Religie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beluister

Portal.svg Portaal Religie
Religieuze symbolen, van links naar rechts:
regel 1: Christendom, Jodendom, Hindoeïsme
regel 2: Islam, Boeddhisme, Shinto
regel 3: Sikhisme, Baha'i, Jainisme

Onder religie (van het Latijn religio, zie verder Etymologie) wordt gewoonlijk een van de vele vormen van zingeving, of het zoeken naar betekenisvolle verbindingen, verstaan, waarbij meestal een hogere macht, opperwezen of god centraal staat.

In bredere zin duidt het woord 'religie' op een algemenere vorm van spiritualiteit, gevoelens, gedachten met betrekking tot de zin van het leven. Deze religiositeit kan al dan niet beschouwd worden in relatie tot een macht, of manifestaties van een macht, of een (bewust) niet nader gedefinieerd beginsel, essentie of entiteit. Het gaat daarom dus niet per se om een identiteit, een persoon.

Vaak ook wordt de term geloof gebruikt. In monotheïstische religies wordt ook het specifiekere begrip godsdienst gebruikt. In polytheïstische religies spreekt men daarentegenover een godendom.

Inhoud

[bewerken] Etymologie

Bij Romeinse auteurs treft men de volgende etymologieën van het woord religio aan.

Cicero leidt het woord af van relegere (herlezen, overdoen, nauwgezet in acht nemen) en typeert daarmee het begrip religie als het voortdurend en ijverig in acht nemen van alles wat op de verering van de goden betrekking heeft (vergelijk De natura deorum II, 28 en De inventione II, 22 en 53).

Lactantius verklaart religie uit religare (opnieuw binden, goed binden) en verstaat onder religie de band (liga) tussen God en de mens (Divinae Institutiones IV, 28).

Aulus Gellius leidt het begrip af van relinquere (achterlaten) en geeft daarmee aan dat alles wat tot de religie behoort van het profane is afgezonderd (Noctes Atticae IV, 9).

Augustinus brengt het woord in verband met re-eligere (opnieuw verkiezen): in de religie kiest de mens God, die hij door de zonde had verloren, weer als bron van zijn zaligheid (De civitate Dei X, 4).

Antieke theorieën over woordafleiding (etymologie) zijn echter zelden betrouwbaar. De moderne taalwetenschap leidt 'religio' af van een (niet overgeleverd) werkwoord 'religere', dat zoiets als 'verplichten' moet hebben betekend. Dat is ook in overeenstemming met de oudst vastgestelde betekenis van 'religio': (het naleven van een) religieuze plicht. De foutieve etymologie van Lactantius als zou 'religie' eigenlijk verwijzen naar een 'verbinding' tussen god(en) en mensen geniet in sommige religieuze kringen nog steeds een - begrijpelijke - populariteit. Voor een dergelijk type verbinding reserveert het Latijn echter het woord coniunctio.

[bewerken] Algemeen

ReligijneSymbole.png

Religie is een menselijk verschijnsel dat zijn oorsprong vindt in het bewustzijn van zijn eigenstandigheid. De individuele mens ziet zichzelf als een eenling tussen vele anderen, geworpen in een wereld/universum waarvan hij door middel van het ontwikkelen van zijn bewustzijn en denkvermogen afstand kan nemen. Deze 'eenzaamheid' of 'individualiteit' is al duizenden jaren object van menselijk denken en is onder andere verwoord in het verdrijvingsverhaal in Genesis. Met behulp van religie probeert de mens zich te herverbinden met de ander en de wereld en probeert een verklaring te bieden voor deze 'breuk'.

Religie kan dus enerzijds worden gezien als een poging van de mens het universum en zijn bestaan daarin te verklaren en anderszins als een reactie van de mens op openbaringen van een hogere macht of op mystieke ervaringen of inzichten. In de meeste religies wordt die hogere macht beschouwd als Schepper van het universum en in sommige religies als een lagere godheid, de zogeheten Demiurg. Bij het ontbreken van een God of schepper in een religie kent men vaak een onpersoonlijk, onnoembaar beginsel, bijvoorbeeld bij het emanationisme.

Sommige onderzoekers, waaronder Karen Armstrong, zien de mens principieel als een religieus wezen. In de religie zoekt de mens antwoord op vragen rond bestemming, dood, leven, zin van het lijden, doel van de geschiedenis, etc. De religie biedt in deze optiek houvast en troost in een chaotische wereld. Het geeft ook antwoorden, hoewel geen sluitende, op de waaroms van het leven. Anderen, onder wie Ludwig Feuerbach, Karl Marx, Friedrich Nietzsche en Arthur Schopenhauer als meesters van de twijfel, verwerpen met kracht de gedachte dat de mens een religieus wezen is. Dit verschil in mening kan gemakkelijk verklaard worden door de mens te zien als een wezen dat naar zekerheid streeft, zo is religie één manier die tracht deze zekerheid te bekomen. Zie ook horror vacui.

Geografische verspreiding van de wereldgodsdiensten

Het overgrote deel van de mensheid is religieus, al dan niet belijdend. Het aantal aanhangers van de diverse wereldreligies verschilt sterk. Globaal gelden ongeveer de volgende cijfers:

Religie Aanhangers (2005)[1]
Christendom 2,1 miljard
Islam 1,3 miljard
Niet-religieus 1,1 miljard
Hindoeïsme 900 miljoen
Boeddhisme 415 miljoen
Taoïsme 225 miljoen
Sikhisme 23 miljoen
Jodendom 14 miljoen
Jehova's getuigen 7 miljoen
Bahá'í 6 miljoen
Jainisme 5 miljoen

[bewerken] Definities van religie

Het begrip religie is moeilijk, zo niet onmogelijk te definiëren. Vele tientallen definities zijn geopperd, maar geen enkele definitie wordt universeel geaccepteerd. Iedereen heeft echter een idee van wat met religie bedoeld wordt. Wanneer men willekeurige mensen vraagt om een definitie van religie te geven dan krijgt men bijvoorbeeld de volgende antwoorden:

In de theologie, sociologie, filosofie en psychologie zijn vele definities bedacht. Deze definities en beschrijvingen kunnen worden onderverdeeld in verschillende groepen.

[bewerken] Essentialistische of substantiële definities

Een essentialistische definitie probeert religie te beschrijven vanuit haar essentie. Men probeert de essentiële inhoud, de substantie van religieuze voorstellingen en religieus gedrag te omschrijven. Men probeert aldus religie te onderscheiden van andere menselijke fenomenen zoals filosofie, wetenschap en politiek. Een bekende vorm van deze definitie is het idee dat religie te maken heeft met een geloof in spirituele wezens. Dit soort definities zijn echter problematisch omdat in sommige religies, zoals Theravada, Taoïsme en Confucianisme, spirituele wezens niet centraal staan of zelfs niet voorkomen. Een bekende essentialistische definitie stamt van Friedrich Schleiermacher: "Religie is de honger van de ziel naar het onmogelijke, het onbereikbare, het onvoorstelbare...". Rudolf Otto beschreef religie als het 'numineuze', het geheel andere en transcendente. Paul Tillich definieerde religie als een systeem van geloof en praktijken gericht op het 'ultieme'.

Essentialistische definities zijn aantrekkelijk omdat ze in een kernachtige, en vaak poëtische, beschrijving pogen aan te geven wat religie is. Het is echter niet mogelijk gebleken om een essentialistische definitie te vinden die alle geaccepteerde vormen van religie beschrijft. Een essentialistische definitie verplaatst het probleem door het woord religie te vervangen met een filosofische abstractie zoals het ultieme.

[bewerken] Functionele definities

In de functionele definitie wordt religie omschreven met betrekking tot hoe het functioneert in de samenleving. Dit soort definities zijn geopperd om het probleem met essentiële definities te omzeilen. Sigmund Freud dacht dat religie een manier is om de werkelijkheid te beheersen door middel van het uitvinden van een perfecte wereld. In zijn visie is het idee 'God' een versie van het vaderbeeld en is religie in wezen infantiel en neurotisch. Hij ziet religie als een biologische en psychologische noodzakelijkheid om de contingentie van het bestaan aan te kunnen.

Freuds volgeling C.G. Jung had een veel meer sympathiserende opstelling tegenover religie. Als agnosticus wees hij religieuze symboliek toch een belangrijke functie toe in de psychologie van een individu. Aan het Freudiaanse onderbewuste voegde hij een collectief onbewuste toe, een soort opslagplaats van door alle culturen gedeelde universele beelden (archetypen) die ook aan de basis lag van het bestaan van religie.

Een andere psychoanalyticus die zich boog over de functie van religie, is de Amerikaan Erich Fromm (1900–80), die de Freudiaanse theorie modificeerde door het Oedipuscomplex niet zozeer seksueel te interpreteren, maar eerder als gebaseerd op een 'veel diepere begeerte', namelijk de kinderlijke wens om zich blijvend te hechten aan beschermende figuren. [2]

Alhoewel dit soort definities een betere beschrijving kunnen geven van wat religie is, zijn functionele definities problematisch omdat ze vanuit een extern perspectief zijn geschreven. De religieuze mens herkent zichzelf vaak niet in dit soort definities. Functionele definities geven vaak een simplistisch beeld van de rol die religie speelt in het leven van de religieuze mens, net zoals essentialistische definities het begrip religie op zich proberen te vereenvoudigen.

[bewerken] Fenomenologische definities

De fenomenologie van de religie probeert het hele definitieprobleem te omzeilen door een opsomming van de fenomenen die alle religies gemeenschappelijk hebben. Ninian Smart definieert religie als een verzameling van geïnstitutionaliseerde rituelen van een groep mensen die verbonden zijn met een traditie en die spirituele sentimenten met een buiten-menselijke focus uitbeelden of oproepen en ten minste ten dele gebaseerd op mythologie en/of doctrines.

Ten eerste laat Smart zien dat religie geen opzichzelfstaand fenomeen is, maar iets van een groep mensen. Religies ontstaan echter niet uit het niets en Smarts definitie benadrukt dan ook de rol van de traditie. Smarts definitie laat tevens een intern perspectief toe door middel van het uitbeelden van spirituele sentimenten. Dit is echter tevens een zwakte van deze definitie omdat het begrip spiritueel net zo moeilijk te bevatten is als religie. De toevoeging dat het om iets buiten-menselijks gaat verduidelijkt dit echter. Het laatste aspect van de definitie stelt dat religies worden verwoord door mythologie en doctrines, al dan niet schriftelijk vastgelegd.

Deze definitie laat de complexiteit van religie tot zijn recht komen, het nadeel is echter dat de definitie erg uitgebreid is. De fenomenologische definitie heeft als groot voordeel dat hierdoor religie in al haar aspecten kan worden ontleed en bestudeerd. Het is dan ook een definitie die vooral door sociologen wordt gehanteerd.

[bewerken] Wat is religie?

Bovenstaand overzicht geeft aan dat een perfecte definitie van religie niet mogelijk is. Religie zal voor iedereen wat anders betekenen. De fenomenologische definitie wordt tegenwoordig door de meeste godsdienstwetenschappers als de bruikbaarste ervaren. Deze benadering heeft als minpunt dat het de fundamentele zijnsvragen ontwijkt of ontologie vervangt door fenomenologie.

[bewerken] Onderverdeling van religies

Religies kunnen op grond van verschillende criteria worden onderverdeeld. Een gangbare methode is een indeling aan de hand van de verhouding van een bepaalde religie tot de godheid. Voor een uitgebreid overzicht van religieuze stromingen, zie het religie portaal en lijst van religies

[bewerken] Universeel of etnisch

Een religie kan zich richten tot heel de mensheid (boeddhisme, christendom of islam) of tot één volk (o.a. het hindoeïsme). Hindoe wordt men door geboorte. Een buitenstaander die zich aansluit bij een hindoe-sekte wordt door andere hindoe's vaak niet in Indische hindoetempels toegelaten.

[bewerken] Non-theïsme

Non-theïstische levensbeschouwingen, stellen het bestaan van een god of goden niet centraal in hun levensbeschouwing.

Een voorbeeld van een non-theïstische levensbeschouwing met filosofische en religieuze opvattingen en principes is het taoïsme. In de Tao Te Ching, vers 1 staat: Het Tao dat gezegd/begaan/gedefinieerd kan worden is niet het eeuwige/het als bestendig bedoelde Tao. Dit vers geeft aan dat hetgeen geverbaliseerd en in een theoretisch kader geplaatst wordt, niet de eeuwige Tao is. De Tao zit dus niet in een theorie, maar is echter ook geen goddelijk wezen; het is een natuurlijk principe dat in het dagelijks leven waarneembaar is.

Ook bepaalde stromingen in het hindoeïsme zoals de Advaita Vedānta (zuiver non-dualisme) zijn non-theïstisch en nemen een ongedefinieerd beginsel aan waar verder niets over valt te zeggen dan in onbegrijpelijke paradoxen. Zoals: "het is alles en leegte". Het is in alles en staat er niet mee in betrekking. Of: "Dat", "Dat ben jij." Deze Advaeta is verwant aan de Shunyavada filosofie ("alles is leegte") uit het boeddhisme.

Boeddhistische religies zijn die religies waarin het individu zijn toevlucht zoekt in de Boeddha, de Dhamma (de leer van de Boeddha) en de Sangha (de gemeenschap van heilige monniken en leken). Voorbeelden zijn Theravada en Mahayana. Boeddhistische religies zijn non-theïstisch, maar affirmeren het bestaan van een transcendente (spirituele) werkelijkheid en propageren een geloof in karma, wedergeboorte, goden, geesten, hemel en hel. Het boeddhisme valt niet onder monotheïsme en polytheïsme omdat volgens de leer van de Boeddha ware verlossing slechts gevonden kan worden in een principe dat beschouwd wordt als hoger dan welke god dan ook.

Humanistische religiositeit is in het algemeen ook non-theïstisch. Religieus-humanisten gaan uit van een verbondenheid tussen alle verschijnselen op de wereld, zonder uit te gaan van een persoonlijke god.

[bewerken] Klassiek monotheïstische religies

Klassiek monotheïstische religies zijn religies waarin nadrukkelijk maar één godheid (God) aanbeden wordt. Voorbeelden zijn het jodendom, het christendom en de islam.

Wel is in deze religies vaak sprake van een reeks geestelijke schepsels, de engelen. Ook kan er een zich van God afkerend schepsel, een gevallen engel, voorkomen die duivel of satan wordt genoemd en afkomstig is van de engelenschaar van God; deze heeft zijn eigen boosaardige engelen die demonen of boze geesten worden genoemd. Bij sommige religies wordt ook gesproken van dualistisch theïsme, bijvoorbeeld in het manicheïsme en het zoroastrisme. In deze religies wordt onderscheid gemaakt tussen een goede en een kwade god en worden ze diametraal tegenover elkaar gesteld.

[bewerken] Panentheïstische, monolatristische en henotheïstische religies

Panentheïstische, monolatristische en henotheïstische religies zijn weliswaar monistisch-theïstisch oftewel monotheïstisch (er is maar één hoogste God of absolute werkelijkheid), maar ze gaan er niet automatisch vanuit dat die ene God maar op een manier benaderd kan worden, hoewel de aanhangers dat meestal wel maar op een manier doen. Voorbeelden van dergelijke religies zijn het vaishnavisme (Vishnoe), het shaivisme en shaktisme (Shiva), het smartisme (God), de Vedanta en het sikhisme (God). Deze religies gaan er nooit vanuit dat er maar een ware religie of weg tot God bestaat.

[bewerken] Polytheïstische religies

Polytheïstische religies hebben meer dan één god zoals de diverse natuurgodsdiensten. Ook de verdwenen godsdiensten van de Romeinen, Grieken en Germanen vereerden vele verschillende goden. Niet alle hindoes in India zijn polytheïstisch. Bepaalde groepen hindoes vereren God in slechts één bepaalde vorm, net zoals de christenen en moslims dat doen. Het hindoeïsme bestaat uit vele zeer diverse stromingen of "religies". Hindoes denken niet in religies, maar in het universele concept Dharma dat niet per se gebonden is aan deze of gene religie of spirituele filosofie.

[bewerken] Pantheïstische religies

In pantheïstische religies wordt god/het goddelijke geacht samen te vallen met de natuur. Dit kan een vorm van non-theïstische religiositeit zijn.

[bewerken] Bestudering van religie

De westerse theologie houdt zich bezig met inhoudelijke beschrijvingen en discussies omtrent het godsbegrip, zichtbare en onzichtbare elementen met betrekking tot het geschapen universum en de verhouding van Schepper tot schepping en omgekeerd. De theologie neemt daarbij niet het standpunt in dat God bestaat, maar een agnostisch standpunt: de vraag naar het al dan niet bestaan van God komt niet aan de orde, omdat daar wetenschappelijk gezien geen antwoord op gegeven kan worden. Theologie houdt zich bezig met hoe religie functioneert of gefunctioneerd heeft. Daarbij beperkt ze zich hoofdzakelijk tot de westerse religies zoals het christendom en jodendom, een bredere kijk op deze zaken vindt men bij de godsdienstwetenschap. Opvallend is wel dat de meeste studenten in de theologie in God geloven dit in tegenstelling tot de studenten filosofie waarvan bij de meeste het omgekeerde het geval is. Vandaar het misverstand dat men bij theologie uitgaat van het bestaan van God. Waar de belangstelling voor theologische studies geleidelijk afneemt, neemt die voor godsdienstwetenschappen juist toe.

Een religie kan een geloofssysteem bevatten dat bestaat uit constitutionele regels en wetten. Eveneens is er dan sprake van cultische rituelen, feesten en heilige plaatsen van aanbidding en/of eredienst, en (vooral als het geopenbaarde religies betreft) een of meer heilige of gezaghebbende boeken. Iemand die deze regels, wetten en rituelen vrij nauwkeurig naleeft, noemt men praktiserend gelovig, praktiserend 'religieus'. Religieuze praktijken kunnen sterk door het gevoel worden bepaald. Toewijding aan de hogere macht noemt men devotie. Een heel devoot mens werd in een ouderwetse uitdrukking 'vroom' genoemd. In sommige religies, en met name het christendom, staat het geloof zeer centraal in het religieus-zijn ('religiositeit'). Hoewel dit vaak wel het geval is, hoeft religiositeit niet noodzakelijkerwijs gekoppeld te zijn aan regels die door een instituut onveranderlijk zijn vastgelegd. Rituelen en morele normen horen echter bij zingevingspatronen. Veel religieuze mensen geloven dat er een hogere macht of iets hogers is, zonder geïnstitutionaliseerde regels of dogma's.

[bewerken] Theorieën

Religietheorieën kunnen onderscheiden worden in enerzijds substantieve theorieën (die de nadruk leggen op wat religie is) en anderzijds functionele theorieën en reductionistische theorieën (die de nadruk leggen op wat religie doet). Invloedrijke substantieve theorieën zijn voorgesteld door Edward Burnett Tylor en James George Frazer (die de nadruk legden op de verklaringskracht van religies voor de gelovigen), door Rudolf Otto (die de nadruk legde op religieuze ervaring, preciezer geformuleerd op ervaringen die zowel fascinerend als verbijsterend zijn), Mircea Eliade (die de nadruk legt op het hunkeren naar perfectie die niet van deze wereld is, de zoektocht naar zin en betekenis en het zoeken naar patronen in de mythologie van verschillende religies)

Invloedrijke functionele theorieën zijn ontwikkeld door Karl Marx (die de nadruk legde op de economische achtergrond), Sigmund Freud (die de nadruk legde op de psychologische oorsprong van godsdienstige overtuigingen) en Émile Durkheim (die de nadruk legde op de sociale functie van religies).

Max Weber heeft niet zozeer een algemene religietheorie voorgesteld, maar hij beschreef de interactie tussen de samenleving en religie. Hij introduceerde ook een aantal belangrijke begrippen in de godsdienstsociologie.

In tegenstelling tot eerdere theoretici maakten de antropologen Edward Evan Evans-Pritchard en Clifford Geertz gedetailleerde etnografische studies van “primitieve religies” en kwamen tot de conclusie dat oudere theorieën op hun best eenzijdig waren. Geertz ontkende dat het ooit mogelijk zou zijn om tot een algemene religietheorie te komen.

De rationele keuzetheorie is toegepast op godsdiensten door onder andere de sociologen Rodney Stark en William Sims Bainbridge. Zij betoogden dat religie in staat is te functioneren als compensator voor niet verkregen beloningen en herleiden religie alzo tot psychologische mechanismen.

[bewerken] Kritische overwegingen

[bewerken] Positief

Religie wordt verdedigd vanwege onder andere:

  • Verklaren van de natuurlijke wereld: Religies beweren te kunnen verklaren hoe het heelal, de Aarde en het leven zijn ontstaan en hoe ze werken, en zo de menselijke nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.
  • Stellen van ethische regels: Volgens aanhangers van verschillende religies is de religie essentieel voor het ontstaan en behoud van een gemeenschappelijk ethisch kader. Zij stellen, dat de invloed van de religieuze traditie op het ethisch gedrag van individuen substantieel is.[3] In het boeddhisme bestaan er de vijf voorschriften, welke de basisethiek vormen voor een boeddhist. Zowel het Jodendom als het christendom kennen de tien geboden, en de islam de sharia.
  • Bevorderen sociale vooruitgang: Religieuze groeperingen beroepen zich erop, dat zij geholpen hebben bij of initiant waren van sociale veranderingen. Een voorbeeld is de Evangelische Kirche in Duitsland die zowel bij het verzet tegen de Nazis als bij het einde van de DDR een wezenlijke rol gepeeld heeft. In hoeverre het religieuze karakter van de kerk als maatschappelijke groepering hierin een rol gespeeld heeft, is onduidelijk.[4]
  • Christensocialisme: Ook zien sommige christenen een verband tussen het socialisme en de christelijke traditie, het christensocialisme geeft hier uitdrukking aan. Christensocialisten uit het begin van de 20e eeuw waren de Eindhovense arbeider Hendrik Rooijmans en diens plaatsgenoot de fabrikant Eduard Redelé.[5] De bekendste Nederlandse christensocialist was ds. Willem Banning, een prominent lid van de SDAP en later van de PvdA. Een andere bekende christensocialist was Henriette Roland Holst.[bron?]

[bewerken] Negatief

Religie wordt met name bekritiseerd vanwege:

  • Het gebrek aan bewijs voor haar soms onwaarschijnlijke overtuigingen. Zie bijvoorbeeld argumenten tegen het bestaan van God.
    • Aanwijsbare fouten in heilige geschriften: De heilige geschriften van sommige godsdiensten bevatten bewijsbaar onware beweringen.[6]
    • Tegenstrijdigheden: Daarnaast wijzen bijvoorbeeld atheïsten op interne inconsistenties, al dan niet in heilige geschriften, en op de veelheid van soms tegenstrijdige stellingen tussen religies onderling, wat kan leiden tot intolerantie ten aanzien van afwijkende meningen (zie intolerantie).
    • Verklaren van de natuurlijke wereld: De wetenschap, vooral de natuurwetenschap, heeft in toenemende mate allerlei religieuze opvattingen over het ontstaan, de werking en ontwikkeling van het heelal, de Aarde en het leven ontkracht en verklaard hoe ze daadwerkelijk zaten, al blijven er nog veel vragen.
    • Openbaring: Verder is er kritiek op het concept van openbaring waarbij de waarheid afhangt van de betrouwbaarheid van één persoon die wellicht een charlatan is, of geestesziek, of drugs heeft gebruikt of iets dergelijks.[7] In tegenstelling tot wat sommige gelovigen over zichzelf en hun geloof beweren, gaat het, volgens critici, niet om het zoeken naar waarheid, maar het vasthouden aan overtuigingen die zin geven aan leven van gelovigen en hen daarmee voorzien in hun geestelijke en sociale behoeftebevrediging.
    • Emotioneel boven rationeel: Sommige stromingen of sekten worden bekritiseerd vanwege hun nadruk op het emotionele in plaats van het intellectuele. Een voorbeeld daarvan binnen het Christendom is de Pinksterbeweging en de Charismatische beweging
  • Remmen sociale vooruitgang: De dialectisch materialistische filosoof Karl Marx, geïnspireerd door Feuerbach, stelde dat "godsdienst de opium van het volk is", waarmee hij bedoelde dat geloven er toe kan leiden dat mensen door godsdienst passief blijven en zich niet voor maatschappelijke verandering inzetten [8]. Dit kan ook positief uitpakken zoals in de Zuid-Amerikaanse kerk in de tweede helft van de 20e eeuw waar de bevrijdingstheologie de motor werd voor sociale verandering[bron?].
    • Remmen wetenschappelijke vooruitgang: De negatieve invloed van vele godsdiensten op innovatie in de wetenschap. Het Christendom bijvoorbeeld heeft meermaals wetenschappers belet om nieuwe ontdekkingen te publiceren. Onder andere Galileo Galilei en Johannes Keppler hebben ondanks hun wetenschappelijk gelijk veel weerstand ondervonden.
    • Remmen ethische vooruitgang: Ook worden de historisch gegroeide, maar als willekeurig en beperkend ervaren gedragsregels, bijvoorbeeld met betrekking tot onthouding van voeding en seks, bekritiseerd.
    • Remmen vrouwenemancipatie: Bijna altijd worden vrouwen als minder belangrijk beschouwd dan mannen. Niet alleen in de drie grote monotheïstische religies is dat zo maar ook in bv het Hindoeïsme is dit het geval. Dit feit geeft conservatieven en fundamentalisten dus de "door God zelf bevolen wet" om vrouwen in engere zin 'voor eeuwig' onder de duim te laten houden door hun mannelijke familieleden en in breder verband in een ondergeschikte positie in de maatschappij te houden.
    • Remmen homo-emancipatie: Ook neemt men aanstoot aan de veroordeling van homoseksualiteit door verschillende religies. Zie christendom en homoseksualiteit en Islam en homoseksualiteit.
  • Intolerantie: Sommigen staan kritisch tegenover het geloof omdat deze een bron was en is van intolerantie ten opzichte van 'ongelovigen' en 'afvalligen'. Sinds het begin van de 21e eeuw is er in West-Europa wegens deze punten veel kritiek op de Islam te horen.
    • Kritiekgevoeligheid: Daarnaast wijzen sommige critici op de lichtgeraaktheid en intolerantie van sommige gelovigen met betrekking tot kritiek over en satire van hun religie en verwijten hen fundamentalisme. Zie bv. de wereldwijde cartoonrellen in 2005 die uitbraken onder moslims toen Mohammed gepersifleerd werd in Denemarken.
    • Oorzaak van geweld: Twisten en oorlogen tussen religies onderling maar ook nauw verwante richtingen van dezelfde religie bestrijden elkaar vaak te vuur en te zwaard.
  • Verzuiling: In de 19e en 20ste eeuw zette religie aan tot verzuiling van de maatschappelijke geledingen. In de jaren zeventig en tachtig van de 20ste eeuw werden sekten als schadelijk en gevaarlijk afgeschilderd.
  • Gezagsprobleem: Verder wordt de grote invloed die gezagsdragers van godsdiensten op hun gelovigen hebben, bekritiseerd omdat deze gezagdragers, volgens henzelf en hun volgelingen, geen verantwoording schuldig zijn aan enige andere wereldse autoriteit. Voorbeelden zijn in de middeleeuwen de investituurstrijd tussen de Paus en de Rooms-Duitse keizers. Heden verscheidene religieuze sekteleiders en ook islamitisch fundamentalistische extremisten die de Shariawetgeving boven de overheid en de rechtspraak in westerse landen stellen.

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • Max Charlesworth, Religious experience, Deakin University (Melbourne, 1988), ISBN 0-7300-0528-3.
  • Moore, B. and Habel, N., On religion related to education, (Adelaide: SACAE, 1982).
  • Robinson, Richard H., Johnson, Willard L. en Bhikkhu, Thanissaro, Buddhist Religions: A Historical Introduction.
  • (en) Aanhangers van een wereldreligie
  1. Bij de onderstaande aantallen zijn minderjarigen meegeteld als behorende tot de geloofsrichting van hun ouders
  2. Encyclopaedia Britannica 2008
  3. De vraag is, of niet elke gemeenschap ethische kaders heeft en of die noodzakelijkerwijs door religie geleverd moeten moeten. Dawkins redeneert, dat religie zulke bestaande regels "kaapt" voor haar eigen doelen
  4. Viel de Muur wel dankzij de kerk? Trouw, 9 november 2009.
  5. Eduard Charles Philippus Redelé. Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland
  6. Veel voorbeelden in Maarten 't Hart, Wie God verlaat heeft niets te vrezen. De Schrift betwist, Amsterdam (De Arbeiderspers) 1997
  7. Zie o.a Sipke van der Land, Wat bezielt ze..., Kampen z.j.(1977)
  8. Dick Pels, Opium van het volk, Amsterdam (Bezige Bij) 2008
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Religieus woordenboek.
Wikiquote Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Religie.
Vista-kmixdocked.png
Door op de afspeelknop te klikken kunt u dit artikel beluisteren. Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is. Zie verder info over deze opname, bekijk de oorspronkelijke versie of download de opname direct (meer info over gesproken Wikipedia)

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen