Roepletters

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Men gebruikt roepletters (Engels: callsign) om zich in de radiotelegrafie en radiotelefonie te kunnen identificeren. Om roepletters te kunnen verkrijgen moet je eerst een examen doen. Dit kan bijvoorbeeld zijn voor een licentie als radiozendamateur, of voor maritieme radiocommunicatie (marifoon). Met een licentie kan vervolgens een Call (de roepletters) worden aangevraagd voor een bepaalde zendinstallatie.

Roepletters bestaan uit 1 tot 3 letters en/of cijfers (het prefix; voor Nederland: PA t/m PI; voor België ON t/m OT), gevolgd door minimaal één en maximaal drie letters, of vier cijfers (het suffix). Roepletters in Nederland werden tot voor kort toegewezen door Agentschap Telecom en in België door BIPT, maar mogen nu (binnen bepaalde grenzen) door de zendamateur zelf worden gekozen.

Prefix[bewerken]

Uit het Nederlandse prefix valt af te leiden over welk type machtiging de zendamateur beschikt:

  • Start het prefix met PD, dan beschikt de zendamateur in kwestie over een zogenaamde N-machtiging, oftewel een beginnersmachtiging. Voorbeeld: PD0AC.
  • Start het prefix met PA, PB, PC, PE, PF, PG of PH, dan beschikt een zendamateur over een F-vergunning, dat is een volledige machtiging. Voorbeeld: PA0LEZ.
  • Indien het prefix, de eerste twee letters dus, bestaat uit de letters PI, wil dit zeggen dat de roepnaam gereserveerd is voor specifieke doeleinden, experimenten, onderwijs, vergunningen e.d.
  • Als het cijfer na het prefix een 6 is binnen de prefixen PA t/m PH, wil dit zeggen dat het een call is voor bijzondere amateurevenementen.

Belgische stations hebben een prefix vanaf ON tot en met OT, al wordt meestal ON gebruikt.

  • ON1-roeptekens werden tot midden 2003 uitgereikt aan radioamateurs die geen telegrafie-examen (Morse-code) aflegden en daardoor alleen toegang hadden tot de VHF-banden of hoger. Sedertdien heeft deze categorie een ON4-8-roepteken kunnen aanvragen waardoor ze mits ze een kleine toeslag betaalt nu ook de HF-banden mag uitzenden.
  • ON2-roeptekens werden tot september 2005 gegeven aan personen die in een vereenvoudigd technisch examen slaagden, waardoor ze toegang kregen tot de VHF- en UHF-banden.
  • ON3: Sedert 1 september 2005 is er een nieuwe vergunning voor 'nieuwkomers' ingevoerd, de 'Basisvergunning'. De houders van die vergunning krijgen een ON3-roepteken. Na het Verenigd Koninkrijk was België het tweede land om dit te doen. Het vereenvoudigde examen bij BIPT is nu ook aangevuld door een praktische proef die kan worden afgenomen door de erkende verenigingen. Met een beperkt zendvermogen heeft een ON3 toegang tot alle kortegolfbanden, 6 meter-, 2 meter- en 70 cm-band.
    • Het maximaal vermogen is 50 watt op de kortegolfbanden en 6 meter en op 2 meter en 70 cm.
    • ON3's hebben geen toelating om zelf zenders te bouwen of wijzigingen aan commerciële apparatuur aan te brengen.
  • ON4 tot en met ON8: roepnamen gegeven aan de houders van een HAREC-vergunning. Voor hen zijn er het minste beperkingen.
  • ON9-roepnamen voorbehouden voor buitenlanders, woonachtig in België.
  • ON0 zijn de niet bemande, automatische stations zoals steunzenders/repeaters voor spraak, bakenstations of packet-radio/APRS-knooppunten.

Uit de roepnamen kan men niet afleiden wat de taal van de vergunninghouder is noch waar het station is opgesteld.

Suffix[bewerken]

Het suffix, de laatste letter(s), mag niet bestaan uit de letters SOS of de lettercombinaties QOA t/m QUZ. Dat laatste om verwarring met de Q-code te voorkomen.

Buitenland[bewerken]

In sommige landen, zoals de Verenigde Staten, worden de roepletters ook door radio- en televisie-omroepstations gebruikt om zichzelf te identificeren voor de luisteraars. Omroepstations ten westen van de Mississippi hebben een roepnaam, die begint met de letter "K". Ten oosten van de Mississippi beginnen de roepnamen met de letter "W".

Omroepstations moeten in de buurt van elk heel uur hun roepletters noemen, en ze worden daar door de firma Arbitron ook gebruikt om de luistercijfers bij te houden. Daardoor zijn de Amerikaanse radiostations, en in mindere mate televisiestations, vaak vooral bekend bij hun roepletters.

Luchtvaart[bewerken]

Het gebruik van roepletters in de luchtvaart hangt af van het soort vliegoperatie, en of de transmissie wordt geïnitieerd door een vliegtuig of een grondstation.

In de meeste landen identificeren particuliere vliegtuigen zich met een callsign dat overeenkomt met de vliegtuigregistratie (ook het staartnummer genoemd). De vliegtuigregistratie bestaat uit een prefix dat aangeeft in welk land het vliegtuig geregistreerd is, gevolgd door een unieke combinatie van letters/cijfers (voor Nederland is dat "PH", gevolgd door drie letters bij motorvliegtuigen, of cijfers bij overige luchtvaartuigen). Voor het uitspreken van het callsign wordt het ICAO-spellingsalfabet gebruikt. Voorbeeld: een vliegtuig met de registratie PH-ARG meldt zich met "pappa hotel alpha romeo golf".

Commerciële luchtvaartmaatschappijen gebruiken meestal een speciale maatschappijcode, die bij de International Civil Aviation Organization is geregistreerd. Deze maatschappijcode wordt samen met een vluchtnummer gebruikt. Zo gebruikt een vlucht van de KLM met vluchtnummer '838' de roepletters "KLM eight three eight". Het callsign komt niet altijd overeen met de naam van de maatschappij: zo is het callsign van Brussels Airlines "Bee-line", South African Airways "Springbok", China Airlines "Dynasty", Aer Lingus "Shamrock" en van British Airways "Speedbird".

In radiocommunicatie in de Luchtvaart kan aan de radioroepnaam de postfix heavy of super worden toegevoegd om aan te geven dat het een vliegtuigtype betreft met een maximum toegestaan startgewicht van 136 000 kg of meer, waardoor het krachtige zogturbulentie kan veroorzaken (voorbeeld: "Speedbird seven five heavy"). Momenteel (2014) valt alleen de Airbus 380 in de allerhoogste klasse, en gebruikt daarom de toevoeging "super".

Grondstations identificeren zich met de naam en functie van het station, zoals "Schiphol Tower" voor de verkeerstoren, of "Amsterdam Radar" voor de luchtverkeersleiding tussen luchthavens.

Militaire luchtvaart[bewerken]

In de militaire luchtvaart worden "codenamen" (Engels: tactical callsign) gebruikt om een vlieger tijdens de vlucht aan te duiden, om zodoende de personalia van de vlieger in kwestie niet prijs te geven. De codenaam kiest een piloot zelf en is vaak spottend bedoeld of herinnert aan een 'leuke' gebeurtenis.

In Nederland is de codenaam waarschijnlijk ingevoerd nadat twee piloten in een zelfde type vliegtuig (beide piloten hadden als voornaam Henk) hun toestel verlieten nadat de verkeerstoren riep dat Henk (II) een motorbrand tijdens de start had. Beiden verlieten met de schietstoel hun vliegtuig.

Scheepvaart[bewerken]

Ook schepen krijgen roepletters uit bovengenoemde series. Deze worden voor de Nederlandse binnenvaart vertaald in een ATIS-code, en voor de zeevaart in een MMSI-code. Sinds de invoering van Inland-AIS wordt door daarmee uitgeruste binnenschepen langer dan 20 meter ook het MMSI signaal gebruikt om de transponder te identificeren. Deze codes worden automatisch meegezonden bij een uitzending. In de scheepvaart wordt voor binnen- en kustvaart gebruikgemaakt van de marifoon (VHF); verder van land kan ook gebruikgemaakt worden van middengolf (MF) of korte golf (HF).

Externe link[bewerken]