René Descartes
René Descartes of gelatiniseerd Renatus Cartesius (La Haye en Touraine, 31 maart 1596 – Stockholm, 11 februari 1650) was een Franse natuurfilosoof en wiskundige wiens benadering van het probleem van de kennis en de aard van de menselijke geest een belangrijke rol speelden in de ontwikkeling van de filosofie. Hij is met name bekend om zijn uitspraak Je pense donc je suis en wordt algemeen beschouwd als de vader van de moderne filosofie [1]. Hij was de eerste die de filosofie van Aristoteles niet alleen verwierp, maar ook verving door een eigen filosofisch systeem. Daarmee legde hij de basis voor de 17e-eeuwse stroming van het rationalisme. Descartes was sterk beïnvloed door de vooruitgang in de natuur- en sterrenkunde en een van de centrale figuren van de wetenschappelijke revolutie. Hij gaf voor het eerst een idee wat de natuurwetenschap in de toekomst zou bieden.
Descartes woonde en werkte 20 jaar in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar hij zijn belangrijkste publicaties schreef.[2][3] In de wiskunde legde hij de basis voor de analytische meetkunde en leverde bijdragen aan de natuurkunde en fysiologie, maar zijn Verhandeling over de methode (1637) behoort tot zijn invloedrijkste werk. Iedere (Amerikaanse) student filosofie maakt kennis met zijn Meditaties over de eerste filosofie (1641), waarin hij het bestaan van God en het onderscheid tussen de menselijke ziel en het lichaam wordt aangetoond.[4]
Descartes' methode van en visie op onderzoek werd populair in heel Europa. Zijn werk werd gepropageerd door Baruch Spinoza, Nicolas Malebranche en Gottfried Leibniz. Er vonden heftige discussies plaats tussen voor- en tegenstanders en in veel gevallen werd het refereren aan het werk Descartes verboden. Volgens de tegenstanders zou het toepassen van het dualisme van Descartes leidden tot atheïsme. Benoemingen aan de universiteiten waren afhankelijk van het al of niet Cartesiaan zijn. Rond 1700 was de aandacht voor de Cartesiaanse filosofie voorbij en verschoven naar modernere filosofische systemen van Locke, Leibniz en Newton.
Inhoud |
[bewerken] Biografie
[bewerken] Jeugd
Descartes werd geboren in La Haye en Touraine (nu Descartes) in Indre-et-Loire toen er een pestepidemie heerste. Hij was het derde kind van Joachim Descartes (1563 – 1640) en Jeanne Brochard (? – 1597). Dertien maanden na zijn geboorte stierf zijn moeder, de dochter van een burgemeester van Nantes.[5] Descartes werd ondergebracht bij een voedster. Zijn vader was advocaat in Rennes en raadsheer in het Parlement van Bretagne en Descartes is opgevoed bij zijn grootmoeder. Toen hij 8 jaar oud was, werd hij naar het Jezuïetencollege van La Flèche gestuurd. Hij verbleef daar van 1606 tot 1614 en kreeg les in klassieke talen, wiskunde en Aristoteliaanse filosofie, maar was ontevreden over het leerplan. Descartes was een knappe leerling en overtuigde zijn leraren ervan het best te kunnen leren wanneer hij in bed lag. Dit tot de middag in bed liggen heeft hij zijn verdere leven volgehouden. In december 1616 studeerde hij af aan La Flèche. Daarna begon hij een studie rechten aan de universiteit van Poitiers, zoals zijn vader had gewenst. Vervolgens woonde Descartes in Saint-Germain-en-Laye bij Parijs, waar hij teruggetrokken leefde en mogelijk leed aan zenuwaanvallen. Hij overwoog een functie in het openbaar bestuur, maar ging flierefluiten en reizen.
[bewerken] Descartes als militair en als reiziger
In 1618 vertrok hij naar Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar hij zich als vrijwilliger aansloot bij het Staatse leger van Prins Maurits bij Breda. De achtergrond van zijn besluit naar die stad te gaan is niet duidelijk. Een mogelijke reden zou kunnen zijn dat Descartes werd gefascineerd door toegepaste wiskunde, zoals van de vestingbouw, en door Simon Stevin was ontwikkeld. Descartes raakte op 10 november 1618 bevriend met Isaac Beeckman, een Nederlandse arts, filosoof en wiskundige, die zich opstelde als een oudere broer. Tot 1619 werkten ze samen aan muziek, vrije val, de kettinglijn als kegelsnede en de hydrostatische paradox.
Na het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog werd Descartes officier in het leger van de katholieke Maximiliaan I van Beieren, dat vocht in Bohemen. Of Descartes deel nam aan de Slag op de Witte Berg en de verovering van Praag is niet bekend. Hij was geen echte militair: zijn belangrijkste reden om aan de oorlog deel te nemen was om de wereld en de mensen beter te leren kennen. Descartes bracht een bezoek aan de laboratoria van Tycho Brahe in Praag en dat van zijn opvolger Johannes Keppler (in Regensburg).
In de nacht van 10 november 1619, beter bekend als Sint-Maarten, kreeg hij te Neuburg an der Donau een drietal visioenen. Naar zijn eigen zeggen had hij drie maanden niets gedronken, maar heeft hij toen de grondslagen van een "wonderbaarlijke" wetenschap ontdekt. In zijn derde droom zag hij een woordenboek en een gedicht. De eerste regel luidde "Quod vitae sectabor iter!" (Wat voor levensweg zal ik gaan leiden?) en zocht een verklaring. Hij meende dat het stond voor een combinatie van filosofie en wijsheid. In zijn ogen was het niet verbazingwekkend dat het werk van dichters, zelfs als ze niets dan onnozele versjes schrijven, rijk is aan uitspraken die belangrijker, zinniger en beter geformuleerd zijn dan wat in de geschriften van filosofen kan worden aangetroffen.[6] Niet lang daarna nam hij ontslag bij het leger en maakte een pelgrimsreis naar Basiliek van het Heilig Huis in Loreto, om de heilige maagd te danken voor het verkregen inzicht.
Rond 1625 kwam hij in contact met pater Marin Mersenne, een wiskundige, die hem beloofde zijn manuscript Traité du Monde als het af was te publiceren. Descartes verwerkte daarin zijn ideeën, die het systeem van Aristoteles konden vervangen, over de aard van het licht, een theorie van de kleuren, muziek, de elementaire deeltjes van de materie het ontstaan van de sterren, de banen van planeten en kometen, zwaartekracht, eb en vloed.[7] Ook Kardinaal de Berulle moedigde hem aan zijn theorieën verder uit te werken. Ondertussen ontwikkelde Descartes zijn ideeën in de raadselachtige, topzware en onvoltooide Regulae ad directionem ingenii (Regels om richting te geven aan het verstand) waarin hij de analytische meetkunde en de samenhang tussen de verschillende wetenschappen belicht. Descartes vond dat men zich in de eerste plaats moest beperken tot onderwerpen waarover zekere en onbetwijfelbare kennis mogelijk is.[8] Vanwege de vele passages over natuurfilosofie, kennisleer en metafysica vormen de Regulae een goudmijn van filosofische inzichten die in Descartes' latere filosofie - vaak in aangepaste vorm - zouden terugkeren.[9] Kritiek op zijn werk richt zich voornamelijk op zijn metafysica.[10]
[bewerken] Descartes in Nederland 1628-1649
In oktober 1628 spoedde Descartes zich naar Middelburg, waar ooit zijn vriend Beeckman woonde, die inmiddels was verhuisd naar Dordrecht. Descartes ontboezemde niemand te hebben ontmoet waarmee hij echt kon discussiëren. In april 1629 schreef hij zich in aan de Universiteit van Franeker en werd enkele maanden lang student van Adriaan Metius.[12] De reden die Descartes opgaf voor zijn keus voor Nederland was dat het klimaat er beter om te denken was, waarbij hij doelde op de vrede, terwijl elders de Dertigjarige Oorlog woedde. Descartes was inmiddels steeds meer geïnteresseerd geraakt in toegepaste kennis als optica en anatomie. Tijdens zijn verblijf in het hoge Noorden woonde hij in afzondering op het Sjaerdemaslot en nodigde tevergeefs een Franse kok en instrumentmaker of lenzenslijper uit om hem te assisteren. Eind juni 1630 schreef hij zich in aan de Universiteit Leiden en werd student bij Jacobus Golius. In oktober 1630 brak hij met Isaac Beeckman, die hij ten onrechte beschuldigde van plagiaat.[13] Hij ontmoette Hendricus Reneri via Beeckman en trok bij hem in in Deventer. Descartes correspondeerde met Maarten van den Hove, Vopiscus Fortunatus Plempius en Frans van Schooten, een tegenstander uit Groningen; met Jan Stampioen had hij een aanvaring. Toen hij van de veroordeling van Galileo Galilei in 1633 vernam, hield hij de publicatie van zijn Traité du Monde tegen.[14]
Tot 1634 woonde Descartes in de Kalverstraat, vervolgens op de Westermarkt 6, samen met Reneri.[15] Hij kwam in contact met de diplomaat en dichter Constantijn Huygens. Op 15 oktober 1634 had hij zijn enige liefdesaffaire met het dienstmeisje Helène Jans van der Strom.[16] In de zomer van het jaar 1635 gaf Descartes les in filosofie aan de Universiteit van Utrecht. In Henricus Regius vond hij zijn voornaamste medestander. In 1636 zou hij een jaar lang in Leeuwarden gewoond hebben.[17] Zijn ook voor vrouwen bestemde Discours de la méthode zou in 1637 anoniem verschijnen. Het boek, een autobiografisch document, was zijn eerste echte publicatie en behoort tot zijn invloedrijkste werk; het spoort de lezer aan om in plaats van boeken, op overlevering of traditie enkel te vertrouwen op denkstappen van het eigen verstand. In het bijgevoegde essay Dioptriek, behandelde hij de brekingswet en was bedoeld voor lenzenslijpers. In de Meteoren gaf hij een nieuwe visie op de aardse atmosfeer. Over verschijnselen als kometen, bijzonnen en de regenboog werd destijds heftig gediscussieerd. In Geometrie behandelde hij een nieuw vakgebied, de analytische meetkunde. Daarin verwierp hij de in die tijd nog altijd gangbare filosofie van Aristoteles en de scholastiek. Descartes poneerde dat alle echte kennis op de wiskunde moet worden gebaseerd. Bovendien paste hij consequent de algebra toe op meetkundige vraagstukken. Descartes was de eerste die deze aanpak hanteerde en legde hiermee de basis van de moderne wis- en natuurkunde.
In 1639 kreeg hij het aan de stok met Gisbertus Voetius, een calvinistische hoogleraar theologie die in een aantal lezingen over atheïsme, Descartes als voorbeeld opvoerde. In 1640 verbleef hij in Leiden in het pand Rapenburg 21. In dat jaar overleed zijn vader en Descartes erfde zijn bezittingen. In 1641 publiceerde hij één van zijn hoofdwerken, Meditationes de prima philosophia. Daarin levert hij onder meer zijn Godsbewijzen en vecht hij op basis van zijn definitie van materie de transsubstantiatie aan.[18] In 1642 had hij in Oegstgeest het Kasteel Endegeest gehuurd en kreeg bezoek van Comenius, een tegenstander, want die was een holist. Op 17 maart 1642 sprak de Utrechtse vroedschap een ban uit over zijn werk na een hooglopend conflict tussen de conservatieve volgelingen van rector Voetius en een aantal meer vooruitstrevende hoogleraren, met name medici, zoals Regius, die de nieuwe leer aanhingen.[19]
In 1643 maakte Descartes via Alphonse Pollot kennis met de intelligente Elisabeth van de Palts, de dochter van de winterkoningin en raakte bevriend. Hij werkte aan een boek over de ontwikkeling van dieren, van foetus tot volwassen organisme. In 1646 raakte Descartes in conflict over Regius' boek Fundamenta physices en wenste het land te verlaten. De curatoren van de Leidse universiteit legde de beide partijen het zwijgen op. In de zomer van 1648 verbleef hij in Parijs. Toen de Fronde uitbrak, ging hij terug naar Egmond. In 1647 had hij Les passions de l’âme (De hartstochten van ziel) voor zijn vriendin Elisabeth geschreven. Ze correspondeerden over een boek van Seneca. Ook Christina van Zweden kreeg via haar lijfarts brieven te zien die Descartes aan de Franse ambassadeur Pierre Chanut had toegestuurd.[20] Christina, die tot over haar oren betrokken was bij de onderhandelingen over de Vrede van Westfalen, maar daarnaast vooral geïnteresseerd was in haar collectie manuscripten en oude boeken liet lange tijd niets van zich horen. In de zomer van 1648 verzocht zij Descartes naar Stockholm te komen om haar persoonlijk uitleg te geven over zijn ideeën met betrekking tot de liefde.[21]
[bewerken] Overlijden in Zweden
In de herfst 1649 kwam Descartes vanuit Egmond-Binnen naar Stockholm. Christina zou een oorlogsschip hebben gestuurd om hem op te halen.[22] Descartes kreeg het verzoek aan een plan voor een nieuwe universiteit te werken en de tekst bij een ballet te schrijven. Hij hoefde zich niet met het hofleven te bemoeien, maar moest tot 18 december wachten voordat hij en voor dag en dauw met zijn lessen kon beginnen.[23] Al die tijd logeerde hij bij de Franse ambassadeur. Descartes ging gewoonlijk sober gekleed maar had zich voor deze gelegenheid speciaal opgedoft, droeg hand- en puntschoenen. Christina en René konden niet goed met elkaar overweg. Descartes kon weinig waardering opbrengen voor haar belangstelling voor het Oud-Grieks en Christina had weinig op met zijn mechanische wereldbeeld. Hij voelde zich tamelijk ongelukkig toen Christina begin januari ook nog voor drie weken naar Uppsala vertrok.
Volgens de officiële versie liep Descartes op 1 februari een longontsteking op waaraan hij tien dagen later overleed, volgens tijdgenoten doordat hij niet gewend was aan het koude klimaat en aan het vroege opstaan waar de koningin hem toe dwong.[24] Descartes weigerde de arts toe te laten en meende als hij moest sterven, dat hij dat met meer gemoedsrust zou doen als hij hem niet meer hoefde te zien. Christina was haar handen in onschuld en benadrukte bij iedereen dat zij urenlang gehuild had toen zij van zijn overlijden vernam. Onlangs is geopperd dat hij zou zijn vergiftigd met arsenicum, omdat Descartes aan de arts om een braakmiddel vroeg.[25]
Descartes stierf in het bijzijn van Chanut en werd in de Adolf Fredriks kyrka of op het bijbehorende kerkhof, bestemd voor weeskinderen begraven. De manuscripten, die hij had meegenomen naar Stockholm, kwamen in handen van een zwager van Chanut, Claude Clerselier, die ze voor uitgave bewerkte.[26] Gottfried Wilhelm Leibniz en Ehrenfried Walther von Tschirnhaus kopieerden bij hem verschillende teksten.[27] In 1663 werd het werk van Descartes door de paus in de ban gedaan; zijn boeken werden op de Index librorum prohibitorum geplaatst. In 1671 verbood ook Lodewijk XIV het onderwijs in het Cartesianisme.
In oktober 1666 was het stoffelijk overschot naar Frankrijk vervoerd. Aanvankelijk werd hij in het klooster, Abbaye Sainte-Geneviève de Paris, of in de bijbehorende Église Saint-Étienne-du-Mont herbegraven, maar zonder zijn schedel en rechterwijsvinger, want die bleken te zijn gestolen [28] of achtergehouden door Magnus Gabriel de la Gardie. Deze scheiding is overigens ironisch in het licht van Descartes’ dualistische stelling dat lichaam en geest twee verschillende substanties zijn. Toen het klooster tijdens de Franse Revolutie werd gesloten, ontstonden er plannen om ook Descartes in het naastgelegen Panthéon bij te zetten. In 1819 tijdens de Restauratie werd de kist herbegraven in de Église Saint-Germain-des-Prés. Op vijf verschillende plaatsen wordt beweerd dat men in het bezit is van zijn schedel, o.a. Musée de l'Homme waar zijn vermeende schedel tussen die van een cro-magnonmens en de schedel van de in 1721 geëxecuteerde moordenaar Cartouche bewaard wordt.[29]
[bewerken] Filosofie
René Descartes is vooral bekend om de cartesiaanse twijfel, een manier om te zoeken naar zekerheid door systematisch aan alles te twijfelen. Door alle uitspraken en vormen van kennis te elimineren waaraan op enige manier getwijfeld kan worden, hoopte Descartes enige onbetwijfelbare zekerheden te vinden.[30] Waar je volgens Descartes niet aan hoeft te twijfelen is dat je armen en benen hebt en een hoofd om mee te denken. Maar ook het eerste deel van die uitspraak is niet altijd waar. Descartes vond: Wat ik denk is in de meeste gevallen niet waar, maar dat ik denk is dat altijd wel.[31] Zo kwam hij tot de conclusie: Ik denk, dus ik ben. Het Cogito was dus de enige uitspraak die de test van de methodische twijfel doorstond.
Descartes wordt vaak genoemd als een aanhanger van de Stoa. Dit op grond van een passage uit zijn Discours de la Méthode [32] waar hij over zijn tijdelijke moraal spreekt. In begin van het Discours evenwel zegt Descartes dat hij de oude levensfilosofie wel mooi vond, maar op drijfzand gebouwd.[33] Maar ook de eerste zin van zijn Traité des passions de l'âme, waar hij zegt dat vrijwel al hetgeen op het gebied der emoties in de oudheid naar voren is gebracht zo mager en onwaarschijnlijk is, dat hij helemaal opnieuw moet beginnen.[34] Men kan stellen dat het individu Descartes een zekere sympathie had voor de stoïsche levensfilosofie, maar de filosoof Descartes stond er afwijzend tegenover.
Ervaringen verzamelen was volgens Descartes onvoldoende, wetenschappelijke kennis bestond volgens hem uit verklaringen van ervaringen. Hij beschouwde de wereld als een machine, maar ook het menselijk lichaam als een mechanisch systeem, waarin waarnemingsimpulsen doorgegeven worden aan de hersenen en legde daarmee de basis voor de neuropsychologie. Hij toonde een onderscheid aan tussen de menselijke ziel en het lichaam en schoof elke verwijzing naar het mentale zo ver mogelijk vooruit. Zijn doel was in eerste instantie een betere gezondheid of geneeskunde te bewerkstelligen. Tien jaar later somde hij drie verschillende doelen op: medicijnen, mechanica en moraal.[35]
In De vergissing van Descartes beargumenteert Antonio Damasio dat emotie en rede niet gescheiden zijn, maar aan elkaar gekoppeld en zelfs afhankelijk van elkaar zijn.
[bewerken] Muziekleer
Descartes schreef in 1619 een inleiding tot de muziekleer op verzoek van Beeckman, waarin hij zegt dat het doel van de muziek is om te bekoren, en om verschillende gemoedstoestanden in ons teweeg te brengen. Het is volgens Rudolf Rasch ook een studie in methode, waarbij niet het behandelde onderwerp centraal staat, maar de manier van behandelen. [36] In 1630 schreef Descartes aan Mersenne dat hij geen kwint van een octaaf kon onderscheiden en in 1639 aan Constantijn Huygens dat hij zich op muzikaal gebied vrijwel doof beschouwde.[37]
[bewerken] Wiskunde
René Descartes heeft op vele manieren belangrijke bijdragen geleverd aan de wiskunde:
- consequente toepassing van algebra op de meetkunde, waaruit later de invoering van het rechthoekige, zogenaamd cartesische assenstelsel volgde. Hierdoor konden meetkundige objecten worden beschreven met getallen en vergelijkingen. De kennis die wiskundigen reeds hadden op het gebied van de algebra kon worden toegepast in de meetkunde. Dit leidde tot het ontstaan van de analytische meetkunde voor ongeveer 1628, maar pas gepubliceerd in 1637 in La Géométrie. Dit is de oudste wiskundetekst die we kunnen lezen zonder notatieproblemen te ontmoeten. Overigens was het niet Descartes' bedoeling om meetkunde tot algebra terug te brengen.
- een wiskundige notatie die vandaag de dag nog wordt gebruikt. Hij suggereerde het gebruik van kleine letters van het einde van het alfabet (zoals x, y, z) voor onbekende hoeveelheden en de beginletters voor bekende hoeveelheden (zoals a, b, c). Daarnaast wierp hij ook het idee op exponenten van een variabele te gebruiken om de macht ervan weer te geven (zoals x²).
- gebruik van getallen en variabelen om de lengtes van lijnstukken weer te geven. Wanneer eenmaal de lengte van een lijnstuk was afgesproken, bijv. x, dan kon men x² en x³ gebruiken om lijnstukken van lengte x² en x³ aan te duiden.
- Ook de bovenstreep achter het wortelteken √, die de betekenis heeft van haakjes, is afkomstig van Descartes.
- Descartes had de gedachte (samen met Thomas Harriot) om een vergelijking te herleiden tot een uitdrukking = 0, die veel eenvoudiger op te lossen was.
- de veelvlakformule die naar Leonhard Euler vernoemd wordt:
- met h, v, en r respectievelijk het aantal hoekpunten, zijvlakken en ribben van een eenvoudig veelvlak, maar de ontdekking hiervan door Descartes is omstreden.
[bewerken] Misverstand
Descartes voerde niet het naar hem genoemde Cartesisch of rechthoekig assenstelsel in[38]. Zijn meetkundeboek La Géométrie gebruikt deze niet. Wel ontstond later onder de invloed van Descartes de analytische meetkunde.
[bewerken] Natuurkunde
- Optica. Descartes vond de brekingswet onafhankelijk van Snellius en Harriot. Deze wet heet in Frankrijk dan ook naar Descartes. Hij ontwierp een machine om lenzen te slijpen. Hij gaf ook een betere verklaring voor de regenboog.
- Mechanica. Hij stelde botsingswetten op.
- Kristallografie. Descartes bestudeerde sneeuwkristallen.
- Werveltheorie.
- Hij kwam met de eerste samenhangende theorie voor de aantrekkingskrachten in het zonnestelsel en voor magnetisme.
- In de natuurkunde gaan de eerste wet van de thermodynamica en de ethertheorie terug naar Descartes.
[bewerken] Fysiologie
Descartes verklaarde onder meer de werking van het oog en reflexen en van het brein. Voor Descartes was zijn fysiologisch model een integraal onderdeel van zijn filosofie. Hij reduceerde het organisme van de mens tot zijn mechaniek en werd daarmee de grondlegger van de Iatrofysica. Uit angst voor de inquisitie, verschenen Traite de l'homme ("Beschouwing over de mens," 1632) niet tijdens zijn leven, en werd niet eerder gepubliceerd dan in 1662 onder de titel De homine. Niet minder dan Nicolas Steno en Franciscus de le Boë Sylvius uitten kritiek op zijn idee, dat tranen door de hersenen werden geproduceerd.[39] Zijn waarnemingen strookten niet met de praktijk. Stensen ging ervan uit dat niet alleen de zintuigen, maar ook het verstand feilbaar was.
Descartes handhaafde ook het idee van William Harvey over de centrale functie van het hart als zetel van warmte. Ook Jan Swammerdam kwam tot de conclusie dat Descartes zijn waarnemingen te weinig getoest had aan de praktijk. Als "Descartes het op het controleerbare terrein al mis had, waarom zou je dan veronderstellen dat [zijn] theorieën over God en de ziel wel juist waren?"[40] Spinoza verklaarde alle niet-rationele argumenten als ongeldig. In Engeland bepleitte Henry Oldenburg een andere aanpak. Het cartesianisme kreeg een sektarisch karakter. Veel van zijn volgelingen waren druk bezig met bewijzen dat hij de waarheid had verkondigd.[41]
Rene Descartes was zeer religieus en zijn onderverdeling van mensen in een mechanisch functionerend organisme en een ziel is waarschijnlijk nog steeds zijn meest bekende en meest bekritiseerde bewering.
[bewerken] Planten en dieren
Descartes had een hond die Monsieur Grat heette en hij hield een eigen groentetuin. In Nederland at hij vegetarisch, al was dit vooral uit gezondheidsoverwegingen en niet zozeer vanuit een ethische overtuiging. Dierenethiekfilosofen zoals Peter Singer, Martha Nussbaum en Tom Regan verzetten zich hevig tegen de cartesiaanse ethiek, die dieren enkel een instrumentalistische rol toeschrijft.
[bewerken] Publicaties
- 1618. Compendium Musicae. Een verhandeling over muziektheorie en -esthetiek opgedragen aan Isaac Beeckman. (Online Univ. Utrecht)
- 1626–1628. Regulae ad directionem ingenii ut et inquisitio veritatis per lumen naturale.(Online Univ. Utrecht, postuum gepubliceerd)
- 1630–1633. Le Monde en L'Homme
- 1637. Discours de la méthode pour bien conduire sa raison et chercher la vérité dans les sciences
- 1637. La Géométrie
- 1641. Meditationes de prima philosophia
- 1644. Principia philosophiae (Online Univ. Utrecht)
- 1647. Notae in programma (tegen Regius' versie van het Cartesianisme.)
- 1647. La description du corps humain
- 1648. Responsiones Renati Des Cartes
- 1649. Les passions de l'âme
- 1657. Correspondance
[bewerken] Vernoemingen
- Een maankrater
- Zijn geboorteplaats La Haye en Touraine
- Een straat op de campus van de Radboud Universiteit / UMC St Radboud in Nijmegen
- Het Descartes College, een universiteitsbreed honoursprogramma aan de Universiteit van Utrecht
- De Prix Descartes voor wetenschappelijk onderzoek
- De Groningse studentenvereniging A.S.V. Dizkartes
- Het Cartesius Lyceum, een school in Amsterdam
- Het Maison Descartes in Amsterdam, het Franse culturele instituut in Nederland[42]
[bewerken] Externe links
- Meditationes de prima philosophia, 1641, Latijnse tekst
- Discours de la méthode, Franse tekst
- Discours de la méthode, 1637, Engelse vertaling
- Meditationes de prima philosophia, 1641, Franse en Engelse vertaling
- Discours de la méthode, (Engelse vertaling) en Meditations (Franse vertaling)
- Selectie uit de Principia Philosophiae 1644, Engelse vertaling
Referenties
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Bronnen Overzicht en biografie:
- Gaukroger, Stephen: Descartes. An intellectual biography, Oxford University Press, 1995, 2003, 499 p.
- P. van der Hoeven: Descartes: wetenschap en wijsbegeerte, Baarn : Wereldvenster, 1972. 118 p. (Wijsgerige monografieën)
- Strathern, P.: Descartes in 90 minuten Uitgeverij Holland - Haarlem 1999 ISBN 90-251-0831-8
Wiskunde:
- Boyer, C.B.: A history of mathematics, New York, 1968
- Hawking, Stephen: God created the integers, London, Penguin, 2003 (geeft Engelse vertaling van La Géométrie)
- Struik, D.J.: Geschiedenis van de wiskunde, SUA Amsterdam, 1977
- Struik, D.J.: A source book in mathematics 1200-1800, Princeton University Press, 1986 en latere uitgaven (vertaling van enkele teksten van Descartes in het Engels.)
Natuurkunde:
- Dijksterhuis, E. J.: De mechanisering van het wereldbeeld, Amsterdam, 1980, vierde druk
- Pieter van der Hoeven: Metafysica en fysica bij Descartes. Gorinchem : Noorduyn, 1961. - 293 p. ) Proefschrift, Groningen 1961
- Hooykaas, R.: Geschiedenis der natuurwetenschappen, Utrecht, 1976
| Zie de categorie René Descartes van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |
| Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan René Descartes. |
