Roodbuikbuulbuul

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Roodbuikbuulbuul
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Pycnonotus cafer op Ceiba pentandra
Pycnonotus cafer op Ceiba pentandra
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Passeriformes (zangvogels)
Familie: Pycnonotidae (buulbuuls)
Geslacht: Pycnonotus
Soort
Pycnonotus cafer
(Linnaeus, 1766)
Afbeeldingen Roodbuikbuulbuul op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Roodbuikbuulbuul op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De roodbuikbuulbuul (wetenschappelijke naam: Pycnonotus cafer; junior synoniemen: Molpastes cafer, Molpastes haemorrhous en Pycnonotus pygaeus) is een soort zangvogel uit de familie Pycnonotidae (buulbuuls), die van nature voorkomt in Zuid- en Zuidoost-Azië en op het Tibetaans Plateau. Het dier is een invasieve soort in Oceanië en rond de Perzische Golf.

Kenmerken[bewerken]

De roodbuikbuulbuul is een ongeveer 20 cm lange vogel, inclusief de 6 cm lange staart. Het dier heeft een donkerbruine romp en een zwarte kop met een karakteristieke kuif. De kleur van de buik verloopt van bruingrijs tot lichtgrijs (tegen wit aan) bij de onderkant van de staart. Onder de staart bevindt zich een rode tot oranjerode vlek, waar het dier zijn naam aan te danken heeft. De staart is zwart met witte uiteinden.

Er is geen verschil tussen de kleuren en tekening bij mannetjes en vrouwtjes. De juvenielen (jongen) zijn wel lichter en matter van kleur. Individueel komen lichtere en donkerdere vogels voor.

Geluid van de roodbuikbuulbuul.

Er zijn een aantal verschillende roepen die de dieren gebruiken ter begroeting, tijdens het vliegen en ten minste twee verschillende alarmroepen.[2] De meest gehoorde roep is een helder, drietonig dien-aa pier. Ook kan de roodbuikbuulbuul een serie scherpe geluiden (pik pik pik pik) laten horen. De alarmroepen bij gevaar wordt door veel andere soorten vogels herkend.

Verspreiding[bewerken]

De roodbuikbuulbuul komt voor over het hele Indisch Subcontinent en ook ten noorden van de Himalaya in Tibet. In Zuidoost-Azië komt de soort voor in het zuiden van Myanmar en noorden van Thailand. Naar het oosten eindigt het natuurlijk verspreidingsgebied langs de zuidkust van China.

In de 19e eeuw werden buulbuuls in Brits-Indië veel als huisdier gehouden onder de lokale bevolking. De vogels zijn makkelijk te temmen en konden worden aangeleerd op een vinger te gaan zitten.

De soort is door mensen (vaak Indische arbeiders) geïntroduceerd op Hawaii, Fiji (rond 1903), in Dubai, op Samoa (1943) en in Nieuw-Zeeland. Ze heeft zich later zelf op de eilanden Tongatapu en Niuafo'ou in Tonga gevestigd. In Australië werd in 1917 geprobeerd de vogel in Melbourne uit te zetten, maar na 1942 zijn er in die omgeving geen waarnemingen meer gedaan. In al deze gebieden wordt de roodbuikbuulbuul als ongewenste nieuwkomer gezien, met name door fruittelers. In Auckland werd de soort met succes uitgeroeid nadat ze zich daar gevestigd had.

De roodbuikbuulbuul leeft in een habitat van open tropisch bos, droog struikgewas of tuinen en plantages. In dicht bos worden ze nauwelijks gezien.

De roodbuikbuulbuul heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op de status kwetsbaar (voor uitsterven) uiterst gering. De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd, maar gaat plaatselijk in aantal achteruit. Daarentegen zijn er ook plaatsen waar de vogel algemeen of zelfs talrijk is zoals in India en Hongkong. Om deze redenen staat deze buulbuul als niet bedreigd op de Rode Lijst van de IUCN.[1]

Levenswijze en ecologie[bewerken]

Nest van de roodbuikbuulbuul.

De roodbuikbuulbuul voedt zich met fruit, nectar, bloembladeren en insecten. In een aantal gevallen is waargenomen hoe de vogel een gekko (Hemidactylus flaviviridis) ving en opat. Onder de plantensoorten waarvan het dier de bladeren of bloembladeren eet zijn diverse soorten Magnolia en luzerne (Medicago sativa). Op Hawaii proberen natuurbeschermers met chemicaliën het dier van de bloemen van diverse zeldzame soorten orchideeën af te houden. De roodbuikbuulbuul is intelligent genoeg deze chemicaliën te leren herkennen.[3] Roodbuikbuulbuuls spelen een belangrijke rol bij de verspreiding van zaden van planten, zoals Carissa spinarum. Een andere reden waarom de vogel buiten het natuurlijk verspreidingsgebied als ongewenste nieuwkomer wordt beschouwd is dat hij de zaden van invasieve plantensoorten als de wisselbloem (Lantana camara) en Miconia calvescens verspreidt.

Voortplanting[bewerken]

Het broedseizoen is van juli tot september.[4] Het nest wordt meestal in lage bomen of struikgewas gebouwd, op een hoogte van 2 tot 3 meter. Soms worden de nesten in holle boomstammen, huizen of in een hol in de stootoever van een rivier gemaakt. Er zijn ook nesten aangetroffen op een drijvende mat waterhyacinten[5] en zelfs in een in gebruik zijnde bus.[6] Het nest is rond en opgebouwd uit twijgjes, maar ook ander materiaal kan gebruikt worden. De eieren zijn zachtroze van kleur, met donkerrode tot bruine vlekken die op de bredere kant van het ei een dichtere bedekking vormen. De jacobijnkoekoek is een broedparasiet van de roodbuikbuulbuul. De eigen eieren komen na ongeveer 14 dagen broeden uit.[7] Beide oudervogels helpen de jongen te voeden. De ouders eten het excrement van de jongen.

Op Oahu (Hawaii) heeft de introductie van buulbuuls (zowel roodbuikbuulbuuls als de verwante roodoorbuulbuuls) geleid tot een verandering in het voorkomen van de rupsen van de monarchvlinder (Danaus plexippus). De vogels eten vooral de rode rupsen, waardoor deze in de loop van 20 jaar vrijwel zijn verdwenen ten opzichte van witte exemplaren.

Taxonomie[bewerken]

Tekening[8] van de kruising (hybride) P. leucogenys x P. c. humayuni, vroeger onterecht als een ondersoort (P. c. magrathi) beschouwd.

De soort werd voor het eerst beschreven door Linnaeus in 1766. Sindsdien zijn verschillende ondersoorten herkend.

De typelocatie (Puducherry in het zuiden van India) werd vastgelegd door de Duitse ornitholoog Erwin Stresemann in 1952. De daar levende populatie wordt Pycnonotus cafer cafer genoemd. Verder naar het noorden, in de West-Ghats ten noorden van Ahmednagar, leeft de ondersoort P.c. pallidus, ten oosten daarvan, naar het zuiden tot ter hoogte van Godavari, de ondersoort P.c. saturatus. De laatste twee ondersoorten zijn verouderd.[9] In plaats daarvan worden in recente studies de ondersoort P.c. humayuni in de woestijnen van Sindh, Rajasthan en Gujarat, de ondersoort P.c. stanfordii voor het oosten van India en de ondersoort P.c. haemorrhousus op Sri Lanka herkend. P.c. haemorrhousus heeft een donkere mantel met dunne, matter gekleurde randen, terwijl P.c. humayuni juist lichter van kleur is. In het noordwesten van het Indisch Subcontinent leeft de ondersoort P.c. intermedius, van Kasjmir en Gilgit-Baltistan tot aan de Pakistaanse Salt Range en in het oosten in de Himalaya tot aan Kumaon. Deze ondersoort heeft een zwarte kleur op de kop en bovenkant van de borst, die met een schalig patroon overgaat in de lichter gekleurde buik. Verder naar het oosten in de Himalaya, van Nepal tot Arunachal Pradesh, komt de ondersoort P.c. bengalensis voor. Bij deze ondersoort mist het schalige patroon. In plaats daarvan heeft ze donkere strepen op de lichter gekleurde onderbuik. Het noorden van Thailand en zuiden van Myanmar vormt het verspreidingsgebied voor de ondersoort P.c. melanchinus.

De ondersoort P.c. humayuni kruist soms met de witwangbuulbuul (Pycnonotus leucogenys). De kruisingen hebben een lichtgekleurde wangvlek en gelige of rozige vlek onder de staart. Ze werden vroeger gezien als aparte ondersoort, P.c. magrathi. In het oosten van Myanmar komen natuurlijke kruisingen voor met de roetkopbuulbuul (Pycnonotus aurigaster).

De IOC World Bird List beschouwt de ondersoort P.c. chrysorrhoides uit Zuid-China als een ondersoort van de roetkopbuulbuul en de ondersoort P.c. pallidus staat niet meer op deze lijst.[10]

Bronnen en verwijzingen
  1. a b (en) Roodbuikbuulbuul op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. Kumar (2004)
  3. Cummings et al. (1994)
  4. Jerdon (1863)
  5. Sivasubramanian & Sundaramoorthy (1992)
  6. Urfi & Jethua (1998)
  7. Ali & Ripley (1996)
  8. Tekening door John Gerrard Keulemans, 1909
  9. Deze twee ondersoorten werden beschreven door Whistler & Kinnear (1932)
  10. (en) F. Gill, M. Wright D. & Donsker (2013) - IOC World Bird Names (version 3.3)
  • (en) Ali S. & Ripley, S.D.; 1996: Handbook of the birds of India and Pakistan. 6, (2nd ed.) Oxford University Press, pp. 85–92.
  • (en) Cummings, J.L.; Mason, J.R.; Otis, D.L.; Ohashi, J.E. & Davis T.J., 1994: Evaluation of methiocarb, ziram, and methyl anthranilate as bird repellents applied to Dendrobium orchids, Wildl.Soc. Bull. 22: 633–638.
  • (en) Jerdon, T.C.; 1863: The Bird of India, Volume 2. Part 1.. pp. 93–96.
  • (en) Kumar, A.; 2004: Acoustic communication in the Red-vented Bulbul Pycnonotus cafer, An. de Academia de Ciencias 76(2): 350–358.
  • (en) Rasmussen, P.C. & Anderton, J.C.; 2005: Birds of South Asia: The Ripley Guide. Smithsonian Institution and Lynx Edicions, pp. 338.
  • (en) Sivasubramanian, C. & Sundaramoorthy, T.; 1992: Additional nesting sites of Redvented Bulbul Pycnonotus cafer (Linn.), J. Bombay Nat. Hist. Soc. 89(2): 257.
  • (en) Stresemann, E.; 1952: On the birds collected by Pierre Poivre in Canton, Manila, India and Madagascar (1751–1756), Ibis 94(3): 499–523.
  • (en) Urfi, A. J. & Jethua, K.; 1998: Unusual nest location of Redvented Bulbul Pycnonotus cafer (Linn.), J. Bombay Nat. Hist. Soc. 95(1): 116.