Ruggenmerg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ruggenmerg
Medulla spinalis
Dwarsdoorsnede van nekwervel
Dwarsdoorsnede van nekwervel
Synoniemen
Latijn Medulla spinae[1][2]

Medulla in spina[3][4]
Medulla dorsualis[1][3][2][5]
Medulla dorsalis[6][7][3]
Dorsi medulla[6]
Medulla vertebralis[2][5]
Medulla spondilium[8]
Cauda dorsalis[9]
Cauda cerebri[3][4]
Caudex spinae[9]
Caudex dorsalis[2][5]
Cerebrum longum[9][3][4]
Chorda spinalis[2][5]
Corda spinalis[1]
Funis argenteus[1][8][5][4]
Funis argenti[8]
Fistula sacra[1][4]
Myelus notiaeus[1][10]
Notyaeos myelos[6]
Notaeomyelos[11][12]
Notomyelos[11][1][12][13]
Notomyelus[10][5]
Myelus rhachites[1]
Myelos rhachites[13]
Rhachiomyelos[11][12][2]
Rhachites[11][1][10][12]
Rhachitis medulla[6]
Myelos[14][11][12]
Myelus[1][10][12]
Myelon[15][10][2][16][17][18]
Myelum[19][20][17][21]
Aeon[1]
Nucha[6][9][8][3][4]
Nuca[8]
Micha[4]

Oudgrieks Ῥαχίτης μύελος[8][22]

Ῥαχίτης[22]
Νωτιαῖος μύελος[8][22]
Νωτιαῖος[22]
Σφονδυλίων μυελός[22]
Αἰών[22]

Portaal  Portaalicoon   Biologie
Doorsnede van het ruggenmerg op verschillende posities. (C. = Cervicaal, Th. = Thoracaal, L. = Lumbaal, S = Sacraal, Coc. = Coccygeaal)

Het ruggenmerg[23] of de medulla spinalis[24] is bij gewervelde dieren het deel van het centrale zenuwstelsel, dat zich in een kanaal in de wervelkolom, namelijk het wervelkanaal, bevindt. Als dusdanig is het ruggenmerg bij volwassenen ongeveer 40 tot 45 cm lang met een doorsnede van ongeveer 1 cm.

Het ruggenmerg wordt tot het centrale zenuwstelsel gerekend omdat het naast zenuwbanen ook zenuwcellen bevat die al een deel van de signaalverwerking van de zintuigen en de uitgaande signalen naar de spieren voor hun rekening nemen. Zo lopen bijvoorbeeld de spierrekkingsreflexen zoals de kniepeesreflex over het ruggenmerg zonder tussenkomst vanuit de hersenen. Ook is het ruggenmerg net als de hersenen omgeven door de harde en zachte hersenvliezen.

Het ruggenmerg bevindt zich in de holte die wordt gevormd door de op een lijn liggende gaten in de wervels tussen de wervellichamen en de wervelboog. De wervels worden door sterke ligamenten en spieren op hun plaats gehouden en het ruggenmerg is dus meestal zeer goed beschermd.

Structuur[bewerken]

Aan de voor- en achterzijde heeft het ruggenmerg een inkeping, respectievelijk de fissura mediana anterior en de ondiepe sulcus medianus posterior. Verder is er onderscheid tussen een centraal gelegen H-vormige grijze stof en een daar rond gelegen witte stof.

Grijze stof[bewerken]

In het midden van het ruggenmerg is het centrale kanaal (canalis centralis) te zien. Dit kanaal is gevuld met hersenruggenmergvloeistof (liquor cerebrospinalis). Rond dit centrale kanaal bevindt zich een vlindervormige grijze stof. De grijze stof is te onderscheiden in twee stompe voorhoornen (cornu anterius, bij dieren cornu ventrale) met daarin het motorische gedeelte (voor beweging) en twee scherpe achterhoornen (cornu posterius, bij dieren cornu dorsale) met daarin gelegen het sensibele gedeelte (voor positie-, temperatuur-, vibratie- en pijnzin). De voor- en achterhoornen zijn met elkaar verbonden door het intermediaire gedeelte. De beide vleugels worden met elkaar door een dwarsverbinding verbonden, die voor of achter de canalis centralis ligt, respectievelijk de commissura grisea anterior en de commissura grisea posterior. De grijze kleur in dit deel van het ruggenmerg komt voort uit de ongemyeliniseerde cellichamen van de neuronen.

De achterhoorn wordt traditioneel ingedeeld in drie evenredige delen. Het eerste deel aan de rugzijde (dorsaal) heet de substantia gelatinosa van Rolando. Deze structuur bestaat uit kleine cellen en bevat maar weinig gemyeliniseerde vezels. In het middelste derde deel bevindt zich de nucleus proprius, met hierin middelgrote cellen en vrij veel gemyeliniseerde vezels. Het aan de buikzijde (ventraal) van de achterhoorn gelegen derde deel heeft geen eigen naam.

De voorhoorn van de grijze stof bevat de oorsprongsplaats van de motorische vezels.

Witte stof[bewerken]

Rond de grijze stof ligt een witte stof. Deze kan door de achter- en voorhoornen met hun respectievelijke binnenkomende en uittredende zenuwvezels ingedeeld worden in drie compartimenten. Deze compartimenten worden strengen of funiculi genoemd. Dit zijn de voor-, zij- en achterstreng (respectievelijk de funiculus anterior, de funiculus lateralis en de funiculus posterior). De zijstreng (= funiculus lateralis) kan nog ingedeeld worden in een funiculus dorsolateralis en een funiculus ventrolateralis.

De witte stof bestaat uit zenuwvezels die in bundels gegroepeerd liggen. De witte kleur is te wijten aan de myelineschede die rondom de axonen van de zenuwen gelegen is. Deze vezels kunnen ofwel uit de periferie stammen zowel als neuronen die synapsen vormen met ruggenmergneuronen die stijgen naar hoger gelegen hersendelen (stijgende sensibele bundels). Daarnaast kunnen de vezels in deze witte stof van hoger gelegen hersengebieden komen en naar het lichaam (dalende motorische bundels).

In de drie strengen van de witte stof bevinden zich zowel de opstijgende als de dalende vezels. De achterstreng bestaat voornamelijk uit primaire gevoelige zenuwvezels. De voorstreng en de zijstreng bevatten geen primaire gevoelige zenuwvezels, maar enkel vezels die ontspringen in de hersenen en dalen, of vezels die in het ruggenmerg ontspringen en stijgen.

Stijgende gevoelige banen[bewerken]

Deze stijgende bundels ondergaan een kruising zodanig dat informatie van de linker lichaamshelft terecht komt in de rechter hersenhelft en vice versa. Uiteindelijk komen deze impulsen terecht in de sensibele kernen van de hersenschors. Te onderscheiden zijn de:

  • Exteroceptieve bundels: de tractus spinothalamicus lateralis en de tractus spinothalamicus anterior staan respectievelijk in voor pijn- en temperatuurzin. Bij intrede in het ruggenmerg wordt de synaps gevormd met een volgend neuron. Dit tweede neuron kruist de middenlijn van het ruggenmerg op ongeveer dezelfde hoogte als de binnenkomst van het intredend neuron.
  • Proprioceptieve bundels: deze staan in voor de waarneming van de lichaamspositie in de driedimensionale ruimte (proprioceptie). De proprioceptoren zijn het golgipeeslichaam in gewrichtskapsels, pezen en spierspoelen in skeletspieren. De te onderscheiden bundels zijn de tractus spinocerebellaris anterior en de tractus spinocerebellaris posterior. Deze signalen worden ter hoogte van de medulla oblongata gekruist, evenals bij grove druk- en tastzin (= gnostische informatie)

Dalende motorische banen[bewerken]

Het piramidale systeem bestaat uit de gebieden van de hersenschors en de zenuwbanen, die zorgen voor bewuste spierbewegingen en fijne motoriek. Deze zenuwbanen vertrekken uit de hersenschors en verenigen zich in de tractus corticospinalis. Het grootste gedeelte van deze zenuwvezels van dit systeem kruisen in het verlengde merg. De uiteinden van de zenuwuitlopers zijn verbonden met motorische zenuwen in het ruggenmerg.

Het extrapiramidale systeem bestaat uit kernen in de grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam. De vezels die van deze kernen wegvoeren lopen naast de piramidebaan. Dit systeem is onbewust en speelt in op skeletspierbewegingen door lage motorische neuronen te activeren of inhiberen. Door deze beïnvloeding zorgt het extrapiramidale systeem voor het behoud van spierspanning en het soepel en coherent verloop van de werking van verscheidene spiergroepen.

  • Visceromotorische banen

Reflexbogen[bewerken]

Via de achterwortels komt sensibele informatie binnen van het lichaam en de organen. Deze binnenkomende signalen worden in het ruggenmerg doorgegeven aan motorische neuronen (zowel somato- als visceromotorische neuronen). Deze overdracht van sensibele informatie naar een motorisch neuron kan zowel direct (monosynaptisch) als indirect (polysynaptisch) gebeuren met één of meer interneuronen. Een dergelijke lus zorgt voor een reflex; dit is een onwillekeurige, typische reactie op een sensibele impuls.

Binnenkomende signalen via de achterwortels omvat:

  • proprioceptie: de positiezin van belendende lichaamsdelen. Proprioceptie verschaft het individu informatie over het eigen lichaam, zoals de stand, beweging en tonus van de ledematen, gewrichten en pezen, het gevoel van "zwaarte" in sommige lichaamsdelen, en vermoeidheid of alertheid van de spieren. Deze informatie komt uit golgipeeslichaampjes, gewrichtskapsels en spierspoelen;
  • exteroceptie: de waarneming van prikkels buiten het lichaam (bv. temperatuur en druk) en geschiedt door middel van huidreceptoren;
  • interoceptie: de informatie verkregen van de ingewanden.
1rightarrow blue.svg Zie ook reflexboog

Letsels van het ruggenmerg[bewerken]

De belangrijkste letsels van het ruggenmerg ontstaan bij verkeersongevallen, waarbij een aanzienlijk geweld op de wervelkolom inwerkt, en bijvoorbeeld ook bij duiken in onverwacht ondiep water. De gevolgen van een dergelijk ongeval zijn meestal zeer ernstig, aangezien een beschadigd ruggenmerg niet of nauwelijks geneest: meestal zal de patiënt onder het niveau waar hij of zij gewond geraakt is, blijvend verlamd zijn. Is deze zgn. dwarslaesie op een hoog niveau (hoog in de nek) ontstaan, dan is ook ademen niet meer mogelijk en zal de patiënt meestal op korte termijn overlijden. Bij een gerechtelijke executie door ophanging met een val aan de strop is de onderbreking van het ruggenmerg op hoog niveau (hangman's fracture) ook mede de doodsoorzaak.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. a b c d e f g h i j k Siebenhaar, F.J. (1850). Terminologisches Wörterbuch der medicinischen Wissenschaften. (Zweite Auflage). Leipzig: Arnoldische Buchhandlung.
  2. a b c d e f g Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  3. a b c d e f Hyrtl, J. (1880). Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart. Wien: Wilhelm Braumüller. K.K. Hof- und Unversitätsbuchhändler.
  4. a b c d e f g Fonahn, A. (1922). Arabic and Latin anatomical terminology. Chiefly from the Middle Ages. Kristiania: Jacob Dybwad.
  5. a b c d e f Dunglison, R. & Stedman, T.L. (1903). A dictionary of medical science. (23rd edition). Philadelphia/New York: Lea Brother & Co.
  6. a b c d e Castelli, B. & Ravenstein, A. (1665). Lexicon medicum Graeco-Latinum. Rotterdam: Arnold Leers.
  7. Castelli, B. & Bruno, J.P (1713). Lexicon medicum Graeco-Latinum. Leipzig: F. Thomas
  8. a b c d e f g Hyrtl, J. (1879). Das Arabische und Hebräische in der Anatomie. Wien: Wilhelm Braummüller. K.K. Hof- und Universitätsbuchhändler.
  9. a b c d Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  10. a b c d e Dunglison, R. (1856). ‘’Medical lexicon. A dictionary of medical science.’’ (13th edition).Philadelphia: Blanchard and Lea.
  11. a b c d e Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Dritte Auflage). Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  12. a b c d e f Probstmayr, W. (1863). Etymologisches Wörterbuch der Veterinär-Medicin und ihrer Hilfswissenschaften. München: Verlag Jul. Grubert.
  13. a b Gabler, E. & Winkler, T.C. (1881). Latijnsch-Hollandsch woordenboek over de geneeskunde en de natuurkundige wetenschappen. (Tweede druk). Leiden: A.W. Sijthoff.
  14. Kraus, L.A. (1826). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Zweite Auflage). Göttingen: Rudolph Deuerlich/Wien: Carl Gerold
  15. Owen, R (1846). Lectures on the comparative anatomy and physiology of the vertebrate animals, delivered at the Royal College of Surgeons of England in 1844 and 1846. Part I. Fishes. London: Longman, Brown, Green, and Longmans.
  16. Dorland, W.A.N. & Miller, E.C.L. (1948). The American illustrated medical dictionary. (21st edition). Philadelphia/London: W.B. Saunders Company.
  17. a b Haan, H.R.M. de & Dekker, W.A.L. (1955-1957). Groot woordenboek der geneeskunde. Encyclopaedia medica. Leiden: L. Stafleu.
  18. Taylor, E.J. (1997). Dorland’s illustrated medical dictionary (27th edition). Philadelphia/London/Toronto/Montreal/Sydney/Tokyo: W.B. Saunders Company.
  19. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  20. Pinkhof, H. (1935). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. (2de druk). Haarlem: De Erven F. Bohn.
  21. Schouten, G.J. (1963). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemse geneeskundige termen. (5de druk). Haarlem: De Erven F. Bohn.N.V.
  22. a b c d e f Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  23. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  24. Federative Committee on Anatomical Terminology (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme