Romeins Koninkrijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van het Romeinse Rijk

Roman Empire map.svg


ca. 750 v.Chr. - 476 n.Chr.


voor de stad, zie gesch. van Rome

Portaal  Portaalicoon  Romeinse Rijk
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Het Romeins Koninkrijk (ca. 753-509 v.Chr.) was een kleine stadstaat rond de stad Rome en de voorloper van het Romeinse Rijk. Kennis over de koningstijd is zo goed als helemaal gebaseerd op legenden. In deze periode werden de Romeinen geregeerd door 7 koningen; De eerste vier waren afwisselend Sabijnse en Latijnse koningen, de laatste drie waren Etrusken. Aan het koninkrijk kwam in 509 v.Chr. een einde toen de edelman Lucius Iunius Brutus de laatste koning, Tarquinius Superbus, verjoeg en de Romeinse Republiek stichtte.

Mythische geschiedenis[bewerken]

De eerste koning van Rome was Romulus. Hij zou zijn stad hebben laten bevolken door bannelingen, die hij aangelokt had met de belofte van bescherming - ongeacht wat ze op hun kerfstok hadden. Maar aangezien Rome nu bijna alleen bevolkt was door mannen, was er een tekort aan vrouwen. Romulus liet daarop wedstrijden en ruiterspelen aankondigen en nodigde buurvolkeren uit om te komen kijken. Tijdens de spelen stortten de Romeinen zich op de vrouwen en meisjes van de bezoekers, van wie de meesten behoorden tot de Sabijnen, waardoor deze gebeurtenis bekend werd als de Sabijnse maagdenroof. De Sabijnse koning Titus Tatius zou hierop de stad hebben aangevallen en door verraad (van een vrouw Tarpeia) viel de Romeinse vesting op het Capitool in hun handen. De Romeinen werden teruggedrongen tot aan hun stadspoort aan de Palatijn. Volgens de legende kwam de god Janus de Romeinen nu te hulp en stuurde een golf heet water op de Sabijnen af, die ook hun sterkste strijder, Mettus Curtius in het moeras vastzette. De strijd laaide terug op. De Sabijnse vrouwen waren echter inmiddels van hun nieuwe echtgenoten gaan houden, kwamen tussenbeide en er werd vrede gesloten. Titus Tatius werd medekoning en veel Sabijnen vestigden zich op de Quirinaal. Verder is over Romulus bekend dat hij een Raad der Ouden, de senex, samenstelde om hem te adviseren. Dat was het begin van de Romeinse Senaat. In 715 v Chr. stierf Romulus; volgens de legende werd hij meegevoerd door een wervelstorm om Jupiter als de god Quirinus voor eeuwig bij te staan.

Volgens het vredesverdrag met de Sabijnen moest het koningschap afwisselend door een Sabijn en een Latijn worden bekleed. De Latijnen en Sabijnen kozen de Sabijn Numa Pompilius tot koning. Numa was een wijs en godvruchtig vorst. Hij nam een reeks wijze maatregelen die de vrede en de samenhorigheid bevorderden. Zo regelde hij de verering van de drie goden Jupiter, Mars en Quirinus (met wie Romulus werd vereenzelvigd ), de dienst van Vesta en van Fides (de god van de trouw) en de oprichting van gilden voor handwerkslieden. Ook stichtte hij de gemeenschappen van de Pontifices, priesters die de leiding kregen in godsdienstzaken, en van de Saliërs, de 12 'springende priesters' van de oorlogsgod Mars. Het priestergezelschap der Fetiales kreeg de verantwoordelijkheid over volkenrecht. Onder zijn bewind bleef de "Poort van Janus", die geopend werd in geval van oorlog, gesloten. Toen Pompilius in 673 v.Chr. overleed, werd de Latijn Tullus Hostilius koning van Rome. Hij was in tegenstelling tot Numa een oorlogszuchtige vorst. Hij zocht naar een aanleiding tot oorlog zodat de Romeinen zich konden bewijzen en toen mannen uit het rivaliserende Alba Longa Romeins vee stalen, besloot Tullus de stad aan te vallen.

Omdat de koning van Alba Longa net was overleden, werd de oorlog beslist door middel van een duel tussen twee drielingen: de Romeinse Horatii en de Curiatii uit Alba Longa. Toen twee van de Romeinse Horatii waren gesneuveld, bleef één man overeind tegen de drie Curatiërs die hij in zijn eentje wist te verslaan. Zo kwamen de Horatii dus als winnaars uit de strijd en de Curiatii werden voortaan verplicht om de Romeinen te helpen als zij oorlog voerden. De bestuurders van Alba Longa kwam later hun verplichtingen echter niet na waardoor hun stad verwoest werd. Daarop dienden de voornaamste families te verhuizen naar de Caelijnse heuvel. Tullus Hostilius bouwde ook de Curia Hostilia, de vergaderplaats van de Senaat. Door zijn overwinningen werd Tullus arrogant en hij begon de eredienst van Numa te verwaarlozen. De goden stuurden in 641 v.Chr. een pestepidemie naar Rome waardoor ook de koning werd getroffen. In zijn wanhoop bad hij tot Jupiter. Jupiter was echter zo verbolgen dat hij Tullus met een bliksemschicht doodde.

De volgende koning was Ancus Marcius, die net als zijn grootvader Numa een Sabijn was. Hij herstelde meteen de eredienst van Numa. Hij was ook een erg vredelievende vorst en de Latijnen, die in de omringende heuvels woonden, begonnen de weilanden van de Romeinen te plunderen. Ancus Marcius liet echter zien uit welk hout de Romeinen waren gesneden en versloeg de Latijnen. De krijgsgevangenen werden op de Aventijnse heuvel gehuisvest. Ancus lijfde ook de Janiculijnse heuvel, die niet tot 'de zeven heuvelen' behoort, bij de stad in om de Tiber beter te kunnen beheersen. Hij stichtte tevens een bescheiden haven op de plek die later zou uitgroeien tot Ostia.

Tijdens het koningschap van Ancus Marcius werden de Etrusken, die een hogere beschaving hadden dan de Romeinen, invloedrijk. Omdat de zonen van Ancus te jong waren, toen hij in 617 v.Chr. stierf, werd Ancus’ Etruskische adviseur Lucius Tarquinius Priscus koning. Hij was verantwoordelijk voor grote bouwprojecten zoals het Circus Maximus, waar wagenrennen werden gehouden, de Cloaca Maxima, ’s werelds eerste riool, en het Forum Romanum, het bestuurlijke centrum van de stad. Het forum voorzag de nederzettingen van Rome van één centrum, waardoor Rome echt een stad werd.

In die tijd woonde er in het koninklijke paleis een slavenzoon, Servius Tullius. Toen hij ’s nachts lag te slapen werd zijn hoofd omgeven met vlammen en Tanaquil, de koningin, legde dit uit als een voorteken dat hij voorbestemd was voor iets groots. Het koninklijk paar adopteerde de jonge Servius en maakte hem tot troonopvolger boven Tarquinius’ eigen zonen. Toen Tarquinius in 579 v Chr. door Ancus Marcius’ zonen werd vermoord plaatste de machtige Tanaquil Servius Tullius op de troon. Servius was een goed koning en hij hervormde het bestuur (zie verder). Ook bouwde hij de Serviaanse muur als eerste stadsmuur rond Rome en stelde hiermee de pomerium in.

Zo werd Rome verdeeld in 36 tribus (6 voor de stad Rome en 26 voor de ommelanden) en de plebs kregen voor het eerst politieke rechten omdat de burgers werden ingedeeld in 193 centuriae, naar vermogen en niet naar afkomst. Er werd een volksvergadering opgericht waarin gestemd werd per centuria. De rijkste burgers hadden de meerderheid met 98 centuriae, die ook de meerderheid van de troepen moesten leveren (op timocratische basis dus).

Om de zoons van Tarquinius niet van zich te vervreemden, huwelijkte Servius zijn beide dochters (beide Tullia geheten) aan hen uit. De oudste dochter was eerzuchtig en trouwde met de goedaardige Arruns. De jongste was goedaardig en trouwde met de eerzuchtige Lucius, later Tarquinius Superbus. Tullia de oudere en Lucius werden verliefd, lieten Tullia de jongere en Arruns vermoorden en maakten koning Servius zo zwart in de Senaat dat hij werd gelyncht door de Romeinse bevolking. Zo kwam Lucius Tarquinius Superbus aan de macht. Aangezien hij de Senaat zuiverde van Servius’ medestanders, werd hij snel gehaat. Toen zijn zoon Sextus Tarquinius Superbus de vrome vrouw Lucretia verkrachtte, zwoer haar verwant Lucius Junius Brutus wraak. Die mobiliseerde de bevolking tegen de koning, toen die op veldtocht was. Toen de koning terugkeerde om de opstand in de kiem te smoren, sloot de bevolking de poorten en zo werd de koning uit de stad verdreven (509 v.Chr.).

Tarquinius zou echter zijn teruggekomen met het leger van een andere Etruskische koning, de beroemde Lars Porsenna. Hierop verdedigde Horatius de brug over de Tiber, terwijl de Romeinen de brug achter hem vernielden. Hierin slaagden de Romeinen. De Etrusken konden de stad niet innemen en moesten een beleg opslaan. Toen de honger in Rome toenam, besloot Gaius Mucius, dapper als hij was, het Etruskische kamp binnen te sluipen en Porsenna te vermoorden. Het lukte hem in de tent van de koning te komen, maar per vergissing doodde hij de secretaris van de koning. Hij werd daarop gevangengenomen en de koning bedreigde hem met vuur en folteringen. Maar Mucius stak zijn hand in het vuur om de koning te laten zien dat hij daar niet bang voor was. De koning vond dat deze straf zwaar was, aangezien hij zijn opdracht niet goed voltooid had en liet hem gaan. Uit angst voor de dapperheid van de Romeinen brak hij zijn kamp op. Mucius werd voortaan door de Romeinen Scaevola genoemd, wat de Linkse betekent.

Zie ook[bewerken]