Rookmelder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rookmelder

Een rookmelder (soms brandmelder genoemd) is een apparaat dat alarm slaat na detectie van rookdeeltjes (aërosols), die kunnen wijzen op een (beginnende) brand. Een rookmelder kan een zelfstandig apparaat zijn, maar steeds vaker zijn rookmelders verbonden met een brandmeldinstallatie.

Soorten melders[bewerken]

Afhankelijk van de ruimte waarin een melder geplaatst wordt is een aantal verschillende typen melders beschikbaar.

Brandgasmelder[bewerken]

Een brandgasmelder beschikt over één of meerdere detectoren die bepaalde soorten moleculen kunnen detecteren. Meestal gaat het hierbij om koolstofmonoxide of koolstofdioxide detectoren omdat die bij brand in grote hoeveelheden vrijkomen. Dit type kan ook op stoffige en/of warme plaatsen worden gebruikt waar andere soorten melders niet of minder goed toepasbaar zijn. Nadeel van brandgasmelders is dat ze erg duur zijn. Bijkomend voordeel is dat ze ook alarm slaan bij slecht functionerende CV ketels en geisers. Soms spreekt men hier van gasmelders.

Hittemelder of thermische melder[bewerken]

Men onderscheidt twee typen:

  • Thermomaximaalmelders
  • Thermodifferentiaalmelders

Thermische maximaalmelders geven een alarm als de omgevingstemperatuur boven een vooraf ingestelde waarde komt. De grens ligt vaak rond 60°C omdat deze temperatuur onder normale omstandigheden meestal niet gehaald wordt en in geval van brand al spoedig overtroffen wordt.

Thermodifferentiaalmelders registreren ook de snelheid waarmee de temperatuur stijgt. Dit wordt elektronisch gemeten en als de temperatuur sneller stijgt dan geprogrammeerd is dat voor de melder een indicatie om in alarm te gaan.

Vanwege hun eenvoud zijn hittemelders goedkoop. Nadeel is dat ze relatief laat alarm slaan. dergelijke melders zijn ongeschikt voor een situatie waar een smeulbrand is te verwachten, zoals in een woonsituatie.

Optische rookmelder[bewerken]

Rookmelder volgens indirecte methode
1. Kamer
2. Afscherming
3. Behuizing
4. Fotodiode
5. Infrarode LED
De detectiekamer van een opengemaakte indirecte optische rookmelder.

Men onderscheidt twee typen:

  • De puntmelder (zie afbeelding)
  • De lijnmelder

Optische puntrookmelder[bewerken]

In een optische puntrookmelder bevindt zich een fotodiode en een lichtbron. Wanneer er rook bij komt, wordt het licht verstoord wat door de detector wordt gezien.
Bij de directe methode staan de lichtbron en de detector recht tegenover elkaar. Bij afwezigheid van rook kan het licht de fotodiode probleemloos bereiken. Als er rookdeeltjes aanwezig zijn tussen de lichtbron en de fotodiode zal de hoeveelheid opvallend licht verminderen en zal de melder alarm slaan.
De meeste rookmelders werken volgens de indirecte methode. Daarbij staan de lichtbron en de detector schuin tegenover elkaar. Bij rook weerkaatst het licht op de rook, waardoor er meer licht op de detector valt en deze alarm slaat. Een inwendig vervuilde rookmelder zal in beginsel steeds gevoeliger worden en in alarm gaan. Optische rookmelders zijn vereist - Bouwbesluit - onder andere in de vluchtroute van nieuwbouwwoningen.

Lijnmelder[bewerken]

De lijnmelder (ook wel beamdetector genoemd) bestaat uit een lichtbron met ontvanger in één behuizing en een reflector. Het licht wordt gestraald naar een reflector over een grote afstand en teruggekaatst naar de ontvanger. Het patroon en de intensiteit van dit teruggekaatste licht wordt vergeleken met het uitgezonden licht. Na analyse - verschil - wordt rook verondersteld als er significante verschillen zijn en wordt een melding veroorzaakt. Bij nagenoeg volledige blokkering van het licht door een obstakel zal de lijnmelder niet in alarm gaan. Dit type melder is vanwege lage aanleg en exploitatiekosten- ten opzichte van puntmelders - zeer geschikt voor bedrijfshallen en stallingen, gebouwen met lichtstraten etc. met grote afstanden en oppervlakten.

Ionisatie rookmelder[bewerken]

Een ionisatie rookmelder bevat een radioactieve bron (meestal radium-226 of americium-241) die continu alfadeeltjes uitstraalt. Deze alfadeeltjes passeren een ionisatieruimte waarover twee elektroden zijn aangebracht. Bij afwezigheid van rook zal er een stroom lopen tussen de elektroden. Wanneer er rookdeeltjes in de ionisatiekamer komen, worden de alfadeeltjes geblokkeerd en wordt de stroomkring onderbroken waarna de melder alarm slaat. Wegens milieuvoorschriften wordt aanbevolen een ionisatiemelder na 10 jaar te vervangen en naar de fabrikant terug te sturen of aan te bieden bij het klein chemisch afvalstation in uw gemeente voor een milieuvriendelijke verwerking. Weggooien van ionisatiemelders wordt - wegens de radioactieve bron - daarom ook afgeraden. Volgens de huidige Belgische en Nederlandse[1] wetgeving mogen ionisatierookmelders sinds 2002 niet meer verkocht worden aan particulieren. De wetgeving bepaalt dus dat er alleen nog optische rookdetectors gebruikt mogen worden. Een ionisatie rookmelder reageert bij een smeulbrand - typerend voor een beginnende brand in een woning - later dan een optische rookmelder. Er zijn meerdere praktijk gevallen bekend waarbij de ionisatiemelder geheel niet in alarm is gegaan bij een hevig rokende pittenzak in een magnetron, terwijl de woonkamer geheel was gevuld met rook.

Vlammenmelder[bewerken]

Een vlammenmelder (zie: vlamdetectie) maakt gebruik van de karakteristieke emissie van een vlam onder andere in het ultraviolette of infrarode gebied voor de detectie van vlammen. Om een onecht alarm als gevolg van bijvoorbeeld zonlicht of de flitser van een fototoestel te voorkomen, kunnen er extra detectoren aangebracht worden die gezamenlijk worden geëvalueerd.

Drukknopmelder[bewerken]

De drukknopmelder of handbrandmelder zoals deze in de betreffende norm (NEN 2535) heet is een melder die afgaat door het indrukken van een knop of een breekglaasje. Deze melder is niet automatisch en vereist menselijk handelen. Maar daarom is dit type nog niet altijd minder effectief. In een bemande omgeving zal een mens in de regel als eerste een brand waarnemen ten gevolge van ons gecombineerde waarnemingsvermogen (visueel, geluid en geur). Deze melders maken steeds deel uit van een brandmeldinstallatie.

Combinatiemelder[bewerken]

Van de hierboven genoemde modellen kunnen uiteraard combinaties worden gemaakt om bijvoorbeeld de reactiesnelheid te verhogen of het aantal valse alarmen te verminderen. In de meeste situaties is dat niet nodig en volstaat een enkel systeem.

Een rookmelder aan het plafond van een kamer in een appartement.
Een rookmelder aan het plafond van de Wilhelminazaal in Paleis Het Loo.
Een rookmelder voor de fresco's in de kathedraal van Solvychegodsk.

Plaatsing van melders[bewerken]

Rook is lichter dan lucht en zal een ruimte van boven naar onder vullen. Om de rook tijdig te ontdekken dient een rookmelder aan het plafond bevestigd te worden. Uitzondering hierop is een puntdak: in dit geval kan de rookmelder het beste 50 - 100 cm onder de nok bevestigd worden. Het aantal melders hangt af van de te bewaken oppervlakte en de hoogte van het plafond. Indien er gekozen wordt voor thermische melders zijn er meer detectiepunten nodig bij hetzelfde oppervlak als bij rookmelders.

Volgens de richtlijnen van het CFPA-Europe (Confederation of Fire Protection Association Europe) kan een koolmonoxidemelder op een willekeurige locatie en op een willekeurige hoogte gemonteerd worden, zolang het alarm hoorbaar is.[2] Koolmonoxide vermengt zich namelijk met de lucht. Het koppelen van de koolmonoxidemelder met de rookmelders wordt sterk aanbevolen.

Koolmonoxidevorming ontstaat door onvolledige verbranding van fossiele brandstoffen (hout, kolen, aardolie, aardgas, propaangas, butaangas, benzine en paraffineolie) door onder meer verwarmingstoestellen. De verbranding kan onvolledig zijn door een gebrek aan zuurstof in de ruimte. Hierdoor vormt zich koolmonoxide (CO). Reeds bij een lage concentratie aan CO in een ruimte, wordt de zuurstof in het bloed vervangen door CO, hetgeen kan leiden tot koolmonoxidevergiftiging. Elk toestel waarin verbranding plaatsvindt is een potentiële CO-bron. De meeste koolstofmonoxidevergiftigingen worden veroorzaakt door waterverwarmingstoestellen.[3]

Rookmelders verplicht[bewerken]

In het Verenigd Koninkrijk is in 1992 een wet ingevoerd die vereist dat in nieuw gebouwde woningen ten minste één rookmelder per verdieping aanwezig is. In 1987 was in ongeveer 9% van de huishoudens een rookmelder aanwezig. In 1998 was dat opgelopen tot 75% van de huishoudens. Het aantal doden als gevolg van brand is gedurende die periode afgenomen met 40%. In andere landen zijn vergelijkbare verbeteringen geboekt.

In Nederland worden rookmelders geregeld in het bouwbesluit. Volgens het bouwbesluit 2012 (artikel 6.21) dient onder andere een nieuwbouwwoning te zijn voorzien van rookmelders aangesloten op het lichtnet. Daarnaast wordt onder andere bovenstaande eis gesteld aan woningen om te voldoen aan het politiekeurmerk Veilig Wonen.

In Vlaanderen is sinds 2013 een decreet van kracht dat rookmelders in huurwoningen of huurappartementen verplicht stelt.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties