Ruprecht van de Palts (1427-1480)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ruprecht van de Palts
Ruprecht von der Pfalz, Bischof von Köln.jpg
Aartsbisschop en Keurvorst van Keulen
Regeerperiode 1463 - 1480
Voorganger Diederik II van Moers
Opvolger Herman IV van Hessen
Huis Oude Keurlinie (Wittelsbach)
Vader Lodewijk III van de Palts
Moeder Mathilde van Savoye
Geboren 27 februari 1427
Gestorven 26 juli 1480
Burg Blankenstein
Religie Rooms-katholiek

Ruprecht van de Palts (27 februari 1427 - Burg Blankenstein, 26 juli 1480) was de jongste zoon van Lodewijk III van de Palts en Mathilde van Savoye. Ruprecht werd in 1463 tot aartsbisschop van Keulen verkozen, maar pas in augustus 1464 door de paus bevestigd. Korte tijd na zijn aantreden raakte de ongeduldige Ruprecht in onmin met zijn raadgevers en stortte hij zich in extra-politieke activiteiten. Hij slaagde er in om Soest, Xanten en Rees te heroveren. In 1471 voerde hij een belastingverhoging door en bezette hij de stad Zons als zekerheid. Dit leidde tot een onherstelbare breuk met het domkapittel, dat deze stad in pand gekregen had. Hij trachtte tevens de stadsprivileges in zijn bisdom af te bouwen, maar werd bij de belegering Neuss in 1474/75 verslagen. Hij werd militair gesteund door zijn broer Frederik I van de Palts en begon de Keulse bisdomsvete. Ruprecht riep daarbij de hulp in van Karel de Stoute , hertog van Bourgondië. De standen betuigden hem vervolgens niet langer hun steun en deden hun beklag bij de paus en de keizer. Zij riepen openlijk de steun in van kanunnik Herman van Hessen. Slechts enkele kleine heren en steden steunden Ruprecht nog. Keizer Frederik III trachtte in 1473 te bemiddelen in deze Keulse bisdomsvete, maar mislukte. Ruprecht zocht verdere toenadering tot zijn bondgenoten en duidde de hertog van Bourgondië aan als zijn zaakgelastigde.

Mettertijd werd de positie van de aartsbisschop echter zwakker, totdat hij tenslotte alleen nog door Kempen en Altenahr werd gesteund. In maart 1478 werd hij door Hessen gevangengenomen en vastgehouden op Burg Blankenstein bij Gladenbach . Hij mocht wel zijn titel van aartsbisschop houden, maar diende het aartsbisdom Keulen zelf af te staan. Hij stierf nog vóór de paus zijn ontslag had kunnen aanvaarden.

Ruprecht, die in 1468 tot bisschop gewijd werd, voerde een kloosterhervorming door in zijn bisdom. Zelf droeg hij weinig de mis op, maar liet wel dagelijks een mis voor hem lezen. In 1478 liet hij door zijn hulpbisschop Hendrik van Rübenach, in Büderich een bisdomsynode houden. In tegenstelling tot vele van zijn voorgangers, volgde hij de kerkbannen van de kerk op. De aartsbisschop was een verwoed jager en vogelvanger en wijdde veel tijd aan deze hobby's.