Rembert Dodoens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rembert Dodoens

Rembert Dodoens, beter bekend onder zijn gelatiniseerde naam Rembertus Dodonaeus (Mechelen, 29 juni 1517 of 1518Leiden, 10 maart 1585) was een plantkundige en arts uit de Zuidelijke Nederlanden.

In 1541 werd hij stadsgeneesheer te Mechelen, daarna was hij van 1575 tot 1578 de keizerlijke lijfarts te Wenen. In 1582 werd hem een leerstoel aangeboden aan de Universiteit Leiden, waarop hij naar Holland vertrok. Hij werd er hoogleraar in de geneeskunde. Na zijn dood op 10 maart 1585 is hij in de Pieterskerk te Leiden begraven, waar nog een gedenkteken aan hem herinnert.

Afkomst[bewerken]

De familie Dodoens was oorspronkelijk afkomstig uit Friesland. Daar bekleedden ze vooraanstaande functies in de politiek en de rechtspraak. Zijn vader, Denys Dodoens, kwam naar Leuven om geneeskunde te studeren. Na zijn studie werd hij stadsgeneesheer in Mechelen. Hij bouwde in Mechelen een zeer goed netwerk op, zodat hij zelfs Margareta van Oostenrijk mocht verzorgen op haar sterfbed. De moeder van Rembert Dodoens, Ursule Roelants, is waarschijnlijk familie van verschillende stadsgeneesheren uit Mechelen. Dodoens was dus afkomstig uit een gegoede familie die medische interesse stimuleerde.

Levensloop[bewerken]

Dodoens studeerde te Leuven geneeskunde, kosmografie en aardrijkskunde, en Latijn en Grieks aan het Collegium Trilingue.

Rembert Dodoens doorliep zijn studiecyclus in een tijd dat het onderwijs een complete vernieuwing onderging. Hij behaalde al op zijn 18de zijn licentiaat in de geneeskunde. In dezelfde periode dat hij geneeskunde studeerde, volgde hij eveneens kosmografie bij Gemma Frisius en vervolledigde hij zijn kennis van het Latijn, Grieks en Hebreeuws aan het Collegium Trilingue. Tijdens zijn studie geneeskunde werd de medische faculteit beheerst door twee tegenstrijdige strekkingen over wetenschap:

  1. de stroming die gebaseerd was op objectieve waarnemingen en experimenten. Deze stroming verwierp elke vorm van tekstanalyse uit de klassieke oudheid en uit de islamitische bronnen;
  2. de stroming die uitsluitend de Arabische geneeskunde van Avicenna wilde aannemen en de Grieks-Romeinse geneeskunde verwierp.

De eerste stroming volgde uit de invloed die het Collegium Trilingue o.a. op de medische faculteit had. Deze vorm van onderwijs was exclusief gebaseerd op objectieve taalanalyse van de beste schrijvers, zonder rekening te houden met de traditionele vertaling van de teksten. Toegepast op de medische faculteit maakte dit, dat men opnieuw moest beginnen met experimenteren. In de medische faculteit werd deze stroming vooral door Thriverius bepleit. Dodoens heeft deze positieve aanpak van het Collegium Trilingue toegepast op al zijn werkterreinen. Dit blijkt uit zijn botanische en medische publicaties en uit het feit dat hij zijn patiënten zeer nauwgezet volgde.

Het begin van zijn wetenschappelijke carrière[bewerken]

Hoewel we Dodoens vooral kennen als botanicus en geneesheer, besteedde hij de eerste jaren na zijn studies aan kosmografie. Hij publiceerde het boek Cosmographia in astronomiam et geographiam isagoge. Het werk was bedoeld om mensen die de mogelijkheid niet hadden om door zelfstudie kennis te vergaren, de mogelijkheid te bieden om de eenvoudige principes van kosmologie onder de knie te krijgen. In dit werk vermeldt hij meerdere keren het werk van Nicolaas Copernicus, de renaissancevader van het heliocentrisme. Dodoens was zeer geïnteresseerd in Copernicus' waarnemingen en berekeningen, maar nam zelf nog geen standpunt in in de discussie rond geo- of heliocentrisme. Hij publiceerde in 1584 De sphaera als verbeterde versie van zijn Cosmographia isagoge in Leiden.

De geneesheer Dodoens[bewerken]

In 1541 begon zijn medische carrière als stadsgeneesheer in Mechelen; hij bekleedde dat ambt 33 jaar. Rond 1557 werd hem een leerstoel aangeboden in Leuven om geneeskunde te doceren. Hij ging er echter niet op in door een conflict over zijn loon. Een paar maanden later werd hem ook het ambt van lijfarts van Filips II aangeboden, maar door lobbying van de hertog van Alva, die de invloed uit de Nederlanden aan het hof wilde inperken, werd Dodoens niet de opvolger van Vesalius. Hij ging wel in op het aanbod om aan het Weense hof de lijfarts van keizer Maximiliaan II te worden. In deze paar jaar legde hij contacten met andere Europese botanici. Ten slotte ging hij in Leiden op 65-jarige leeftijd colleges geven over inwendige ziekten. Hij doceerde daarover tot zijn dood op 10 maart 1585.

Zijn geneeskundige werken[bewerken]

Zijn eerste geneeskundige werk was Het Koortsenboek of Pauli aegineti de febribus et iis quae febribus superveniunt, liber unus uit 1546. Hij publiceerde hierin enkele correcties en aanvullingen die hij had aangebracht in de vertaling van Joannes Guinterius, die een medische encyclopedie van Paulus van Aegina, een Byzantijnse arts uit de 7de eeuw, uit het Grieks vertaald had naar het Latijn. Dodoens vergeleek die vertaling met de oorspronkelijke tekst en kon zo enkele verbeteringen aanbrengen. Ook schreef hij samen met enkele leerlingen een bondig boek over de menselijke anatomie, Physiologicae medicinae partis tabulae expeditae (1550). Op het einde van zijn leven schreef hij ook nog Medicinalium obervatorionum exempla rara, een werk over speciale en zeldzame ziekten die hij in zijn medische carrière had gezien. Dit werk werd in 1580 uitgegeven bij Christoffel Plantijn te Leiden.

Het standbeeld van Dodoens in de Mechelse Kruidentuin.

De botanicus Dodoens[bewerken]

Dodoens was erg geïnteresseerd in plantkunde als ondersteuning van zijn praktijk als geneesheer. Hij greep dan ook de kans om De historia stirpium commentarii insignes van Leonhart Fuchs te vertalen in het Nederlands. Die vertaling, Den nieuwen herbarius, dat is dboeck van den cruyden, verscheen in 1543, een jaar nadat de originele versie was uitgekomen. De vertaling verscheen echter onder de naam van Leonhart Fuchs, maar het is door de volgende elementen duidelijk dat Dodoens de vertaler was.

  1. Voor veel planten worden in de Nederlandse vertaling vindplaatsen aangegeven uit Mechelen, hoewel die niet in de oorspronkelijke teksten vermeld staan.
  2. De terminologie in de vertaling is bijna identiek aan die in Dodoens' Cruydeboeck.

Hierna wordt hij door Jan van der Loe, een Antwerpse drukker, gecontacteerd om een plantenatlas op te stellen. Hij publiceerde bij hem het Cruydeboeck in 1554.

Terwijl hij aan het hof was, reisde hij veel mee met het gevolg van keizer Maximiliaan II, zodat hij veel nieuwe planten ontdekte en kon beschrijven uit Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. Na afloop ging hij naar Antwerpen waar hij zijn meesterwerk liet drukken bij Christoffel Plantijn in 1583, namelijk Stirpium historia pemptades sex.

De vernieuwingen van Dodoens[bewerken]

De eerste belangrijke inbreng van Dodoens voor de botanica was, dat hij zelf planten ging zoeken en beschrijven. Hieruit volgt een enorme toename van het aantal beschreven soorten. Hij heeft ongeveer 1340 soorten zelf beschreven, waarvan er een 600-tal totaal nieuw was. Bij het totaalaantal beschreven soorten moet wel een kleine opmerking worden geplaatst. Histoire des plantes uit 1557 is de vertaalde versie van Dodoens' Cruydeboeck uit 1554. Het werd vertaald door Carolus Clusius (Charles l'Ecluse), die zelf ook een groot botanicus was. In deze versie is het de vraag in hoeverre de nieuw beschreven planten door Dodoens zijn beschreven of door Clusius. Het laatste hoofdstuk van het boek, La description d'aucunes gommes et liqueurs, provenant tant des arbres, que des herbes, is zeker in zijn geheel afkomstig van Clusius. Het gaat over een dertigtal planten en hun etherische oliën. Dan zijn er nog de overige 200 nieuwe soorten die in het boek vermeld staan, waarover men kan discussiëren wie hen heeft ontdekt. Men heeft hiervoor de vindplaatsen van de vermelde planten nagetrokken, maar dit levert voor geen van beide een overtuigend pro-argument op.

De tweede innovatie is dat hij de kloosterlingen, die beweerden dat een geneeskrachtige plant een “teken” had waaruit de werking van de plant kon worden afgeleid, niet volgde. Hij probeerde nieuwe medicijnen altijd grondig uit en bleef de patiënten lang volgen om zo de werking van een geneesmiddel te onderzoeken.

De derde belangrijke ontwikkeling bij Dodoens was dat hij een fundamentele vernieuwing invoerde in de classificatie van de planten. In zijn Cruydeboeck van 1554 breekt hij resoluut met de traditie door de planten niet meer alfabetisch te rangschikken, maar volgens hun fysiologische kenmerken. Dit was van enorm belang voor de biologie. Op die manier stelde hij een systematisch kader op waarin de planten geplaatst konden worden. Deze eerste poging was verre van volmaakt, maar 29 jaar later deelde hij in zijn Stirpium historiae pemptades sex de planten in 26 groepen in. Deze werden nog eens in 6 pemptaden gegroepeerd. Veel plantensoorten werden toen al samengeplaatst in hun huidige geslacht en familie. Hij steunde in zijn systeem vooral op vegetatieve kenmerken van planten: bladeren, stengel en kroonbladeren. Om al deze nieuwe kenmerken weer te geven was het cruciaal voor hem dat zijn herbaria degelijk geïllustreerd waren; hij liet ze illustreren door de voortreffelijke Mechelse tekenaar Pieter Van der Borcht. Zijn voornaamste fouten in de classificatie waren dat hij de klassieke indeling van planten in kruiden, heesters, halfhoutige en houtige planten nog behield en dat hij vaak planten mannelijk of vrouwelijk noemde, terwijl het twee verwante soorten met verschillende afmetingen betrof. Hij had ook nog geen idee van de seksuele functie van een bloem. Wel had Dodoens al vastgesteld dat een vrucht uit een stamper ontstaat, maar de functie van de meeldraden was volgens hem niets meer dan het beschermen van de stamper.

De invloed van zijn oeuvre[bewerken]

Dodoens moest als stadsgeneesheer de apothekers controleren en kwam veel met hen in contact door zijn artsenpraktijk. Zoals alle takken van de wetenschap stond de farmacie in de tijd van Dodoens nog in haar kinderschoenen. De apothekers gebruikten veel stoffen en kruiden naar de Grieks-Romeinse traditie om te genezen. Hierdoor moesten de meeste ingrediënten uit het Middellandse-Zeegebied en het Oosten komen. Maar door de beperkte transportmogelijkheden en de kostprijs kwamen de apothekers vaak niet aan hun producten. Dit had als gevolg, dat veel apothekers bepaalde stoffen door “gelijkaardige” gingen vervangen, zodat het weinige effect dat het geneesmiddel mogelijk gehad zou hebben, helemaal afwezig was. Dodoens schreef veel van zijn werken in de Nederlandse volkstaal, zodat de doorsnee-apotheker het kon begrijpen. Hij ging ook diep in op de eisen qua herkomst, oogst, bewaring, geur, smaak en kleur van de kruiden, zodat apothekers sneller valse producten konden onderscheiden van de echte, maar ook de echt giftige kruiden konden herkennen. De farmaceutica had op die manier het snelste baat bij zijn werk. Zijn classificatiesysteem had ook een grote invloed op de botanici na hem; het was een van de systemen die Linnaeus gebruikte om zijn definitieve taxonomische model op te stellen. Zijn werken werden ook in de meeste Europese talen vertaald en zelfs in het Japans. Zo beïnvloedden ze de verdere beschrijving en indeling van de planten uit de koloniën van de Europese landen.

Werk[bewerken]

In 1554 verscheen in het Nederlands zijn Cruydeboeck, met 715 afbeeldingen, waarin hij de planten in zes groepen verdeelde. De geneeskruiden worden er (als derde groep) uitvoerig in beschreven, waardoor het werk lange tijd als een farmacopee is beschouwd. Het boek werd herhaaldelijk opnieuw uitgegeven, in steeds uitgebreidere vorm, het laatst in 1644. Een Franse vertaling door Carolus Clusius verscheen reeds in 1557. Een Latijnse bewerking verscheen in 1583 bij Plantijn.

Dodoens schreef verder enige werken over kosmografie en geneeskunde (in het Latijn), waaronder:

Titelpagina van het Cruydt-Boeck
  • Cosmographica in astronomiam et geographiam isagoge (1548);
  • De frugum historia (1552);
  • Trium priorum de stirpium historia commentariorum imagines (1553);
  • Posteriorum trium de stirpium historia commentariorum imagines (1554);
  • Cruydeboeck (1554) (Dit was het tweede boek gedrukt door Plantijn);
  • Physiologices medicinae tabulae (1580);
  • Medicinalium observationum exempla rara (1581);
  • Stirpium historiae pemptades sex (1583);
  • Praxis medica (1616) (postuum verschenen);
  • Ars medica, ofte ghenees-kunst (1624) (postuum verschenen).

Eerbewijzen[bewerken]

Externe links[bewerken]