Ruprecht I van Legnica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ruprecht I van Legnica (27 maart 1347 - 12 januari 1409) was de oudste zoon van Wenceslaus I van Legnica en van Anna van Teschen.

Ruperts vader overleed in 1364, waardoor Ruprecht en zijn zuster en broers onder de voogdij kwamen van hun oom Lodewijk I de Schone. Samen met zijn neef Hendrik met het Litteken, de zoon van Lodewijk, vergezelde hij een jaar later Karel IV op zijn reis naar Arles om daar tot koning te worden gekroond. Hij bezocht toen ook andere Franse steden, zoals Avignon, waar hij van paus Urbanus V de annulatie van de excommunicatie van zijn vader bekwam.

Het regentschap van Lodewijk I de Schone duurde tot in 1373, toen Ruprecht zelf over Legnica ging besturen. Niettegenstaande de betrokkenheid van zijn broer Wenceslaus II bij het bestuur, was het Ruprecht die het volle gezag uitoefende over het hertogdom, maar altijd in nauwe samenwerking met zijn oom. Ruprecht tekende met zijn twee jongere broers in 1372 een verdrag, waarin zij akkoord gingen om het hertogdom Legnica de komende tien jaar niet te verdelen. Het akkoord werd nadien verlengd, waardoor Ruprecht de volledige controle over Legnica kon behouden.

Later raakte Ruprecht betrokken in de opvolgingsproblemen in Silezië. In 1379 werd een verdrag gesloten tussen Ruprecht en koning Wenceslaus van Bohemen, waarin werd overeengekomen dat Ruprecht na zijn eerbetuiging als vazal aan Wenceslaus, de garantie van de koning kreeg dat hij het alleenbezit kreeg over alle nalatenschappen van de afstammelingen van Bolesław III de Verkwister. Ruprecht moest zijn aanspraken op de hertogdommen Wrocław, Świdnica en Jawor in 1383 echter afstaan. Na de dood van Hendrik VIII de Monnik, hertog van Głogów-Żagań in 1397, nam Ruprecht tot 1401 het regentschap op van diens minderjarige zoons.

Na de overlijdens van Lodewijk I de Schone (1398) en zijn zoon Hendrik VIII (1399), kwam Ruprecht aan het hoofd van de tak Legnica-Brieg van Silezië, waardoor hij de rol van bemiddelaar speelde in de geschillen tussen zijn Silezische verwanten, zoals in 1399 tussen de hertogen van Opole en de bisschop van Lubusz, Jan Borschnitzem, en in 1400, tussen de zoons van Hendrik VIII, die hun bezittingen wilden verdelen.

In de binnenlandse politiek waren de twee belangrijkste problemen, de betalingen van de schulden van zijn vader en grootvader (die ten slotte kwijtgescholden werden) en het vermijden van problemen met de kerk, dat ten slotte opgelost werd met de verkiezing van zijn jongere broer Wenceslaus II tot bisschop van Wrocław. Zoals zijn oom Lodewijk I, was Ruprecht een vrijgevig beschermer van de kunst.

Ruprecht huwde in 1372, met Hedwig (1350 – 27 maart 1390), dochter van Hendrik V de IJzeren, hertog van Żagań en weduwe van koning Casimir III van Polen. Zij hadden twee dochters:

  1. Barbara ( 1384 – Trebitz, 9 mei 1436), in 1396 gehuwd met Rudolf III, keurvorst van Saksen. Door dit huwelijk werd Ruprecht een rechtstreekse voorouder van de koningen van Denemarken en van het huis Gonzaga, de vorsten van Mantua en Monferrato.
  2. Agnes (- na 7 juli 1411), non in Wrocław.