Rwandese genocide

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schedels van genocideslachtoffers in het herdenkingscentrum van Nyamata

De Rwandese genocide, ook wel Rwandese burgeroorlog, was een volkerenmoord die in 1994 plaatsvond in het Afrikaanse land Rwanda. Gedurende deze genocide werden naar schatting 500.000 tot 1 miljoen[1] Tutsi's en gematigde Hutu's in een periode van 100 dagen, van 6 april tot half juli 1994, vermoord. De meeste moorden werden gepleegd door twee extremistische Hutu-milities, de Interahamwe en de Impuzamugambi.

De internationale vredesmacht die in de regio gestationeerd was, UNAMIR, greep niet in vanwege het krappe mandaat van de troepen. Dit is de Verenigde Naties en vooral de leden van de Veiligheidsraad op veel kritiek komen te staan.

De genocide werd gestopt door de Tutsi-rebellenbeweging bekend als het Front Patriotique Rwandais (FPR), geleid door Paul Kagame. Na de overname van Rwanda door FPR werd Kagame president.

Achtergrond[bewerken]

Oorzaak[bewerken]

De oorzaak van de oorlog kan gevonden worden in de historische verhoudingen tussen de Hutu-meerderheid (90%) en de Tutsi-minderheid (9%)(de overige 1% komt van de Twa). Al in de vijftiende eeuw werd Rwanda geregeerd door een Tutsi koninklijke familie. Ook het grootste deel van de Rwandese adel bestond uit Tutsi's, al waren er ook aristocraten van Hutu-afkomst. De meeste Hutu's, maar ook veel Tutsi's, waren arme boeren.

In 1890 werd Rwanda samen met het naburige Burundi door Duitsland gekoloniseerd. De Duitse aanwezigheid was minimaal en er veranderde weinig. In 1918 werden Rwanda en Burundi overgedragen aan België nadat Duitsland de Eerste Wereldoorlog had verloren. De Belgen bemoeiden zich, in tegenstelling tot de Duitsers, actief met de kolonie. Om hun gezag te laten gelden voerden de Belgen een verdeel-en-heersstrategie. De Tutsi-minderheid werd omgevormd tot een exclusieve Tutsi-elite, die de arme Hutu-meerderheid, onder aanmoediging van het koloniale gezag, wreed onderdrukte. Bovendien kregen de verschillende etnische groepen een markering in hun identiteitsdocumenten. Het Belgische bestuur over Rwanda duurde tot 1 juli 1962, waarna Rwanda onafhankelijk werd. De Belgen lieten een gapende tegenstelling tussen de bevolkingsgroepen achter, die leidde tot sociale spanningen. In 1962 werd de Tutsi-elite door de Hutu's verdreven waarna die de macht overnamen. Kleine vergeldingsacties tegen achtergebleven Tutsi's vonden plaats in de jaren 60, 70 en 80. In 1990 viel het door Tutsi's geleide Front Patriotique Rwandais (FPR) Rwanda binnen met de bedoeling om zich er blijvend te vestigen. Dit leidde tot gevechten, maar met behulp van Zaïrese, Franse en Belgische troepen wist de regering van de Hutu Juvénal Habyarimana in het zadel te blijven.

Voorafgaand aan de genocide[bewerken]

Aan de volkerenmoord ging een goede voorbereiding vooraf: in de maanden voor de moord werden Hutu's via de Radio Télévision Libre des Mille Collines opgehitst tegen de "Tutsikakkerlakken". Ook zouden kapmessen zijn ingekocht waarmee de Tutsi's vermoord moesten worden. Hutu's stelden lijsten op met namen van Tutsi's en werden tot moorden gedwongen als ze niet meededen aan de genocide. Deze dwang werd uitgeoefend door gezinsleden van weigeraars te vermoorden of door te dreigen met moord. Hutu's die met een Tutsi waren getrouwd werden gedwongen om hun geliefden te vermoorden, wat velen onder dwang deden.

Moord op Habyarimana en begin van de genocide[bewerken]

President Habyarimana (1980)

Op 6 april 1994 werd een vliegtuig met daarin de Rwandese president Juvénal Habyarimana en de president van Burundi Cyprien Ntaryamira neergeschoten tijdens de voorbereiding om te landen in Kigali. Beide presidenten stierven toen het vliegtuig neerstortte. Beide presidenten hadden plaats moeten nemen in het toestel van Rwanda omdat het toestel van Burundi "toevallig" stuk was geraakt. Eigenaardig was het feit dat een Burundees reeds plaats nam in het Rwandees toestel alvorens het defect werd gemeld. Beide toestellen werden geschonken en onderhouden door de Franse Staat, die in 2009 nog steeds actief is in het onderzoek.

De werkelijke daders zijn niet bekend. Toentertijd was Habyarimana in gesprek met het FPR over het delen van de macht. Onderzoekers van de Verenigde Naties verdachten, in eerste instantie, dat Hutu-extremisten in Habyarimana's familiekring hem hadden vermoord, uit angst dat het FPR als gevolg van de gesprekken te veel macht zou krijgen.

Maar recente getuigenissen beweren dat de schuld ligt bij leden van de FPR, mogelijk met hulp van buitenlandse huurmoordenaars. In januari 2000 vertelden drie Tutsi-informanten de Verenigde Naties dat zij onderdeel uitmaakten van een eliteteam dat de aanslag op het leven van de Hutu-president had gepleegd. In 1997 vertelden zij onderzoekers van de VN dat de moord op Habyarimana was uitgevoerd met hulp van een buitenlandse regering onder commando van Paul Kagame. De reden hiervoor was de ontevredenheid over de langzame voortgang van gesprekken betreffende de Arusha-akkoorden.

Op 7 april 1994 gaf Roméo Dallaire, de leider van UNAMIR, opdracht aan tien Belgische VN-soldaten om de nieuwe president en voormalig minister-president, Agathe Uwilingiyimana, te beschermen. De soldaten werden echter onderschept en gegijzeld door Hutu-extremisten, waarna Madame Agathe en haar man werden vermoord. Later die dag werden de Belgische soldaten dood gevonden. België was zeer kwaad, omdat Dallaire zijn soldaten in gevaar had gebracht, en trok hierop zijn soldaten terug.

Rol van de internationale gemeenschap[bewerken]

Velen zien de Rwandese genocide als een belangrijke gebeurtenis in de recente geschiedenis. Enerzijds vanwege het grote aantal slachtoffers in zo'n korte tijd, maar ook vanwege de reactie van westerse landen. Hoewel deze landen op de hoogte waren, door spionage en de media, werd er niet ingegrepen.

De Verenigde Naties weigerden UNAMIR, de VN-vredesoperatie daar aanwezig, toestemming te geven om het moorden te stoppen. Ondanks meerdere waarschuwingen voorafgaande aan en gedurende het conflict van de Canadese luitenant-generaal Roméo Dallaire, was het de VN-soldaten niet toegestaan om offensieve acties te ondernemen. Zij mochten enkel hun wapens gebruiken als zij zelf onder vuur werden genomen.

Generaal Roméo Dallaire was nog geen drie maanden in Rwanda, toen hij zijn hoogste baas bij de Verenigde Naties, Kofi Annan, een spoedfax stuurde. Op dinsdag 11 januari 1994 meldde de Canadese bevelhebber dat hij enorme geheime wapenvoorraden had ontdekt die door de Rwandese regering werden aangelegd. Dallaire vroeg toestemming om de magazijnen te ontmantelen, omdat hij het ergste vreesde voor de kwetsbare vrede in het Centraal-Afrikaanse land. Kofi Annan weigerde om de magazijnen te ontmantelen en 3 maanden later sloegen de tienduizenden Hutu's met diezelfde wapens aan het moorden.

Na zijn terugkeer in Canada publiceerde generaal Dallaire zijn zeer kritisch relaas over de gebeurtenissen die hij van dichtbij meemaakte, waarin hij de onmacht van de VN hekelde, Shake Hands with the Devil [2]. Later werd dit relaas verfilmd door Peter Raymont [3].

Gevolgen[bewerken]

Situatie in Rwanda[bewerken]

Rwandees vluchtelingenkamp in Oost-Zaïre

De gevolgen van de genocide waren en zijn ingrijpend. Door de genocide ontstonden vluchtelingenstromen van Tutsi's die het land wilden ontvluchten. Het FPR lanceerde een offensief in Rwanda, waarbij de Hutu-regering werd afgezet. Dit leidde ertoe dat zeer veel Hutu's uit angst voor wraak van de Tutsi's op de vlucht sloegen. Veel van hen, waaronder ook genocidairs, kwamen in vluchtelingenkampen in het oosten van Zaïre (de huidige Democratische Republiek Congo) terecht, waar ze onder erbarmelijke omstandigheden leefden.

Het feit dat veel moordenaars profiteerden van noodhulp in de vluchtelingenkampen leidde tot een nieuw schandaal rond de VN-acties in Centraal-Afrika. Veel ngo's die hulp hadden verleend, waren verontwaardigd en de hulp in de kampen werd gestaakt, wat leidde tot een verslechtering van de leefomstandigheden aldaar.

De kampen waren ondertussen een bron van instabiliteit geworden in Oost-Zaïre, omdat Hutu's uit de kampen slaags raakten met lokale Tutsi's en Tutsi's van het FPR, die vanuit Rwanda Zaïre waren binnengevallen om de genocide te vergelden. De instabiliteit in Oost-Zaïre was de oorzaak van een ander Centraal-Afrikaans conflict: de Eerste Congolese Burgeroorlog.

Ook voor de achterblijvers waren de gevolgen ingrijpend. Veel mensen hadden familieleden verloren en het economische leven was tot stilstand gekomen. Inmiddels probeert Rwanda zich van de burgeroorlog te herstellen en in 1997 begon het Rwanda-tribunaal met het berechten van, voornamelijk hooggeplaatste, daders van de genocide.

Ook in Rwanda zelf zitten nog ongeveer honderdduizend Hutu's in de gevangenis. Het strafsysteem raakte volledig verstopt door de enorme hoeveelheid zaken. Een van de instrumenten om binnenslands tot strafvervolging te komen en het reguliere strafsysteem te ontlasten waren de zogeheten gacaca's. Gacaca betekent letterlijk gras, daar vroeger geschillenbeslechting door dorpsoudsten op het dorpsveld plaatsvond. Deze gacaca's waren in 2001 speciaal naar aanleiding van de genocide in het leven geroepen volksrechtbanken, verspreid over het land. Er zijn zo'n 12.000 gacaca's geweest. Hierin stonden twee miljoen mensen terecht, waarvan 65 procent schuldig werd bevonden. Sommigen kregen lange straffen. Dit systeem van volksrechtbanken is overigens zwaar bekritiseerd wegens intimidatie van getuigen, twijfel aan eerlijkheid van processen, het negeren van grondrechten als ne bis in idem, en het feit dat de rechters geen juristen waren. President Kagame heeft het systeem echter verdedigd met het argument dat het, hoewel niet perfect, het de enige mogelijkheid was het rechtvaardigheidsgevoel te bevredigen en verdere wraaknemingen en anarchie te voorkomen. Voor het laatst werd een gacaca gehouden in juni 2012.[4]

Strafvervolging[bewerken]

  • In december 2008 werd door het Rwanda-tribunaal (International Criminal Tribunal for Rwanda -ICTR) in Arusha, Tanzania, de op dat moment 54-jarige zanger Simon Bikindi veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens het aanzetten tot genocide bij de gebeurtenissen in 1994. Hij zou in een toespraak "direct en publiekelijk" hebben opgeroepen tot de Rwandese genocide van 1994 op Tutsi's en gematigde Hutu's. Hij werd echter vrijgesproken van vijf andere aanklachten: het plegen van genocide, deelname aan samenspanning tot genocide, medeplichtigheid aan genocide, moord en vervolging als misdaad tegen de menselijkheid. Hij zou niet daadwerkelijk hebben gemoord, maar zijn liederen zouden de met kapmessen uitgeruste Hutu-milities, de beruchte Interahamwe, hebben aangemoedigd tot doden en verkrachten. Hoofdaanklager Hassan Jallow van het VN-hof had levenslang geëist.
"U heeft misbruik gemaakt van uw status als bekende en populaire kunstenaar", verklaarde de Argentijnse VN-rechter Inés Weinberg de Roca tijdens de uitspraak.
Bikindi was de eerste zanger die voor volkerenmoord werd aangeklaagd wegens zijn muziek. "Bikindi's muziek werd gebruikt om jongeren te mobiliseren om zich aan te sluiten bij de moordmachine Interahamwe" (Hutu-milities), aldus Jallow bij de opening van het proces in 2006.
Twee van Bikindi’s liedjes werden aangemerkt als opzettelijk gemaakt met als doel de verspreiding van pro-Hutu-ideologie en anti-Tutsi-propaganda, waarmee werd opgeroepen tot etnische haat. Van drie aan Bikindi toegeschreven liedjes werd bewezen verklaard dat zij waren gebruikt in een campagne om haat jegens Tutsi's te promoten; de uitzending ervan op Radio Télévision Libre des Mille Collines in 1994 had een versterkend en opzwepend effect op de genocide.
Simon Bikindi was na zijn vlucht naar Europa in Leiden op 47-jarige leeftijd gearresteerd op 12 juli 2001. Daarbij zou hij volgens zijn Nederlandse advocaten Mr. R. Kamphuis en mr. G.G.J. Knoops door een zwaarbewapend arrestatieteam van straat zijn geplukt. Vervolgens werd aan hem wegens mogelijke eigen betrokkenheid bij mensenrechtenschending op grond van het bepaalde in art.1f Vv de vluchtelingstatus ontzegd.
Hij hield vol onschuldig te zijn: "Tijdens het bloedbad was ik helemaal niet in Rwanda, maar zat ik ondergedoken in België. Mijn eigen familie is zwaar getroffen door de ramp die Afrika toen trof. Een van mijn kinderen is vermoord, ik weet niet eens waar mijn vrouw op dit moment is. Ik heb nooit gewild dat mijn liederen de massa's tot moord zouden aanzetten."
Zijn advocaten raadpleegden als getuige de Nederlandse dominee Kees Overdulve. die met tussenpozen van 1961 tot 1994 in Rwanda woonde. De gewraakte liederen zou Simon Bikindi in 1986 en 1992 hebben geschreven, dus niet ten tijde van de gruwelijkheden.
Overdulve: "Ik heb zijn liederen geanalyseerd en kan niet anders dan concluderen dat er misbruik van is gemaakt. Bikindi zou een vijand van de Tutsi's zijn, maar dat is helemaal niet waar. Hij stelt in zijn chansons dat er vrije verkiezingen moeten komen en dat degene die democratisch wint, ook moet regeren. Of dat nou een Hutu of een Tutsi is. Je kunt overal passages uitpikken en die voor je eigen propaganda gebruiken."
Bikindi werd uiteindelijk na een vergeefs aangespannen kort geding om dit te beletten door de Nederlandse justitie uitgeleverd aan het ICTR, op 27 maart 2002 [5][6].
  • Later in december 2008 volgde ook de veroordeling van drie voormalige officieren van het Rwandese leger: Théoneste Bagosora, Aloys Ntabakuze en Anatole Nsengiyumva. Zij werden wegens hun rol bij de gebeurtenissen in 1994 schuldig bevonden aan genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, maar vrijgesproken op een groot aantal andere punten van de aanklachten, en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Een vierde verdachte, Gratien Kabiligi, werd vrijgesproken.
Volgens de Trial Chamber van het ICTR was Théoneste Bagosora, die de hoogste man was op het Rwandese ministerie van Defensie in de dagen na het overlijden van president Habyarimana op 6 april 1994, verantwoordelijk voor het doden van Agathe Uwilingiyimana op 7 april 1994 en van Joseph Kavaruganda, de voorzitter van het Constitutioneel Hof.
Théoneste Bagosora werd ook verantwoordelijk bevonden voor het georganiseerd doden van Tutsi's en gematigde Hutu's tussen 6 en 9 april 1994. Deze moorden werden gepleegd door de Interahamwe-militie en soldaten op zijn aanwijzingen. Deze werd ook schuldig bevonden aan het doden van tien militairen van de Belgische vredesmacht op 7 april 1994.
Kolonel Anatole Nsengiyumva was de voormalige commandant van de Operationele Sector Gisenyi (een gebied in Noordwest-Rwanda) en majoor Aloys Ntabakuze was de commandant van het paracommandobataljon ten tijde van de genocide in 1994 [7].
  • Op 23 maart 2009 werd in Nederland door de rechtbank Den Haag de 40-jarige Rwandees Joseph M. veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf wegens foltering (meermalen met de dood als gevolg) ten tijde van de genocide in Rwanda in 1994 (het zeer uitgebreide vonnis in deze strafzaak bevatte meer dan 1000 voetnoten).
  • In mei 2009 begon voor het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) in Arusha het proces tegen Dominique Ntawukuriryayo, de voormalige sub-préfet of Gisagara, die werd beschuldigd van genocide en medeplichtigheid bij genocide en het uitlokken ervan, wegens zijn acties in Butare in april-juli 1994. Hij bracht soldaten en gendarmes bijeen en voorzag hen van munitie met het doel Tutsi's in zijn prefectuur te doden. Hij zou ook hebben aangezet tot het doden van Tutsi's bij roadblocks na de dood van president Habyarimana, en ook openlijk burgers hebben opgeroepen Tutsi's uit te roeien. Volgens de tenlastelegging zou Ntawukuriryayo verantwoordelijk zijn voor de "Kabuye hill massacre", waarbij tussen 21 en 25 april 1994 ruim 25.000 burgers zouden zijn gedood.
Ntawukuriryayo was in 2007 in Frankrijk aangehouden op grond van een arrestatiebevel van het ICTR en in juni 2008 aan het strafhof overgedragen, nadat hij deze uitlevering vergeefs bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens had aangevochten [8].

Speelfilms[bewerken]

  • Hotel Rwanda; een film uit 2004, over de genocide, waarschijnlijk de bekendste.
  • Shooting Dogs; een film uit 2005, gebaseerd op de ervaringen van BBC-journalist David Belton tijdens de genocide.
  • Sometimes in April; een film uit 2005, die van dag tot dag de gebeurtenissen beschrijft aan de hand van het verhaal van 2 broers.
  • God Sleeps in Rwanda; een film uit 2005, gebaseerd op de ervaringen van vijf vrouwen die de genocide hebben meegemaakt.
  • Shake Hands with the Devil; een film uit 2007, verfilming van het gelijknamige boek van Roméo Dallaire.
  • Une dimanche a Kigali; een film uit 2006, de genocide uit het oogpunt van een verliefde Frans-Canadese journalist ten tijde van de rellen en erna.
  • Le jour où Dieu est parti en voyage; een film van Philippe van Leeuw uit 2009 met het verhaal van een tutsi vrouw, die haar twee jonge kinderen dood aantreft in haar huis, uit haar dorp verjaagd wordt en die daarna tijdens de genocide in het oerwoud probeert te overleven.
  • Imbabazi (The Pardon); een film uit 2013 van Joel Karakezi over de vergeving (Imbabazi) die 20 jaar na dato in Rwanda plaats vindt.

Literatuur[bewerken]

Externe link[bewerken]

  • Rwanda - Andere Tijden, 6 april 2004. Aflevering over de Rwandese genocide en bijbehorend dossier
Bronnen, noten en/of referenties
  1. BBC: "Rwanda: How the genocide happened" (geeft een schatting van 0,8 miljoen doden) en Africa Recovery, Vol.12 #1 (August 1998), page 4: "OAU sets inquiry into Rwanda genocide door Ernest Harsch (geeft een aantal van tussen de 0,5 en 1 miljoen doden)
  2. Roméo Dallaire & Brent Beardsley Shake hands with the devil: the failure of humanity in Rwanda, uitg. Random House Canada, Toronto (2003) ISBN 0-679-31171-8 en 978-0-679-31171-3
  3. Peter Raymont Shake hands with the devil - the journey of Roméo Dallaire (2005).
  4. Volksrechtbanken Rwanda klaar, NOS Nieuws, 19 juni 2012
  5. Charles Sanders Asielzoeker of oorlogsmisdadiger? in dagblad De Telegraaf 30 januari 2002.
  6. Former Rwandan singer found guilty of inciting genocide
  7. Genocide "mastermind" Bagosora gets life
  8. The Hague Justice Portal The trial of Dominique Ntawukuriryayo, accused of genocide in Rwanda in 1994, has begun before the International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR).