Risorgimento

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Staatkundige kaart van Italië 1815-1870. De gebiedsdelen met het jaartal van vereniging staan aangegeven: het Koninkrijk Sardinië, de Pauselijke Staat, het Koninkrijk van de twee Siciliën, het Groothertogdom Toscane, Lombardije, Venetië, de hertogdommen Lucca, Modena en Parma.

Risorgimento (herrijzenis) is een periode in de Italiaanse geschiedenis tussen het Congres van Wenen (1815) en de inlijving van de Kerkelijke Staat bij Italië in 1870 en staat in het teken van de eenwording van Italië.

Dezelfde term wordt ook gebruikt voor het streven naar een Italiaanse staatkundige eenheid en voor de bewegingen die dit doel nastreefden. Het Risorgimento was als beweging heterogeen, dat wil zeggen dat zowel monarchisten als republikeinen zich achter het streven naar een Italiaanse eenheidsstaat konden scharen.

Ontstaan[bewerken]

Italiaans verlies aan invloed[bewerken]

Tot en met de 16e eeuw speelde het Italiaanse schiereiland een belangrijke rol in Europa, ondanks de staatkundige verdeeldheid en onderlinge oorlogen. Economisch waren de rijke handelsrepublieken zoals Florence, Genua en Venetië van grote invloed, maar eveneens cultureel was het Italiaanse gebied van belang, door Rome als hoofdstad van het katholieke geloof en de regio Toscane als oorsprong van de renaissance.

De macht van de Italiaanse staten was sedert de 17e eeuw aanzienlijk geslonken; de wereldlijke en geestelijke macht in Europa van de paus ging door toedoen van de protestantse reformatie achteruit, de controle van het Ottomaanse Rijk over het Middellandse Zeegebied en de opkomst van West-Europese koloniale machten op de wereldmarkt verminderde de economische en militaire macht van alle Italiaanse staten. Het Italiaanse grondgebied, inclusief de eilanden, werd speelbal van Spaanse, Franse en Habsburgse vorstenhuizen.

Napoleon[bewerken]

Onder de Tweede Coalitieoorlog (1799-1802) werd de Habsburgse monarchie door de troepen van de Eerste Franse Republiek, onder leiding van Napoleon Bonaparte, verslagen bij de Slag bij Marengo in noordwest-Italië. Deze nederlaag dwong Oostenrijk tot het tekenen van de Vrede van Lunéville in 1801, wat onder andere als gevolg had dat een groot deel van Italië in handen kwam van Napoleon. In 1805 liet Napoleon, ondertussen al Keizer der Fransen, zich eveneens kronen tot koning van Italië. Het zou tot 1814 duren vooraleer hij het hele schiereiland onder zijn heerschappij kreeg, hetzij rechtstreeks, hetzij indirect.

Napoleon zorgde in het nog steeds onverenigde Italië voor de invoering van een moderne wetgeving en een doelmatiger bestuur. Hierdoor werd het verval van de traditionele feodale verhoudingen versneld en tevens het Italiaans nationaal bewustzijn gestimuleerd. Het verlangen naar een ongedeeld Italië kwam op. Eveneens betekende de Franse periode voor de Italianen het eerste directe contact met het gedachtegoed van het liberalisme. Zowel het nationalisme als het liberalisme gingen wortel schieten in het Italiaanse volk, dat door het napoleontische imperialisme herinnerd werd aan hun verleden in het Romeinse Rijk.

Il Risorgimento -Italiaans voor “de Wederopstanding”- drukt het verlangen uit naar een herwinning van Italiaanse grootsheid zoals in de klassieke oudheid en renaissance.

Het Congres van Wenen[bewerken]

Met het oog op een Europese institutionele reconstructie werd na de val van Napoleon in 1814 het Congres van Wenen bijeengeroepen door de overwinnende mogendheden. Een van de uitgangspunten van dit congres was het herstel van het ancien régime, en daarmede het absolutisme van de oude vorstenhuizen en de terugwinning van hun territoria. Maar men ging pragmatisch te werk en zocht naar sterke levensvatbare staten, vooral als zij aan Frankrijk grensden. Voor het Italiaanse grondgebied betekende dit:

Voorheen doorgevoerde liberale hervormingen werden stuk voor stuk teruggedraaid.

Nationalistische bewegingen[bewerken]

Van groot belang voor de Italiaanse eenmaking zouden de carbonari zijn, een geheim genootschap, opgericht in de mode van de vrijmetselarij, die tussen de afloop van het Congres van Wenen en Revolutiejaar 1848 een rol probeerden te spelen in de strijd tegen het absolutisme. In het begin bestond de groepering uit lagere geestelijken en militairen, maar later ook uit leden van de burgerij. De carbonari doken op op het Iberisch schiereiland en in Frankrijk, maar vooral -en voor het eerst- in Italië (sedert 1802).

La Giovane Italia (Het Jonge Italië) had als doel het stichten van een Italiaanse, democratische republiek. Als het middel hiervoor zagen zij een gewapende revolutie, zonder steun vanuit het buitenland. Deze groepering werd geleid door Giuseppe Mazzini en vervolgens door Giuseppe Garibaldi.

De groepering van gematigde liberalen van Cavour, Il Risorgimento, wilde echter een monarchie, zij het met grondwet en parlement, onder leiding van de Savoyes. Ook zij zagen een militaire revolutie als nodig, maar wel met steun van het buitenland.

De conservatieve strekking was voorstander van een Italiaanse statenbond, met de paus als voorzitter. Zij genoten de buitenlandse steun van Napoleon III.

Eenwording[bewerken]

Revoluties van 1820[bewerken]

Als in 1820 te Napels een liberaal-nationalistische, militaire rebellie tot stand komt, onder leiding van generaal Pepe, gaat de Risorgimento effectief van start. De rebellen dwingen Ferdinand I tot de goedkeuring van een eigen grondwet. In datzelfde jaar wordt Victor Emanuel I tot troonsafstand gebracht in Piëmont, en wordt ook daar een grondwet geschreven, eveneens door een opstand.

De Oostenrijkse troepen reageren gewapend op deze twee voorvallen, en bezorgen in Napels Ferdinand I zijn absolutisme terug, terwijl ze in Piëmont Karel Felix als nieuwe vorst op de troon brengen.

Revoluties van 1830[bewerken]

In 1830 komen nieuwe liberale opstanden tot stand in Midden-Italië, gesteund door de carbonari. Romagna, Parma en Modena verjagen hun soeverein, waaronder -in Romagna- de paus. Door de banden van de paus met Oostenrijk valt het Oostenrijkse leger opnieuw Italië binnen om de oude orde te herstellen, elf jaar na de vorige bemoeienis. Veel van de opstandelingen vluchten daardoor naar Frankrijk, dat in hun ogen het oord bij uitstek was voor liberalen. De overgebleven liberalen zijn klein in getale, maar blijven zich engageren door het publiceren van tijdschriften en romantische literatuur, die steeds meer naar het nationalisme neigen. Mazzini groeit uit tot een held onder de patriotten.

Revoluties van 1848-1849[bewerken]

Gestimuleerd door de successen van de Februarirevolutie in Frankrijk, braken in 1848 nieuwe opstanden uit op Sicilië. Toscane, Napels, alsmede Venetië, Milaan, Modena en Parma raakten in de ban van de revolutie. Overal werden staatshoofden, de paus incluis, gedwongen tot het tekenen van liberale grondwetten. Er kwam een gezamenlijke coalitie tot stand tegen de Oostenrijkse troepen, die weer verjaagd konden worden, ondanks de tegenwerking van Napels en de paus.

Karel Albert van Sardinië-Piëmont nam het op tegen Ferdinand I. Ondanks de steun die hij verkreeg van volkshelden Mazzini en Garibaldi, werd zijn vrijwilligersleger verslagen bij Custoza. Dit was voor Mazzini en Garibaldi de aanleiding voor een andere aanpak. Ze zorgden ervoor dat Venetië, Toscane en Rome zich uitriepen tot republiek.

Paus Pius IX ontvluchtte het in rep en roer verkerende Rome, maar kon rekenen op militaire steun van Oostenrijk en Frankrijk, die beide troepen stuurden om Rome weer in pauselijke handen te brengen. Pas in 1850 keerde paus Pius IX terug, en herstelde het absolutisme.

Het optreden van Oostenrijk en dit keer ook Frankrijk betekende een pijnlijke nederlaag voor het nationalisme en zijn aanhangers. Na deze bemoeienis kon alleen Piëmont-Sardinië standhouden als onafhankelijke staat, waardoor het een toevluchtsoord werd voor liberalen, die vaak ook nationalisten en republikeinen waren, van over het hele Italiaanse schiereiland.

Politieke zetten van Cavour[bewerken]

Cavour, door Francesco Hayez

Graaf Camillo Benso di Cavour was ondertussen geliefd en premier in Piëmont-Sardinië, en broedde nieuwe plannen uit voor een Italiaanse eenmaking. De recente nederlaag weet hij aan verdeeldheid onder de liberalen, maar evenzeer aan militaire zwakte.

Hij zorgde ervoor dat adel en Kerk langzaam maar zeker aan macht verloren, terwijl hij zijn politieke positie verder versterkte door banden te smeden met de republikeinen. Ook zorgde hij voor nieuwe economische ontwikkelingen, door het sluiten van internationale handelsverdragen en door de groei van de landbouw en industrie te steunen. Dit alles ter ondersteuning van zijn militaire ambities: het uitbouwen van het leger, onder meer door een uitgebreidere dienstplicht en de bouw van een marinebasis in La Spezia.

Een slimme zet was het inzetten van zijn nieuwe, verbeterde leger aan de zijde van Groot-Brittannië en Frankrijk in de Krimoorlog. Frankrijk stond al jaren op gespannen voet met Oostenrijk inzake Italiaanse kwesties, maar van toen af aan kon Cavour niet alleen op de Franse, maar ook op de Britse sympathie rekenen.

Overeenkomst van Plombières[bewerken]

Napoleon III van Frankrijk was te vinden voor een onafhankelijk Italië, om de invloed van Oostenrijk terug te dringen. Dit bracht Napoleon III en Cavour ertoe de overeenkomst van Plombières te sluiten in juli 1858. Dat plan hield in dat Piëmont een gewapend conflict zou uitlokken met Oostenrijk, wat voor Frankrijk een aanleiding zou zijn militair op te treden tegen de Oostenrijkse mededinger. Piëmont-Lombardije zou na de overwinning worden uitgebreid met Venetië, en het Koninkrijk Noord-Italië vormen. Als beloning voor de Franse steun zouden Savoie en Nice in handen komen van Frankrijk. De overige Italiaanse staten zouden daarna aangemoedigd worden een statenbond te vormen met de paus als voorzitter.

Cavour liet de Piëmontse troepen mobiliseren, wat inderdaad een militaire inval van Oostenrijk uitlokte. Frankrijk schoot Piëmont te hulp, zoals afgesproken. In de Slag van Solferino werden de Oostenrijkse troepen verslagen. Daardoor moesten die zich terugtrekken naar Venetië, waarvoor ze de overige Noord-Italiaanse staten moesten verlaten. Dit was voor Cavour een uitgelezen kans om de patriotten aan te zetten de macht over te nemen in deze staten. Ondertussen namen Rusland en Pruisen een dreigende houding aan tegenover Frankrijk, zodat Napoleon III genoodzaakt was een verdere opmars naar Venetië af te blazen en zich voor te bereiden op een mogelijk conflict met deze twee mogendheden. Ook ondervond Napoleon III in Frankrijk last van zijn katholieke burgers, wegens het gevaar waarin de paus verkeerde door de Franse militaire interventie in Italië.

Aansluiting van de Centraal-Italiaanse staten[bewerken]

Parma, Modena, Toscane en Romagna sloten zich na goedkeuring van volksraadplegingen bij Piëmont-Sardinië aan in maart 1860. Uit ontevredenheid met de aansluiting van de pauselijke provincie Romagna richtte paus Pius IX een internationaal vrijwilligersleger op om met geweld deze beslissing teniet te doen, de pauselijke zoeaven.

Aansluiting van het Koninkrijk der Beide Siciliën[bewerken]

Victor Emanuel II ontmoet Garibaldi in Teano

In mei 1860 viel een leger van Roodhemden, onder leiding van Garibaldi en bewapend door Cavour, Sicilië binnen. Garibaldi veroverde het eiland op het Koninkrijk der Beide Siciliën, stak vervolgens over naar Calabrië en bracht met de verovering van Napels en Gaeta dit koninkrijk ten val. Toen Garibaldi bekendmaakte naar Rome te willen marcheren, viel Victor Emanuel de Kerkelijke Staat binnen. Dit leidde tot de Slag bij Castelfidardo, waarbij de zoeaven verslagen werden. Victor Emanuel trok na deze overwinning verder zuidwaarts tot Teano waar hij zich aansloot bij Garibaldi. Het hele Italiaanse schiereiland was nu verenigd, met uitzondering van Latium, waar de paus beschermd werd door Napoleon III, en Venetië, waar de Oostenrijkers nog altijd heersten.

Koninkrijk Italië[bewerken]

Er werd een parlement samengesteld met afgevaardigden uit alle verenigde staten, dat in februari 1861 het bestaan van het Koninkrijk Italië proclameerde, met Rome als toekomstige hoofdstad. De Frans-Italiaanse verhouding bleef wringen door de Romeinse kwestie, en dreigde te escaleren toen Garibaldi in 1862 met zijn Roodhemden naar Rome marcheerde. In Aspromonte werden de Roodhemden verslagen door het leger van Victor Emanuel, dat ingezet werd om een conflict met Frankrijk te vermijden. In 1864 werd uiteindelijk gekozen voor Florence als hoofdstad voor het nieuwe Italië en Rome buiten het koninkrijk onder pauselijke voogdij te laten.

De Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog[bewerken]

Toen in 1866 de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog uitbrak, moedigde Napoleon III het verenigde Italië aan in alliantie te treden met Pruisen. Frankrijk zelf verkreeg van Oostenrijk Venetië, om daarmee de Franse neutraliteit af te kopen. Toen de Italianen probeerden Venetië gewapenderhand in te lijven, werden ze door Oostenrijk verslagen te Custoza (nabij Verona) en ter zee in de Slag bij Lissa (1866) in de Adriatische Zee. Doordat veel Oostenrijkse troepen hun handen vol hadden aan de Italianen, kon Pruisen Oostenrijk verslaan in de Slag bij Sadová. Na afloop van de oorlog droeg Frankrijk Venetië over aan Victor Emanuel.

De Frans-Pruisische Oorlog[bewerken]

Garibaldi had nog steeds zijn zinnen op Rome gezet, dat nog steeds beschermd werd door Franse troepen. Deze troepen verlieten de stad in 1870, toen ze werden ingezet in de Frans-Pruisische Oorlog. Deze keer kon Rome zonder buitenlandse weerstand worden ingelijfd en uitgeroepen tot hoofdstad. De paus werd enkel het Vaticaan overgelaten, wat het begin betekende van de Romeinse Kwestie. De Risorgimento kon nu worden afgesloten.

Irredentisme[bewerken]

Na de uiteindelijke Italiaanse eenmaking bleven er nog enkele Oostenrijkse gebieden over waar Italië aanspraak op maakte, maar die niet opgenomen waren in het jonge Italië. Deze gebieden waren onder andere Zuid-Tirol, Istrië en Triëst, oftewel het Italia Irredenta (het onverzoende Italië). De voorstanders van de aansluiting van deze gebieden heetten dan ook irredentisten.

Afspraak tussen elites[bewerken]

De Italiaanse eenwording is in feite het resultaat van een afspraak tussen elites uit Noord- en Zuid-Italië. Noord-Italië is van oudsher cultureel georiënteerd op Centraal-Europa. Ten paleize van het Koninkrijk Sardinië (hoofdzetel in Turijn) werd Frans gesproken. Vanaf het einde van de 18e eeuw kwam de industrialisering op gang in Noord- en Midden-Europa. Deze ontwikkeling ging aan Noord-Italië voorbij. De pauselijke domeinen in het midden van het schiereiland beschouwden het industrialisatieproces als een regelrechte bedreiging voor hun machtsbasis. De pauselijke macht was vooral gebaseerd op feodale verhoudingen. Gesteund door zijn bondgenoten Frankrijk en Oostenrijk-Hongarije zorgde de paus ervoor dat Noord-Italië een bufferfunctie kreeg, natuurlijk tot misnoegen van de Noord-Italiaanse elites.

De Zuid-Italiaanse elites beschouwden de industrialisering eveneens als een bedreiging: ook de Zuid-Italiaanse machtsverhoudingen waren gebaseerd op feodale eigendomsverhoudingen. In hun ogen was uitbreiding van grondgebied de beste manier om deze verhoudingen te consolideren. Dit kon alleen maar ten koste gaan van de pauselijke domeinen.

De Noord- en Zuid-Italiaanse elites vonden elkaar hierin: indamming van de pauselijke macht verschafte de Noord-Italianen enerzijds de mogelijkheid om het industrialisatieproces te initiëren, anderzijds gaf het de Zuid-Italiaanse elites de zekerheid dat de feodale verhoudingen behouden bleven. Kortom, "Alles moest veranderen, opdat alles hetzelfde zou blijven" aldus ene Tancredi, een ambitieuze opportunistische jongeman uit de roman Il Gattopardo van Giuseppe Tomasi di Lampedusa. Aan de Risorgimento ligt dus een contract tussen ongelijksoortige partners ten grondslag, dat nog steeds bepalend is voor de Italiaanse politiek en voor de grote verschillen in economische ontwikkeling tussen Noord en Zuid.

Cliëntelisme[bewerken]

Omdat altijd de dreiging bestond dat het land uiteen zou kunnen vallen, ontstond het principe van 'cliëntelisme', ofwel het kopen van loyaliteit. Ideologische, nationalistische of religieuze binding tussen kiezers en gekozenen speelt niet de hoofdrol. Cliëntelisme is simpel gezegd: "jij doet wat voor mij en ik stem op jou". Op microniveau moet daarbij gedacht worden aan individuele hulp, bijvoorbeeld het regelen van een goede opleiding voor zoon of dochter of het verlenen van een pensioen. Op macroniveau ging het om het toewijzen van bouwcontracten in ruil voor honderden stemmen. Hieruit blijkt dat er een directe relatie bestaat met de Risorgimento en het bestaan van de maffia.

Zie ook[bewerken]