Republiek Venetië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Serenissima Repubblica di Venezia
 Byzantijnse Rijk 726–1797 Habsburgse Monarchie 
Transpadaanse Republiek 
Eerste Franse Republiek 
Flag of Most Serene Republic of Venice.svg Wapen
(Details) (Details)
Kaart
De Republiek in 1796
De Republiek in 1796
Algemene gegevens
Hoofdstad Venetië
Talen Venetiaans, Italiaans
Regering
Regeringsvorm Republiek
Dynastie n.v.t. (Lijst van doges)
Staatshoofd Doge

De Republiek Venetië, officieel de Meest Serene Republiek van Venetië, was een staat in het noordoosten van Italië rondom de stad Venetië die bestond van de negende tot de achttiende eeuw. De staat Venetië werd bestuurd door dogen.

In de middeleeuwen was deze republiek een belangrijke zeemacht in de Middellandse Zee en speelde ze een belangrijke rol in het heropenen van de handel aldaar voor de rest van Europa. Ze maakte op land deel uit van de vijf grootmachten die het grondgebied van het huidige Italië bestuurden, en was de meest succesvolle en rijkste van de Repubbliche Marinare.

Venetië bracht Europa wissel- en kredietbanken, boekhouding en obligatiemarkten en belangrijke verbeteringen in de scheepsbouw. Technieken voor de bewerking van suikerriet werden overgenomen vanuit Azië en Egypte en ook de bewerking van zijde, glasblazen en sieraden vonden zo hun weg naar Europa. Tot de Nederlanders deze positie overnamen in de zeventiende eeuw bleef het een van de rijkste delen van Europa.

Geschiedenis[bewerken]

In de Oudheid werd het gebied rond Venetië bewoond door de Veneti. Met het uiteenvallen van het West-Romeinse Rijk kwam het in de vijfde en zesde eeuw regelmatig voor dat barbaarse stammen invallen deden, zoals de Visigoten onder Alarik I in 410, de Hunnen onder Attila in 452 en de Longobarden onder Alboin in 568. De inwoners van de streek vluchtten dan naar de eilandjes in de lagune. Na de laatste inval werd deze bewoning permanenter. Het gebied van Cavarzere in het zuiden tot Grado in het noordoosten bleef daarna deel uitmaken van het Byzantijnse Rijk en viel buiten het bereik van het Longobardische Rijk. Het hoogste militaire gezag lag in handen van een tribuun tot in 697 de eerste doge werd aangesteld. Hoewel Andrea Dandolo later deed voorkomen dat deze al een onafhankelijk Venetië leidde, was dit nog een Byzantijnse functionaris.

Ook Pepijn van Italië slaagde er in 810 niet in om Venetië aan het Frankische Rijk toe te voegen. Wel werd de regeringszetel verplaatst van Malamocco naar het veiliger Rivoalto. Hoewel daarna in de Pax Nicephori formeel werd bevestigd dat Venetië deel uitmaakte van het Byzantijnse Rijk, nam de macht van de keizer geleidelijk af en werd Venetië de facto onafhankelijk (841). Dit werd versterkt nadat in 828 de relikwieën van Marcus de evangelist uit Alexandrië zouden zijn ontvreemd en naar Venetië overgebracht. Met Marcus als beschermheilige liet Venetië zich weinig gelegen liggen aan zowel Rome als Constantinopel.

Nadat Ravenna en Aquileia hun positie hadden verloren tijdens de Longobardische oorlogen, leek Comacchio een goede opvolger, mede door de gunstige ligging hiervan aan de Po. De Venetianen maakten hier in 886 een einde aan door de stad te plunderen en de controle over de rivier over te nemen. Aanvankelijk was het vooral op deze rivier waar de Venetianen zich bewogen en waren het vooral Grieken en Syriërs die de Middellandse Zee bevoeren. Gaandeweg begaven de Venetianen zich echter steeds meer op zee. In de periode tussen 900 en 1100 richtten de eilanden in de lagune zich niet alleen steeds meer naar zee, maar ook naar elkaar met Rialto als centrum. Desondanks had elke gemeenschap haar eigen heilige, festival en gewoontes.

De belangrijkste handel in de negende en tiende eeuw was die met Constantinopel in slaven en hout uit Dalmatië, graan en wijn uit Italië en zout uit de eigen lagune. Op de terugweg werd vooral zijde en specerijen meegebracht. De groeiende macht werd ondersteund met de scheepswerven van het Arsenaal, waarvan de bouw begon rond 1104. Hier werden galeien gebouwd voor het vervoer van passagiers, luxegoederen en voor marinetaken. Voor gewone vracht werden zeilschepen gebouwd, cocca's, op private werven.

In 840 werd gaf Lotharius I de Venetianen handelsvrijheid in het westen, terwijl in 991 door Pietro II Orseolo een verdrag werd gesloten met de Fatimiden. Dit legaliseerde de al bestaande handel met Egypte. Pietro wist in 998 na geruime tijd ook Dalmatia te veroveren.

In 1082 verkreeg Venetië de Gouden Bul van 1082 van Constantinopel, in ruil voor steun tegen de dreiging van de Normandiërs in Zuid-Italië en de Seltsjoeken in Anatolië. Hiermee verkregen zij verdere privileges en vrijstellingen van belastingen. Vervolgens breidde de handel zich uit voorbij de Adriatische Zee in de gehele oostelijk Middellandse Zee.

Late Middeleeuwen[bewerken]

In de Late Middeleeuwen groeide de economie van Venetië aanzienlijk door de controle van de specerijenhandel met de Levant. De Republiek begon zich buiten de dogado uit te breiden, aan de andere kant van de Adriatische Zee.

De Venetianen deden aanvankelijk niet mee met de Eerste Kruistocht om de relaties met moslims niet te verstoren. Pas toen de concurrerende steden Genua en Pisa te veel invloed leken te krijgen in het oosten van de Middellandse Zee, voegden zij zich bij de kruisvaarders. Bij Rodos versloegen zij een vloot uit Pisa, waarna het deze stad verboden werd om te handelen in de oostelijke Middellandse Zee.

Ondanks de beperkte bijdrage aan de kruistocht verslechterde de relatie met Byzantium daarna. De groeiende weerstand tegen de privileges van de Venetianen resulteerde in 1171 in de arrestatie van alle Venetianen in Constantinopel. Hoewel de relaties hierna hersteld werden, bleef er een zekere rancune aanwezig. Tijdens de Vierde Kruistocht wisten zij dan ook de kruisvaarders zover te krijgen zich te mengen in de Byzantijnse opvolgingskwestie en werd Constantinopel in 1204 veroverd. Bij de daaropvolgende verdeling van het Byzantijnse Rijk, verkreeg Venetië heel wat extra grondgebied aan de overzijde van de Egeïsche Zee, waaronder de eilanden Kreta en Euboea. In 1489, werd ook het eiland Cyprus, eerder een kruisvaardersstaat, bij het domini da mar of overzeese gebied gevoegd. Vanaf de late dertiende eeuw was Venetië de meest welvarende stad van heel Europa. Op het hoogtepunt van zijn macht had het meer dan 3000 schepen en domineerde het de mediterrane handel. De aldus gecreëerde rijkdom financierde de bouw van prachtige paleizen en de bestelling van kunstwerken bij de meest getalenteerde artiesten van die tijd.

Een belangrijke afzetmarkt voor de Venetianen waren de jaarmarkten van Champagne. Via de Brennerpas liep een andere landroute voor de handel met Augsburg, Neurenberg, Praag en Wenen. Na de overwinning van Zaccaria op de Meriniden in 1291 lag de directe zeeroute via de Straat van Gibraltar naar Brugge en Londen open voor de Genuezen en vanaf 1314 ook de Venetianen.

Vijftiende eeuw[bewerken]

In het begin van de vijftiende eeuw begonnen de Venetianen zich ook in Italië uit te breiden, het terraferma. Dit als reactie op de dreigende uitbreiding door Giangaleazzo Visconti van het hertogdom Milaan. Tegen 1410 had Venetië het grootste deel van Venècia veroverd, met inbegrip van belangrijke steden zoals Verona en Padua. De Venetianen kwamen ook in conflict met paus Julius II over controle van Emilia-Romagna. Dit leidde in 1508 tot de Liga van Kamerijk tegen Venetië, waarin de paus, Lodewijk XII van Frankrijk, Maximiliaan I en Ferdinand II van Aragón samenkwamen om de republiek te plunderen. Hoewel de Fransen in de slag bij Agnadello in 1509 overwonnen, viel de coalitie spoedig uiteen. Andrea Gritti heroverde Padua in juli 1509. Spanje en de paus verbraken hun alliantie met Frankrijk en Venetië heroverde Brescia en Verona op Frankrijk. Na zeven slopende oorlogsjaren herkreeg de Serenissima haar bezittingen op het vasteland tot aan de Adda. Hoewel het verlies was verkeerd in een overwinning, betekenden de gebeurtenissen van 1509 het einde van de Venetiaanse expansie.

Neergang[bewerken]

De uitbreiding van het Ottomaanse Rijk in de Balkan en de Turkse ambities in het oostelijke Middellandse Zeegebied betekenden een reële dreiging voor de Venetianen. In 1570 vielen de Turken Cyprus binnen, dat ondanks de overwinning van de Heilige Liga (waar ook veel Venetiaanse schepen deel van uitmaakten) in de slag bij Lepanto, eind 1571 werd veroverd. De Venetianen sloten spoedig hierna vrede en gaven Cyprus op.

Venetië was inmiddels in onenigheid geraakt met de Kerkelijke Staat over de jurisdictie. Paolo Sarpi verdedigde de belangen van de stad, de paus Paulus V werd gesteund door Spanje. In 1615 raakte de Republiek in oorlog met Oostenrijk, de Uskokken en Spanje over de heerschappij van de Adriatische Zee. In 1617 werd vrede gesloten, maar Pedro Téllez-Girón, de onderkoning van Napels, zette samen met de Spaanse ambassadeur Alfonso de la Cueva een samenzwering op om alsnog een doorbraak te forceren. Giovanni Bembo riep de hulp van Engeland en Holland in. Johan Ernst van Nassau-Siegen voer met 3000 man naar de lagune van Venetië.

Slag in de baai van Phocaea (1649) tussen de Venetianen, de Hollanders en de Turken door Abraham van Beerstraten

De Drentse vestingbouwkundige Hendrik Ruse trok in 1647 met de Venetiaanse generaal Foscolo langs de Dalmatische kust om Venetiaans Albanië te infiltreren. Na een lang conflict werd uiteindelijk ook de sterke vesting Chania op het eiland Kreta aan het Ottomaanse rijk verloren.

De afnemende betekenis van de overzeese handel werd gedeeltelijk gecompenseerd doordat Venetië een belangrijk centrum werd van het (aristocratische) toerisme, vooral dankzij het bijna drie maanden durende carnaval en de opera.

Tijdens de achttiende eeuw was de Serene Republiek nog slechts een schaduw van haar vroegere glorie, hoewel zij over Venetië, de Adriatische kuststreek, en de Ionische Eilanden bleef beslissen.

In 1797 werd Venetië binnengevallen door de Franse troepen van generaal Napoleon Bonaparte, die de republiek tussen Frankrijk en Oostenrijk verdeelden. Bij de Vrede van Leoben kwam ze tot een definitief einde.

Economie[bewerken]

De welvaart van Venetië was vooral gebaseerd op de internationale handel, de scheepsbouw en het bankwezen. Naast het publieke Arsenaal, niet alleen het grootste bedrijf van Venetië, maar ook het grootste industriële complex in Europa in die tijd, waren er ook veel private scheepsbouwers. Daarnaast was er een belangrijke industrie waarvan het Venetiaans glas vanaf 1291 verplaatst werd naar Murano om de geheime technieken beter te beschermen. Zijde werd aanvankelijk geïmporteerd, maar werd vanaf de dertiende eeuw in Venetië gemaakt. Ook de boekproductie was belangrijk en al in 1469 beschikte men hier over de boekdrukkunst en werd hiermee de voornaamste uitgever voor Griekse teksten.

Belangrijk was ook de slavenhandel met de Mammelukken. De Venetianen verhandelden Aziatische specerijen met de Karimi van Alexandrië in ruil voor metaal, wapenrustingen, wol en slaven. Op Kreta en Cyprus werden slaven ingezet om met behulp vanuit Syrië overgenomen technieken suikerrietplantages te exploiteren. Deze technieken werden later overgenomen door de Portugezen op Madeira en in Brazilië.

De opkomst van het Ottomaanse Rijk betekende dat de rol van Venetië in de specerijenhandel sterk terugliep. In 1517 viel Egypte aan de Ottomanen en verloren de Venetianen hun bevoorrechte positie. Waar de specerijenimport tegen het einde van de vijftiende eeuw rond de 1600 ton per jaar lag, lag deze in het eerste decennium van de zestiende eeuw nog maar rond de 500 ton. Hoewel Venetië rond 1560 weer een belangrijke rol speelde in de peperhandel, had het de voortrekkersrol af moeten staan aan de Portugezen die een directe zeeroute naar India hadden gevonden. De introductie van de volgetuigde driemaster en het kanon betekende dat de galei zijn bestaansrecht steeds meer verloor.

In de zestiende eeuw richtte Venetië zich steeds meer op landaanwinning voor agrarische doeleinden en de bouw van Palladiaanse villa’s.

Bestuur[bewerken]

De republiek werd bestuurd door een doge. Deze hield samen met de Raad van Tien (een bestuursorganisatie waaraan het fascisme veel ontleend heeft) de bevolking onder de duim. De bevolking had niets in te brengen in het bestuur en dus was het land een autocratie (dictatuur). Toen later de aristocratie meer macht kreeg, werd de macht van de doges flink ingeperkt ten gunste van die van de Raad van Tien. De Doge werd toen ook verkozen en bleef slechts een paar jaar op zijn post, de Doge had vanaf toen ook enkel een ceremoniële functie. In totaal heeft Venetië 118 doges gehad, die gemiddeld 10 tot 20 jaar hun titel als staatshoofd droegen.

Veroverde gebieden[bewerken]

Venetiaanse bezittingen in Griekenland omstreeks 1450 in het groen.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Lane, F.C. (1973): Venice. A Maritime Republic, The Johns Hopkins University Press.