Retorische vraag

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een retorische vraag is een stijlfiguur waarbij een vraag wordt gesteld, waarop men geen antwoord verwacht. Het is de bedoeling dat de ontvanger (toehoorder, lezer) zich aangesproken voelt en voor waarheid aanneemt wat de zender (spreker, schrijver) suggereert.

Niet-vragende intonatie[bewerken]

Een retorische vraag heeft de woordvolgorde van een vraag maar vaak de intonatie van een mededelende zin. De retorische vraag eindigt op schrift doorgaans met een vraagteken, maar de intonatie van zo een vraag laat eerder een uitroepteken horen.

Voorbeelden[bewerken]

  • Dominee/priester: "En zijn wij niet allen zondaars?"
  • Leraar: "Wie wil later niet goed verdienen?"
  • Gefrustreerd persoon: "Wie ziet niet wat ik wil?"
  • Ongeduldige reiziger: "Hebben ze hier wel eens van op tijd rijden gehoord?"

Mening met blokkade voor discussie[bewerken]

Een retorische vraag is eerder een mededeling dan een vraag (retoriek is immers de kunst van het overtuigen). Nog enkele voorbeelden die dit duidelijk maken:

  • Hoe dom kun je zijn?
  • Dat begrijpt toch iedereen?

De steller van de vraag heeft dus eigenlijk geen behoefte over discussie erover.[1] Met de retorische vraag kan dan ook een betoog effectief worden afgesloten. De enige reactie op een retorische vraag is dan ook "Hoe bedoel je dat?". Dan wordt de spreker gedwongen om de retorische vraag uit te leggen en toe te lichten, waarop een discussie kan volgen.

Miscommunicatie[bewerken]

Een retorische vraag kan miscommunicatie opleveren als de toehoorder (lezer) de bedoeling er van niet begrijpt, zich dus niet aangesproken voelt en de vraag toch probeert te interpreteren. De retorische vraag is immers in feite een al dan niet algemeen aanvaard veronderstelde stelling, dienend ter illustratie van een argument of een redenatie. In minder ingewikkelde bewoordingen is een retorische vraag een vraag waarin het antwoord op precies dezelfde vraag is verwerkt en dus geen antwoord meer behoeft.

Politiek[bewerken]

Retorische vragen worden onder meer in de politieke discussie vaak gebruikt. Voorbeelden:

  • Adolf Hitler in 1939: "Wie herinnert zich vandaag nog de uitroeiing van de Armeniërs?"
  • De Nederlandse parlementariër Geert Wilders over de toenmalige minister Vogelaar: "Denkt de minister van Wonen, Wijken en Integratie echt dat ik geloof, dat ze achterstandswijken kan transformeren in trotse en sterke wijken met een likje verf?"


Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties