Requiem (Mozart)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Manuscript van het eerste deel, thans bewaard in de Österreichische Nationalbibliothek

Het Requiem in d-moll (KV 626) is de laatste, onvoltooid gebleven compositie van de Oostenrijkse componist Wolfgang Amadeus Mozart. Slechts één onderdeel van Mozarts compositieproject van de toonzetting van de teksten van de latijnse Missa Defunctorum (dodenmis of requiem, naar de beginwoorden van het Introïtus) werd door hem voltooid.

Van het aansluitende Kyrie, een fuga, werden alleen de vocale partijen en basso continuopartij volledig door hem uitgeschreven, de orkestpartijen (nog) niet. Toch kan ook dit onderdeel van de totale compositie als voltooid worden beschouwd. Immers, wanneer in 18de-eeuwse kerkmuziekcomposities de (strenge) fugavorm aan bod komt, dit is bij het Kyrie van Mozarts requiem het geval, volgt het orkest de zangpartijen meestal letterlijk. Dientengevolge hoeven de orkestpartijen niet uitgeschreven te worden in de compositiepartituur. Ook het tweede Kyrie (in fis-moll) uit de Missa in h-moll van Johann Sebastian Bach staat op deze wijze in de oorspronkelijke, handgeschreven netschrift-partituur genoteerd, net als de Kyrie-fuga uit Mozarts requiem als 5-stemmige compositie: voor vier vocale partijen (SATB) en met een ondersteunende basso-continuopartij.

Dat het Requiem van Mozart kon ontstaan en inmiddels tot de meest geliefde en gewaardeerde werken van Mozarts gehele oeuvre wordt gerekend, is te danken aan zijn oud-leerling, vriend en collega Frans Xaver Süßmayr, die het afgebroken compositieproject van het requiem op een zeker moment ter hand nam en de meerstemmige muziek completeerde. Feitelijk gezien en strikt genomen bevat de requiemcompositie zelfs meer Süßmayr dan Mozart.

Mozart bedacht en schetste de vermoedelijk gehele requiemcompositie zowel voor als tijdens zijn laatste ziekbed in 1791. Alleen de twee eerste delen werkte hij tot een geheel uit. Omdat het requiem een bestelde compositie betrof, werd het werk op aandringen van Mozarts weduwe Constanze Mozart voltooid - het moest voltooid worden - in eerste instantie door Joseph Eybler maar later door Franz Xaver Süßmayr, beiden vrienden en collega's van Mozart. Deze ontwikkeling heeft lange discussies omtrent de originaliteit van het stuk uitgelokt. Naast de muzikale kwaliteit geniet het muziekwerk ook bekendheid door het verhaal achter de mysterieuze opdrachtgever van Mozart.

Anonieme opdrachtgever[bewerken]

In de loop van het jaar 1791 werd Mozart benaderd door een anonieme tussenpersoon die werkte voor de excentrieke graaf Franz von Walsegg. Via de tussenpersoon vroeg Von Walsegg Mozart om een toonzetting van het requiem te schrijven waarbij de helft van het totaalbedrag werd voorgeschoten. Von Walseggs vrouw Anna was op 14 februari 1791 gestorven en als fervent muziekliefhebber wilde hij ter ere van haar een requiemcompositie ten gehore brengen tijdens een gedachtenisdienst. Het requiem moest anoniem worden afgeleverd zodat Von Walsegg het voor zijn eigen werk kon laten doorgaan.

Mozart hield zich bij het componeren van de requiemonderdelen uiteraard aan de Latijnse teksten van de klassieke requiemmis als ook aan de officiële volgorde ervan. Hij deed enkel afstand van het componeren van muziek bij de teksten van het Graduale en de Tractus: vermoedelijk op grond van aanwijzingen van Mozarts anonieme opdrachtgever, die hierbij aanhaakte bij plaatselijke uitvoeringsconventies waarbij deze onderdelen van de requiemmisvoering eenstemmig, in het Gregoriaans, weerklonken. Als voorbeeld voor zijn requiemtoonzetting hield Mozart het requiem van Michael Haydn, de jongere broer van Joseph Haydn, voor ogen.

In de componeerfase van het requiem ging de gezondheid van Mozart sterk achteruit. Tot zijn dood op 5 december 1791 had Mozart enkel de opening, het Introitus (het Requiem aeternam) compleet met orkestpartijen en vocale partijen op papier staan. Enkel de vocale partijen en de basso-continuopartij van het Kyrie waren voltooid, evenals een belangrijk deel van het Dies irae. Verder staan bij overige onderdelen van de requiemcompositie meestal slechts aanzetten van enkele maten genoteerd, dit waren 'reminders' voor latere uitwerking tot een compleet deel. In het overgeleverde compositiemateriaal van Mozarts hand ontbreken geheel (aanzetten van) het Sanctus, het Benedictus, het Agnus Dei en het Communio. Toen Süßmayr aan de completering van Mozarts onvoltooid nagelaten requiemproject werkte, kan hij origineel compositiemateriaal dienaangaande tot zijn beschikking hebben gehad. Maar niet uitgesloten moet worden dat Süßmayr deze drie onderdelen geheel op eigen kracht, in 'Mozartstijl', heeft gecomponeerd.

Opbouw van het requiem[bewerken]

Het requiem bestaat uit 14 delen:

  1. Introitus: Requiem aeternam
  2. Kyrie Eleison
  3. Dies Irae
  4. Tuba Mirum
  5. Rex tremendae Majestatis
  6. Recordare, Jesu Pie
  7. Confutatis Maledictis
  8. Lacrimosa Dies Illa
  9. Domine Jesu Christe
  10. Hostias et Preces
  11. Sanctus
  12. Benedictus
  13. Agnus dei
  14. Communio: Lux Aeterna

Er is slechts een compositieschets van het requiem bewaard gebleven, voor een fugatisch Amen. Dit bevindt zich op een vel muziekpapier waarop Mozart tevens schetsen maakte voor zijn opera Die Zauberflöte.