Roofkunst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Roofkunst is cultuurgoed dat iemand zich onder oorlogsomstandigheden wederrechtelijk (in strijd met art. 56 van de Vredesconferentie van Den Haag) toeëigent. In actieve vorm kan men spreken van kunstroof.

Doel[bewerken]

Van 1945 tot 1955 in Moskou: Raffaels Sixtijnse Madonna uit de Galerij van Oude Meesters te Dresden

Deze roof heeft als doel de tegenstander te demoraliseren of zichzelf, een partij of de eigen staat te verrijken. Dikwijls is een georganiseerde kunstroof een uitdrukking van de staatsideologie. In oorlogsomstandigheden zijn kunstwerken veelal de materiële verliezer van het geweld. Zij worden al of niet systematisch vernield, beschadigd, geplunderd, gestolen, gevandaliseerd, en als oorlogsbuit (zogenoemde Beutekunst)door de overwinnaar meegenomen.

Geschiedenis van de roofkunst[bewerken]

De Griekse historicus Polybios signaleert dat toen de Romeinen in 212 v.Chr. Syracuse op Sicilië veroverden, zij alle kunstwerken roofden en naar Rome verscheepten. Daarbij was dit de eerste keer dat dit op zo'n grote schaal gebeurde. Polybios waarschuwende boodschap aan Rome klonk alzo: "Dergelijke rooftochten kweken alleen maar wrok".

Nog een voorbeeld van een belangrijke kunstroof is de befaamde Burgunderbeute of de Bourgondische buit. Het betreft een kwalitatief hoogstaande kunstverzameling die Karel de Stoute kort voor zijn dood te Nancy in 1477 aan de Zwitsers verloor. Deze kunstschat valt tegenwoordig te bewonderen in het Historisches Museum in Bern.

Tijdens het bombardement op Brussel door de legers van Lodewijk XIV in 1695 werden alle gebouwen op de Grote Markt vernield. Daarbij gingen vier monumentale werken van Rogier Van der Weyden voorstellende de gerechtigheidstaferelen in de raadszaal van het Brussels stadhuis voor immer verloren.

In de nasleep van de Franse Revolutie en de daarop volgende Napoleontische veldtochten werden in alle bezette gebieden kunstwerken geroofd en naar Frankrijk versleept. Zo vervoerden in 1794 na de inlijving van de Zuidelijke Nederlanden na de slag van Fleurus (26 juni 1794) Franse soldaten met paard en kar de centrale panelen van het Lam Gods naar Parijs. Meer dan tweehonderd schilderijen uit kerken en musea waaronder werk van Pieter Paul Rubens en Antoon Van Dyck verdwenen richting Parijs. Dit was geen alleenstaand geval want op basis van het zogenaamde 'droit de conquête', werden de veroverde gebieden dan ook grondig gestroopt door de Franse legertroepen en leden van de speciaal hiertoe opgerichte Agence de commerce et approvisionnement pour l'extraction en pays conquis des objets de science, arts et agriculture. Een geroofd werk van Rubens, met als titel Het visioen van Dominicus keerde nooit terug en bevindt zich nu in het Musée des Beaux-Arts van Lyon.

Gerenommeerde musea in Berlijn en Wenen verloren meesterwerken van Rafaël, Van Dijck, Holbein en Rembrandt. Het Vaticaans museum werd beroofd van de Laocoöngroep en de Apollo van Belvedère. De basiliek van de San Marco in Venetië werd ontdaan van haar bronzen paarden en vertrok richting Parijs.

Het was Napoleons bedoeling om onder leiding van Vivant Denon het Louvre te Parijs om te vormen tot een internationaal kunstencentrum. Ook werden de nationale archieven van de veroverde gebieden het object van roof zodat men voor het overdragen van eigendomstitels vanaf dan aangewezen was op het centraal samengestelde archief in Parijs. De bezette landen verloren door de archiefroof hun geheugen.

In 1781 eiste keizer Jozef II een werk van Caravaggio genoemd Madonna van de rozenkrans op. Het werk werd in 1620 door Rubens geschonken aan de Antwerpse Sint-Pauluskerk. Het bevindt zich momenteel in de collectie van het Kunsthistorisches Museum van Wenen.

In 1860 plunderden Franse en Britse troepen grondig het Oude Zomerpaleis in Peking. De bekendste kunstroof greep plaats door Lord Elgin met het weghakken van een deel van de friezen en de metopen van het Parthenon en ze te verschepen naar het Verenigd Koninkrijk. De sindsdien genoemde Elgin Marbles zijn nu te bewonderen in het British Museum te Londen.

In 1912 smokkelde de Duitse archeoloog Ludwig Borchardt de buste van koningin Nefertiti onrechtmatig het land uit. Hij misleidde de Egyptische autoriteiten door het beeld te catalogeren als een geschilderde plaasteren buste van een prinses. Het beeld bevindt zich tot op heden in een Berlijns museum.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog deden zowel de Sovjet-Unie als het Nationaal-Socialistische Duitsland (met name Hermann Göring), op grote schaal aan kunstroof. Alzo kwam de handelsvoorraad van de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker in mei 1940 in handen van de Duitse bezetter.

Uit Frankrijk verdwenen ongeveer 100.000 kunstwerken waarvan 60% na de oorlog werd teruggevonden. Daarvan kwam 75% terug naar de eigenaars. Op het spieraam van de doeken vond men stempels terug van de Feldpolizei Gruppe 540. Sommige schilderijen waren bestemd voor hoge SS-officieren of ministers zoals Joachim von Ribbentrop. De kunstcollectie van Edouard de Rothschild werd systematisch geplunderd op bevel van Göring. Deze verzameling topwerken van Westerse beeldende kunst zou zijn plaats vinden in het op te richten Führermuseum te Linz, de zogenoemde Linzer Sammlung. Een enorme kunstverzameling opgeslagen in de zoutmijnen van Altaussee en de kelders van het slot Neuschwanstein vond men bij toeval terug. Onder de 8000 teruggevonden kunstwerken bevond zich ook de in 1944 geroofde en twee ton zware marmeren sculptuur genoemd de Brugse Madonna met kind van Michelangelo.

Hermann Göring vulde zijn buitenhuis Carinhall vrij gulzig en onsystematisch met geroofde topstukken uit heel West-Europa waaronder zelfs een door Han van Meegeren vervalste Vermeer met als titel Christus met de overspelige vrouw.

Tijdens de Duitse bezetting van Europa was een speciaal daartoe opgezette rooforganisatie actief, de zogenoemde Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg onder bevel van de nazitheoreticus Alfred Rosenberg met als doel joodse bibliotheken en bibliotheken van de vrijmetselaars te plunderen en gedeeltelijk onder te brengen in een Frankforts Institut zur Erforschung der Judenfrage met als studieobject de joodse kwestie.

Ook de toenmalige USSR onder leiding van Stalin maakte zich op grote schaal schuldig aan kunstroof. De schitterende collecties expressionistische en kubistische kunst van ondernemers-verzamelaars als Sergei Sjtsjoekin en Ivan Morozov werden aangeslagen en belandden in het beste geval in de Hermitage te Sint-Petersburg of het Poesjkinmuseum te Moskou.[1] Kunst van nationaal belang werd ook tegen harde valuta verkocht aan buitenlanders om de staatskas te spekken. De speciaal daartoe opgezette organisatie Het antiquariaat verkocht werken van oude meesters als Titiaan, Rembrandt, Rubens en Frans Hals. Daarbij trad het Berlijnse veilighuis Lepke en de New Yorkse galerie Knoedler op als bemiddelaar.
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog startten de zogenoemde Russische Trofeeënbrigades de omvangrijkste systematisch opgezette roofoperatie aller tijden met de bedoeling in Moskou een Wereldmuseum op te richten. Daartoe werden met alle mogelijke vervoermiddelen ca 2,5 miljoen kunstwerken uit het overwonnen Duitsland naar Russische musea vervoerd. De bekendste trofeeën waren de gouden maskers uit Mykene, opgegraven door Heinrich Schliemann (de zogenoemde Schat van Priamus) en een omvangrijke prentenverzameling van oude meesters, de zogenoemde Koenigscollectie.

Kunstroof op grote schaal werd in 2003 gepleegd in het Nationaal Museum van Irak in Bagdad met de ontvreemding van 15 000 stukken. Ook werden onbewaakte archeologische sites in Irak en Afghanistan bezocht door dieven.

In februari 2011 ontvreemdden betogers in het Egyptisch Museum van Caïro tijdens de protesten tegen president Moebarak twee faraobeeldjes en plunderden er de giftshop. In het voorjaar 2011 werden historische sites en opslagplaatsen van opgravingen in Egypte aangevallen en leeggeroofd door georganiseerde gewapende bendes door afwezigheid van een aangepaste bewaking. De gespecialiseerde politiemacht is ondertussen volledig ontmanteld omdat zij met het Moebarak-regime werd vereenzelvigd.

Eind september 2011 werd het nationaal museum van Ivoorkust systematisch beroofd voor ruim 6,3 miljoen euro aan kunstwerken. Daarbij nam men de hele goudcollectie mee, waaronder kostbare 17e-eeuwse stukken.

Op 25 mei 2011 werd een belangrijke kunstcollectie uit de Oudheid, de Benghazischat geroofd uit een bankkluis in Benghazi. Deze collectie omvat 7700 antieke gouden, zilveren en bronzen Griekse en Romeinse munten, driehonderd juwelen en kleine standbeelden. De collectie kwam voort uit de tempel van Artemis in de stad Cyrene, destijds een grote Griekse nederzetting in Noord-Afrika. Tijdens de gevechten in Libië in 2011 werden een mozaïek en drie Romeinse vazen gestolen uit een musem in Susa.[2]

Gevolg van roofkunst[bewerken]

Ongewild wakkerde het georganiseerd roven van cultuurgoederen bij veroverde naties de vaderlandslievende gevoelens aan. De geroofde kunstwerken wezen de burgers op het belang van hun cultureel erfgoed. Toen een deel van de kunstwerken terugkeerden, kregen musea en archieven een nationale betekenis.

Commissie en gegevensbank Joodse geroofde kunst[bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog richtte men in de Verenigde Staten onder impuls van president Roosevelt een speciale sectie Monuments, Fine Arts and Archives (MFAA) op. Deze eenheid, bemand door kunstkenners, had als kerntaak bij het einde van de oorlog het opsporen en veiligstellen van de door de nazi's geroofde kunstwerken.

De MFAA vond in de Oostenrijkse zoutmijnen van Altaussee een kunstverzameling van 6500 kunstvoorwerpen terug. Daaronder bevond zich de Brugse Madonna van Michelangelo, het Gentse retabel Lam Gods, De astronoom en De schilderkunst van Johannes Vermeer. Deze werken maakten deel uit van de Linzer Sammlung.

Het Israel Museum in Jeruzalem bezit een database waar bezoekers de archieven kunnen raadplegen, in de hoop nog vermiste gestolen familiestukken alsnog terug te vinden.

In 1997 startte in Nederland de 'Commissie-Ekkart' met onderzoek naar in de Tweede Wereldoorlog geroofde kunstwerken van Joodse kunsthandelaren en particulieren. Siebe Weide, directeur van de Nederlandse Museumvereniging, kondigde begin januari 2009 aan dat alle 400 Nederlandse musea gaan meewerken aan een groot onderzoek naar hun kunstaankopen sinds 1933, dus vanaf de vervolging van de joden in nazi-Duitsland. De bedoeling is te achterhalen welke kunstwerken ooit in het bezit waren van joodse Nederlanders en als dusdanig onder de categorie roofkunst vallen. Het is een vier jaar durend project zodat alle verdachte kunstwerken aan de alsnog achterhaalbare rechtmatige eigenaar kunnen terugbezorgd worden. De kunstroof in Nederland voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was veel omvangrijker omdat volgens de Belgische expert Jacques Lust Nederlandse joodse antiquairs en verzamelaars enorm veel kunstschatten in hun bezit hadden.

In België werd rond 2000 de commissie Buysse opgericht die onderzoek deed naar een 5000 kunstwerken. De joodse gemeenschap kreeg alzo de kans een schadeclaim in te dienen. Er volgende een 5800 behandelde aanvragen. Begin 2009 is men die aanvragen aan het vergelijken met werken uit verschillende musea en bestudeert men, of er geen overlapping is.

Vanaf medio oktober 2010 staat er een database van 20 000 door nazi's gestolen kunstwerken online waarvan de helft werd terugbezorgd aan de rechtmatige eigenaars. Op de site staat een afbeelding van het kunstwerk samen met de gegevens van de eigenaar. Er staan 260 kunstverzamelingen en 259 eigenaars in de gegevensbank.[3]

Roofkunst in België[bewerken]

Er bestaan twee omvangrijke boekdelen die een inventaris weergeven van tijdens WOII verdwenen kunstwerken in België. Het ene deel bevat gegevens van vooral schilderijen uit privé-bezit die op Belgisch grondgebied werden verhandeld meestal onder dwang. Een deel ervan was bestemd voor Hitlers Linzer Sammlung. Het andere deel omschrijft geroofde kunstwerken uit Belgische musea. Begin 2011 dook na 70 jaar het verloren gewaande werk De Hertenjacht van Adam Pijnacker plots terug op omdat het voor verkoop werd aangeboden. Men ging ervan uit dat het werk vernietigd werd in de oorlogsjaren bij een bombardement van de Belgische ambassade in Berlijn.

In 1998 richtte de Belgische overheid de Cel Recuperatie Geroofde Goederen (tijdens WOII) op binnen de FOD Economie. Deze cel was de opvolger van de in 1946 opgerichte DER of de Dienst Economische Recuperatie. De Cel Recuperatie is gespecialiseerd in oorlogskunst die tussen 1933 en 1945 van eigenaar wisselde en mogelijk onrechtmatig door de bezetter werd verworven.

In 2009 claimde de erven van de joodse kunstverzamelaar Victor von Klemperer een schilderij van Oskar Kokoschka in bezit van het Gentse Museum voor Schone Kunsten, getiteld Portret van Ludwig Adler met als argument dat het in 1937 om een gedwongen verkoop zou gaan. Twee jaar later besliste het Gentse schepencollege na grondig onderzoek het werk niet terug te geven omdat het doek destijds door de eigenaar zonder dwang aan kunsthandelaar Herbert Kurz werd verkocht. Von Klemperers vrouw vond het ook maar een lelijk portret. De koper was niet betrokken bij de cultuurpolitiek van de nazi's. Het Gentse museum betaalde in 1987 achttien miljoen Belgische frank voor het portret.

Acties, claims en compromissen[bewerken]

In 1815 dienden, in uitvoering van het Verdrag van Parijs (1815), alle door Frankrijk geroofde kunstwerken, opgeslagen in het Louvre aan de rechtmatige eigenaars teruggegeven te worden. Conservator Denons zorgvuldig bij elkaar geroofde gigantische kunstverzameling werd ontmanteld. Het betrof 2065 schilderijen, 130 standbeelden, 289 bronzen voorwerpen en 2619 andere kunstvoorwerpen.

Begin oktober 2009 raakte bekend dat het Louvre onrechtmatig verkregen Egyptische artefacten gaat terugschenken op vraag van archeoloog Zahi Hawass. Het betreft vier stukjes van meer dan 3000 jaar oude fresco's. Hawass dringt ook aan op de teruggave van de steen van Rosetta (nu in Londen) en de buste van Nefertiti (nu in Berlijn).

Medio oktober 2009 raakte bekend dat de Chinese overheid een team van artefactenjagers naar een vijftigtal landen gaat sturen. Deze gespecialiseerde cellen zullen in musea, bibliotheken en private collecties gaan speuren op geroofd Chinees kunstbezit, onder meer uit het Oude Zomerpaleis te Peking.

Medio februari 2010 besliste een rechtbank in Pesaro tot teruggave aan Italië van een bronzen Grieks beeld genoemd De zegevierende jongeling, dat in 1977 voor 4 miljoen dollar wederrechtelijk verworven werd door het Getty Museum. Het beeld stelt een met een olijfkrans getooide overwinnaar van de Olympische Spelen voor van de hand van Lysippos vermoedelijk tussen de vierde en de tweede eeuw voor Christus.[4]

Eind januari 2010 claimden de erven van de familie Czernin het werk De schilderkunst van Johannes Vermeer dat sinds 1946 in het Kunsthistorisches Museum van Wenen hangt. De familie beweert dat het schilderij in 1940 onder dwang voor 1,65 miljoen Reichsmark door Adolf Hitler genaast werd. Hitler had er plannen mee voor zijn Führermuseum in Linz, de zogenoemde Linzer Sammlung. Men haalt aan dat de verkoop destijds onder dwang plaatsgreep omdat de eigenaar met een joodse getrouwd was. Medio maart 2011 kwam de Oostenrijkse Raad voor de teruggave van gestolen kunst tot het besluit dat de verkoop destijds rechtmatig verliep. Derhalve is een teruggave aan de erven van graaf Jaromir Czernin geen punt.

Op 3 februari 2010 werd in de Londense vestiging van Sotheby's een verloren gewaand schilderij van Gustav Klimt geveild. Het achterliggende verhaal staat model voor vele andere histories. Het werk, eens eigendom van een joodse familie uit Wenen, geroofd door de nazi's, op zijn beurt geroofd door de Russische bezetter, komt nu boven water na een claim van een Canadese erfgenaam met Oostenrijkse roots. Er is afgesproken dat de huidige eigenaars de geschatte opbrengst van 19 miljoen dollar delen met de rechthebbende.

In maart 2011 kreeg Peru honderden archeologische stukken terug van de door Hiram Bingham ontdekte Incastad Machu Picchu. De vondsten werden een kleine eeuw lang bewaard in de Yale-universiteit.

In april 2011 retourneerde het Museum der Moderne Salzburg het werk Litzlberg am Attersee van Gustav Klimt aan de kleinzoon van de vroegere rechtmatige eigenaar. Het doek werd destijds door de nazi's ontvreemd. Begin november 2011 werd het doek door Sotheby's geveild en bracht 40,4 miljoen dollar op.

Medio maart 2012 besliste het Federale Hof van Justitie te Karlsruhe dat het Deutsches Historisches Museum in Berlijn 4 259 posters van historische waarde moet retourneren aan Peter, de zoon van de vroegere eigenaar, Hans Sachs. De nazi's roofden de Sammlung Hans Sachs in 1938. Na een zeven jaar durend juridisch geschil besloot de rechtbank tot teruggave met het argument dat zolang het Berlijnse museum de stukken in haar bezit heeft, de wandaden van de nazi's voortduren.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Moskou opent de schatkamers van tsaristische textielbaronnen de Volkskrant, 12 juli 1996
  2. Antieke schat geroofd uit Lybische bank
  3. Register met 20 000 door nazi's gestolen kunstwerken online
  4. Getty Museum moet topstuk teruggeven De Standaard, 13 februari 2010

Literatuur[bewerken]

  • Peter Bruhn: Beutekunst - Trophy Art. Bibliography of the international literature on the fate of the cultural treasures displaced as trophies by the Red Army from Germany to the USSR in the result of World War II and situated now on the territory of the Russian Federation and other republics of the former Soviet Union. 4th edition. München: Sagner, 2003. ISBN 3-87690-835-3 / Ook online beschikbaar: bibliographical database
  • Pieter den Hollander: Roofkunst: de zaak-Goudstikker. Amsterdam: Meulenhoff, 2007. ISBN 9789029077897
  • Robert M. Edsel (en Bret Winner), De kunstbrigade. Hoe de geallieerden de Europese kunstschatten redden, Uitg. Spectrum, (oorspronkelijkte titel: The monuments men).