Brussel, Racine, 2007.