Rondo (dicht- en muziekvorm)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een rondo (ook: rondeau of rondeel) is een uit de middeleeuwen afkomstige vers- en muziekvorm, die als muziekvorm, maar dan gewijzigd, gedurende de geschiedenis behouden bleef en tot en met de romantiek gebruikt werd.

Dichtvorm [bewerken]

Het middeleeuwse rondeau (uitgesproken als: 'rondó') had acht regels met een ingewikkeld rijmstelsel:

  1. A1
  2. B1
  3. A2
  4. A1
  5. A3
  6. B2
  7. A1
  8. B1

De eerste, vierde en zevende regel waren identiek en hetzelfde gold voor de tweede en de laatste regel. Op muziek gezet waren er twee melodische regels A en B die zich dus als ABAAABAB herhaalden.

Een goed voorbeeld van een rondeel uit de Nederlandse literatuur (en muziek) is het lied 'Egidius waer bestu bleven'.

Een ander voorbeeld van Anthonis de Roovere:

Die door de wereldt sal gheraken,
Die moet connen huylen metten honden.
Ende moet oock connen diverssche spraken,
Die door de wereldt sal gheraken.
Hier waerheyt segghen en ghinder missaecken,
Vooren salven ende achter wonden.
Die door de wereldt sal gheraken,
Die moet connen huylen metten honden.

Muziekvorm [bewerken]

In de rondovorm vanaf de 18e eeuwse klassieke muziek, keert steeds het hoofdthema, het zogenaamde rondothema, als een soort refrein terug. De tussenliggende delen, met andere thema's, noemt men dan ook de coupletten. Men onderscheidt het Franse rondo en het uitgebreide Weens rondo.

Een voorbeeld van een Weens rondo is het slotdeel van de 2e pianosonate van Ludwig van Beethoven. Een ander karakteristiek voorbeeld is het slotdeel van de pianosonate in Bes groot KV 333 van Wolfgang Amadeus Mozart.