Rwandese genocide

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schedels van genocideslachtoffers in het herdenkingscentrum van Nyamata

De Rwandese genocide was een volkerenmoord die in 1994 plaatsvond in het Afrikaanse land Rwanda. Gedurende deze genocide werden naar schatting 500.000 tot 1 miljoen[1] Tutsi's en gematigde Hutu's in een periode van 100 dagen, van 6 april tot half juli 1994, vermoord. De meeste moorden werden gepleegd door twee extremistische Hutu-milities, de Interahamwe en de Impuzamugambi.

De internationale vredesmacht die in de regio gestationeerd was, UNAMIR, greep niet in vanwege het krappe mandaat van de troepen. Dit is de Verenigde Naties en vooral de leden van de Veiligheidsraad op veel kritiek komen te staan.

De genocide werd gestopt door de Tutsi-rebellenbeweging bekend als het Rwandees Patriottisch Front (RPF), geleid door Paul Kagame. Na de overwinning van het RPF werd Kagame vice-president en minister van defensie. Sinds 2000 is hij president van Rwanda.

Achtergrond[bewerken]

Oorzaak[bewerken]

De oorzaak van de genocide moet gezocht worden in de verhoudingen tussen de Hutu-meerderheid (85%) en de Tutsi-minderheid (14%)(de overige 1% komt van de Twa) die vooral in de koloniale tijd verstoord zijn geraakt, en bij de latere machthebbers die de tegenstellingen en sentimenten daarover hebben aangewakkerd. De Rwandese genocide is de som van decennia-lange processen van politieke legitimatie en besluitvorming, diepgewortelde opvattingen over etniciteit, een cultuur van sociale uitsluiting en straffeloosheid, en internationale tweeslachtigheid en hypocrisie.[2]

Pre-koloniale tijd[bewerken]

Het pre-koloniale Rwanda kan niet beschouwd worden als een hechte natie met Hutu - en Tutsi-identiteiten als maatschappelijke categorieen. Hoewel de koning op mythologische gronden gezag claimde over heel Rwanda en enkele aangrenzende gebieden, beperkte zijn macht zich hoofdzakelijk tot een streek in centraal Rwanda. De rest van het grondgebied bestond uit een bonte schakering chiefdoms en andere autonome gebieden, waar het gezag van de koning hooguit in naam bestond. De integratie van de verschillende etnische groepen was in de 19e eeuw ver doorgevoerd: ze spraken dezelfde taal, geloofden in dezelfde god, deelden dezelfde cultuur, woonden naast elkaar en deelden in veel gebieden de macht.[3] De bevolking identificeerde zich aan de hand van verwantschapsgroepen zoals Umuryango (nauw verwante familiegroepen) en clans. Clans bevatten Umuryango van verschillende etnische achtergronden. De clans werden bestuurd door Umuryango-chiefs, waarbij gezag eerder aan de machtigste Umuryango toeviel dan aan een etnische categorie.[4][5]

Tegen het einde van de 19e eeuw werd door koning Rwabugiri een poging gedaan het politieke systeem te centraliseren. Machtige Umuryango-chiefs werden vervangen. De nieuwe chiefs, allen afkomstig uit centraal Rwanda, werden aangesteld in een pyramidestructuur met afnemende bevoegdheid. Rwabugiri hervormde meteen het traditionele patronagesysteem. Van oorsprong bestond het patronagesysteem uit het gebruik van vee door een client (Ubuhake) waarvoor een tegenprestatie verschuldigd was, zoals militaire dienst. Onder Rwabugiri kwam er een clientschap voor land bij (Ubutaka) met als doel het leger te versterken. Ook werd een vorm van belasting in natura geintroduceerd die in latere periodes een belangrijke rol zou gaan spelen in de uitbuiting van Hutu's: Ubureetwa. Ubureetwa-prestaties bestonden uit het leveren van arbeid en consumptiegoederen.

Duitse periode (1890-1916)[bewerken]

In 1890 werd Rwanda samen met het naburige Burundi door Duitsland gekoloniseerd.[6] De Duitse aanwezigheid was aanvankelijk minimaal en er veranderde weinig. Rond de eeuwwisseling zorgde een reeks ingrijpende gebeurtenissen voor grote veranderingen. Na de dood van koning Rwabugiri in 1895 leidde een machtsstrijd over zijn opvolging tot politieke chaos in het land en er heerste een runderpestepidemie. Deze roerige periode werd beïnvloed door de gevolgen van de Europese machtsuitbreiding in Afrika. Zuid-west Rwanda kreeg invallen te verduren van rebellerende legereenheden uit Belgisch Congo en bleef enige tijd bezet.

Met de komst van de Duitsers probeerde een aantal ambitieuze chiefs te profiteren van het machtsvacuüm dat was ontstaan. Hun macht werd uitgebreid en het patronagesysteem kreeg meer en meer een exploitatiekarakter. Traditioneel landbezit werd door veel chiefs afgeschaft om meer clienten te werven. Daarnaast zagen deze chiefs hun kans schoon om hun kuddes weer op peil te brengen door het vee van de plaatselijke bevolking te confisqueren. De Duitsers zouden ook zelf regelmatig vee geroofd en opstanden neergeslagen hebben om machtige chiefs gunstig te stemmen. Plaatselijke onderdrukking maakte geen onderscheid tussen Tutsi's en Hutu's. De situatie culmineerde in een gezamenlijke opstand van Tutsi's, Hutu's en Twa's in noord Rwanda, onder leiding van Ndungutze, de kleinzoon van Rwabugiri, die afschaffing van de landprestaties beloofde. De Duitsers grepen hard in. Nadat de belangrijkste onafhankelijke Twa-chief overmeesterd was in 1911, wisten de Duitsers in april 1912 met een verrassingsaanval op het hoofdkwartier van Ndungutze de revolutie in de kiem te smoren.

Belgische overheersing (1916-1962)[bewerken]

Toen in 1916 de Belgen de Duitsers uit Rwanda verdreven troffen ze dus, zonder zich daarvan bewust te zijn, zeer recent ontstane verhoudingen aan. Het repressieve systeem, dat voor het gemak als traditioneel werd beschouwd, vormde een welkome gelegenheid voor het instellen van 'indirect rule' via de chiefs. Om de positie van de chiefs te versterken werd Ubureetwa geïnstitutionaliseerd. Alle Hutu's werden verplicht gesteld enkele dagen per week arbeid te verrichten voor hun chief. Gesteund door het koloniale bewind verwierven de chiefs een vrijwel ongelimiteerde macht over het volk, wat gepaard ging met misbruik en mishandeling van zowel Hutu's als Tutsi's. Hoewel het bewind zich officieel ten doel stelde de geconstateerde misstanden uit te bannen, selecteerden de Belgen de meest repressieve chiefs door het vervangen van 'inefficiënte' chiefs.

Individuele belasting werd enkele malen verhoogd en een belasting in natura werd ingesteld voor de voedselvoorziening van de Belgen. In de twintiger jaren werd aan deze lasten de Akazi toegevoegd, een vorm van dwangarbeid (Corvee) die al langere tijd in Belgisch Congo werd toegepast. Begin jaren '40 werd de druk nog verder opgevoerd om de oorlogsinspanningen te ondersteunen. Veehouders werden gedwongen vee te verkopen en ondanks een droogteperiode van twee jaar werden landbouwers gedwongen voedselproductie te verkopen. Het resultaat was een dramatische hongersnood, waarbij meer dan 300.000 mensen (15% van de toenmalige bevolking) het leven lieten.

België bestuurde Rwanda als een kolonie, maar officieel was het een protectoraat van de Verenigde Naties. Na de Tweede Wereldoorlog leidden kritische VN rapporten tot de afschaffing van Ubureetwa en Ubuhake, hoewel ze in de praktijk in een aangepaste vorm bleven bestaan.[7] De VN oefende ook kritiek uit op het gebrek aan mogelijkheden voor - vooral de Hutu-bevolking - om deel te nemen aan de politiek. In de jaren '50 bestond de invloed van de autochtone bevolking op het bestuur slechts uit adviesraden die bovendien voor meer dan 90% uit Tutsi's bestonden. De koning, Charles Mutara Rudahigwa, vertelde in een interview in 1955 dat de invloed van de VN geen rol van betekenis speelde in Rwanda: "België is de vader".[8]

Segregatie[bewerken]

De populaire voorstelling van het pre-koloniale Afrika was een in primitieve stammen georganiseerde samenleving met feodale structuren en een statische geschiedenis waarin historische Europese en Aziatische cultuur-concepten werden herkend.[9] De historische opvattingen over Rwanda waren in de koloniale tijd gebaseerd op interpretaties van ontdekkingsreizigers als John Hanning Speke en Henri Morton Stanley uit de 19e eeuw. Zij veronderstelden dat de Tutsi's van een 'blanke' Ethiopische oorsprong afstamden.[10][11] De missionarissen en kolonisten vonden daarin een reden hen een hogere intelligentie, cultuur en een aangeboren talent voor leiderschap toe te schrijven in vergelijking met de Hutu's, die onder het negroïde ras werden geclassificeerd en de Twa's die tot de pygmoïden werden gerekend.[12][13] Recent onderzoek suggereert echter dat Hutu's en Tutsi's sterker verwant zijn aan elkaar dan aan andere bevolkingsgroepen in Afrika.[14]

Discriminatie tussen Hutu's en Tutsi's als collectieve groepen kreeg nader vorm in het schoolsysteem. In 1928 vaardigde de katholieke bisschop Mgr. Classe richtlijnen uit die gebaseerd waren op de vermeende raciale verschillen tussen de groepen. Tutsi's moesten met aanvullende studieprogramma's opgeleid worden voor lagere leidinggevende en assisterende taken, terwijl de Hutu's, voorbestemd voor fysieke arbeid, daarvan werden uitgesloten. Het enige probleem voor de missionarissen en de overheid was te bepalen hoe de 'rassen' herkend moesten worden. De overheidsschool, de Groupe Scolaire, voerde in 1932 een minimum lengte in als toelatingseis, aangezien Hutu's geacht werden kleiner te zijn dan Tutsi's. Een definitieve scheiding vond plaats in de volkstelling van 1934-35.[15]

Het belangrijkste criterium om de 'rassen' in te delen was het veebezit. Personen of gezinnen met meer dan tien stuks vee werden onder de Tutsi's ingedeeld, een tot tien koeien maakte van iemand een Hutu en zonder veebezit werd men Twa. Door deze indeling werd de nieuwe Tutsi-klasse vooral gevuld met diegenen die zich tot dat moment hadden weten te verrijken aan het systeem. De term Tutsi werd daarmee synoniem voor overheersing en onderdrukking en de term Hutu voor diegenen die van de sociale en politieke ladders gevallen waren naar een inferieure status. Door het uiteenvallen van traditionele familie- en clanverbanden en het creëren van nieuwe sociale klassen zouden zich ook nieuwe vormen van loyaliteit ontwikkelen die hun neerslag vonden in de Hutu-beweging die verantwoordelijk was voor de revolutie van 1959 en de eerste golf van 'etnisch' geweld die het land zou teisteren.

De eerste en de tweede republiek (1962-1991)[bewerken]

Tussen 1958 en de onafhankelijkheid in 1962 ontketende een groep goed opgeleide Hutu's een sociale revolutie waarbij het koningshuis werd afgeschaft. Dat ging vergezeld van etnisch geweld tegen Tutsi's met enkele honderden doden en een vlucht van de voormalige elite als gevolg. Parlementsverkiezingen leverden een massale overwinning op voor Parmehutu, een radicale anti-Tutsi partij. Tussen 1961 en 1964 probeerde een groep Tutsi-vluchtelingen om via guerrilla-invallen terug te keren maar dat mislukte. De invallen leidden tot represailles tegen onschuldige Tutsi's in het land zelf. In 1962 werden meer dan 2.000 Tutsi's gedood; in 1963 nog eens meer dan 10.000. Tussen de 40 en 70 procent van de overlevende Tutsi's ontvluchtte in deze periode Rwanda.

Het geweld tegen Tutsi's kreeg een nieuwe impuls in 1973. Er vond een reeks etnische zuiveringen plaats in scholen, bedrijven en bij overheidsinstellingen. Huizen van Tutsi's werden platgebrand en honderden mensen kwamen om het leven. Opnieuw vluchtten veel Tutsi's naar het buitenland. De Hutu rivalen van president Kayibanda waren hun leven ook niet zeker. Eén van hen, minister van defensie Juvénal Habyarimana, nam in juli door middel van een coup de macht over. De afgezette machthebbers en hun belangrijkste vazallen verdwenen, of werden zonder vorm van proces op gruwelijke manieren vermoord. Kayibanda zelf kreeg wel een proces maar vond uiteindelijk de dood omdat hij in gevangenschap geen voedsel ontving. Volgens een regeringsverklaring in 1985 waren er 59 tegenstanders vermoord, maar volgens sommige schattingen waren het er rond de 700.[16][17]

Onder het regime van Habyarimana nam het geweld tegen Tutsi's af. Maar vluchtelingen en slachtoffers van de etnische zuiveringen kregen hun bezittingen, functies of studieplekken niet terug. Die waren al door Hutu's ingenomen. De belangrijkste aanstichters van het geweld in 1973, die twintig jaar later een hoofdrol zouden gaan spelen bij het ontketenen van de genocide, werden met rust gelaten. Habyarimana regeerde als een ouderwetse vorst. Rwanda werd officieel een éénpartij-staat. Migratie binnen het land werd strict gereguleerd en er kwam een nieuwe vorm van belasting in natura, Umuganda. Er werden quota ingesteld om officiële functies en studieplekken te verdelen, waarbij Tutsi's 9% kregen bedeeld. De rest ging in de praktijk vooral naar mensen die banden hadden met de clan van Habyarimana's familie uit het noorden. De maatregelen vergrootten tegenstellingen tussen Hutu's onderling, werkten corruptie in de hand en belemmerden de economische ontwikkeling. Nadat in 1980 een coup d'etat was voorkomen nam eind jaren tachtig de politieke onrust weer toe.[18]

Deling van de macht (1991-1994)[bewerken]

Onder druk van een slechte economie en de roep van donorlanden om meer democratie werd in 1991 een nieuwe grondwet ingevoerd die een meerpartijenstelsel mogelijk maakte. De nieuwe politieke situatie bracht vooral de tegenstellingen aan het licht tussen Hutu's uit het noorden van Rwanda, waar president Habyarimana vandaan kwam, en die uit het zuiden, waar de meeste aanhangers van zijn voorganger Kayibanda woonden. Over en weer vonden er aanslagen plaats. Een guerilla-oorlog met Tutsi-rebellen, het Rwandees Patriottisch Front(RPF), die een stuk land in het noorden wisten te veroveren, leidde tot een verdere afbrokkeling van Habyarimana's macht. Extremisten uit de directe omgeving van Habyarimana reageerden zich af op Tutsi-burgers. Een internationaal onderzoeksteam stelde vast dat massamoorden in 1990, '91 en in '92, waar voor het eerst jeugdmilities van regeringspartijen bij waren betrokken, aan zeker 2.000 slachtoffers het leven hadden gekost. In toenemende mate werden ook Hutu's van oppositiepartijen slachtoffer. Nog voor het rapport in 1993 werd gepubliceerd hadden milities in het noord-westen nog eens 330 mensen vermoord.[19][20]

In 1992 begonnen vredesonderhandelingen die in augustus 1993 werden afgerond met het Arusha vredesakkoord. Het vredesakkoord voorzag in een overgangsregering en het samenvoegen van de Tutsi-rebellen met het nationale leger. De afspraken zijn nooit geïmplementeerd en de partijen gebruikten de relatieve vrede - per dag werden in Kigali nog steeds gemiddeld vijf mensen vermoord - om zich te versterken.[21]

Voorafgaand aan de genocide[bewerken]

Het vluchtelingenprobleem[bewerken]

Door het geweld in 1959-1963 en 1973 en andere crises waren naar schatting 600.000 Tutsi's naar de omliggende landen gevlucht.[22] Zij werden niet overal met open armen ontvangen. In Oeganda vond er regelmatig en op grote schaal vervolging plaats. Begin jaren '80 kwam er een omgekeerde vluchtelingenstroom op gang vanuit Oeganda naar Rwanda, waar ze aan de grens in zwaar bewaakte kampen werden opgesloten. Een onbekend aantal van hen stierf als gevolg van ziekte en uitputting. Onderhandelingen met de regering van Habyarimana over een definitieve terugkeer van vluchtelingen leverden niks op.[23]

In 1990 viel vanuit Oeganda het door Tutsi-vluchtelingen geleide RPF Rwanda binnen met de bedoeling om zich er blijvend te vestigen. Dit leidde tot gevechten, maar met behulp van Zaïrese, Franse en Belgische troepen wist de regering van Habyarimana in het zadel te blijven. De oorlogshandelingen zorgden voor een binnenlandse vluchtelingenstroom. Bij onderzoek door lokale mensenrechtenorganisaties werden 100 burgerslachtoffers van het RPF geteld. Een offensief van het RPF in februari 1993 kostte aan nog eens 200 burgers het leven. Dit bracht opnieuw een vluchtelingenstroom op gang. Honderdduizenden mensen kwamen terecht in vluchtelingenkampen in de buurt van Kigali. Deze situatie voedde gevoelens van angst en onzekerheid onder de Hutu bevolking. Het kostte het RPF veel sympathie bij oppositiepartijen en was koren op de molen van de verspreiders van anti-Tutsi propaganda.

Propaganda[bewerken]

Propaganda was een belangrijk wapen in het grootschalige etnische geweld. De basis werd gevormd door een pro-Hutu/anti-Tutsi ideologie die al twee jaar vóór de revolutie van 1959 was neergelegd in een Hutu Manifest. Het was de neerslag van een doctrine die was afgeleid van koloniale opvattingen, waarin Tutsi's werden beschouwd als buitenlandse indringers die de 'autochtone' Hutu's hadden onderworpen. In 1963 en '64 zou president Kayibanda, een van de opstellers van het manifest, al gedreigd hebben met de totale uitroeiing van het Tutsi ras.[24] Eind 1990, twee maanden na de invasie van het RPF, publiceerde de krant Kangura de "Hutu Tien Geboden", een propagandastuk waarin elke Hutu die met een Tutsi trouwde of zaken deed werd bestempeld als een verrader. Gebod nr 8 luidde: "Hutu's moeten geen medelijden meer hebben met Tutsi's"[25]

In toespraken van extremisten op politieke en militaire bijeenkomsten werd regelmatig gezinspeeld op het uitroeien van de Tutsi's.[26][27] Burgers werd angst ingeboezemd met berichten in de pers en in een toespraak van Habyarimana over slachtpartijen onder Hutu's die na onderzoek verzonnen bleken te zijn. Soms werd propaganda kracht bijgezet met 'special effects', zoals een in scene gezette aanval op Kigali kort na de RPF-invasie van 1990. In werkelijkheid waren de rebellen al op 70 km van de hoofdstad tot staan gebracht en met behulp van buitenlandse troepen teruggedreven. Vanaf juli 1993 werden Hutu's verder opgehitst via de Radio Télévision Libre des Mille Collines(RTLM). RTLM noemde individuele Tutsi's en leden van de oppositie 'vijanden' of 'verraders' die de dood verdienden.[28] Het station was opgericht door leden van de extremistische partij CDR en zou gedurende de volkerenmoord een belangrijke bijdrage leveren aan het geweld. Een onderzoek van de Harvard universiteit heeft aangetoond dat in gebieden waar de radio-ontvangst het beste was, de meeste moorden werden gepleegd en dat daar relatief meer daders aan meewerkten.[29]

Waarschuwingen[bewerken]

Vanaf januari 1994 kwamen er waarschuwingen naar buiten die de ernst van de situatie duidelijk maakten. De Belgische ambassadeur in Kigali, Johan Swinnen, waarschuwde zijn regering in Brussel voor de haat die via RTLM werd verspreid. Dezelfde maand stuurde de commandant van de vredesmacht, generaal Dallaire, de eerste berichten aan het VN hoofdkwartier over geheime voorbereidingen voor volkerenmoord. Een informant vertelde Dallaire dat de milities in staat waren om in twintig minuten duizend mensen om te brengen en dat er plannen bestonden voor het vermoorden van Belgische blauwhelmen. De krant Kangura waarschuwde in verschillende uitgaven dat de moord op de president aanstaande was. Een paar dagen vóór het begin van de genocide voorspelde RTLM een nieuwe golf van geweld en op 4 april vertelde Colonel Bagosora, de belangrijkste leider van de extremisten, in het bijzijn van de VN officieren Dallaire en Marchal dat het voor de vrede noodzakelijk zou zijn om "hen" uit de weg te ruimen.[30]

Moord op Habyarimana en begin van de genocide[bewerken]

President Habyarimana (1980)

Op 6 april 1994 werd een vliegtuig met daarin de Rwandese president Juvénal Habyarimana en de president van Burundi Cyprien Ntaryamira neergeschoten tijdens de voorbereiding om te landen in Kigali. Beide presidenten stierven toen het vliegtuig neerstortte. Beide presidenten hadden plaats moeten nemen in het toestel van Rwanda omdat het toestel van Burundi "toevallig" stuk was geraakt. Eigenaardig was het feit dat een Burundees reeds plaats nam in het Rwandees toestel alvorens het defect werd gemeld. Beide toestellen werden geschonken en onderhouden door de Franse Staat.

De daders zijn niet met zekerheid bekend. Verschillende partijen hadden goede motieven en er zijn door de jaren heen verschillende rapporten uitgebracht van onderzoekscommissies die tot tegenovergestelde conclusies kwamen. Het laatste onderzoek dat is uitgevoerd was ook meteen het meest complete. De Franse onderzoeksrechters Marc Trévedic en Nathalie Poux lieten in 2010 ter plekke forensisch onderzoek uitvoeren en verzamelden verklaringen van getuigen die niet eerder waren verhoord. Hun onderzoek concludeerde dat de raketten waarmee het vliegtuig was neergeschoten moesten zijn afgevuurd vanuit het militaire kamp Kanombe, waar de presidentiële garde gelegerd was. Het motief van een coup d'etat door Hutu-extremisten lijkt daarmee de meest waarschijnlijke verklaring.[31]

Op 7 april 1994 gaf Roméo Dallaire, de leider van UNAMIR, opdracht aan tien Belgische VN-soldaten om de minister-president, Agathe Uwilingiyimana, te beschermen. De soldaten werden echter onderschept en gegijzeld door Hutu-extremisten, waarna Madame Agathe en haar man werden vermoord. Later die dag werden de Belgische soldaten dood gevonden. België was zeer kwaad, omdat Dallaire zijn soldaten in gevaar had gebracht, en trok hierop zijn soldaten terug.

Rol van de internationale gemeenschap[bewerken]

Velen zien de Rwandese genocide als een belangrijke gebeurtenis in de recente geschiedenis. Enerzijds vanwege het grote aantal slachtoffers in zo'n korte tijd, maar ook vanwege de reactie van westerse landen. Hoewel deze landen op de hoogte waren, door spionage en de media, werd er niet ingegrepen.

De Verenigde Naties weigerden UNAMIR, de VN-vredesoperatie daar aanwezig, toestemming te geven om het moorden te stoppen. Ondanks meerdere waarschuwingen voorafgaande aan en gedurende het conflict van de Canadese luitenant-generaal Roméo Dallaire, was het de VN-soldaten niet toegestaan om offensieve acties te ondernemen. Zij mochten enkel hun wapens gebruiken als zij zelf onder vuur werden genomen.

Generaal Roméo Dallaire was nog geen drie maanden in Rwanda, toen hij zijn hoogste baas bij de Verenigde Naties, Kofi Annan, een spoedfax stuurde. Op dinsdag 11 januari 1994 meldde de Canadese bevelhebber dat hij enorme geheime wapenvoorraden had ontdekt die door de Rwandese regering werden aangelegd. Dallaire vroeg toestemming om de magazijnen te ontmantelen, omdat hij het ergste vreesde voor de kwetsbare vrede in het Centraal-Afrikaanse land. Kofi Annan weigerde om de magazijnen te ontmantelen en 3 maanden later sloegen de tienduizenden Hutu's met diezelfde wapens aan het moorden.

Na zijn terugkeer in Canada publiceerde generaal Dallaire zijn zeer kritisch relaas over de gebeurtenissen die hij van dichtbij meemaakte, waarin hij de onmacht van de VN hekelde, Shake Hands with the Devil [32]. Later werd dit relaas verfilmd door Peter Raymont [33].

Gevolgen[bewerken]

Situatie in Rwanda[bewerken]

Rwandees vluchtelingenkamp in Oost-Zaïre

De gevolgen van de genocide waren en zijn ingrijpend. Door de genocide ontstonden vluchtelingenstromen van Tutsi's die het land wilden ontvluchten. Het FPR lanceerde een offensief in Rwanda, waarbij de Hutu-regering werd afgezet. Dit leidde ertoe dat zeer veel Hutu's uit angst voor wraak van de Tutsi's op de vlucht sloegen. Veel van hen, waaronder ook genocidairs, kwamen in vluchtelingenkampen in het oosten van Zaïre (de huidige Democratische Republiek Congo) terecht, waar ze onder erbarmelijke omstandigheden leefden.

Het feit dat veel moordenaars profiteerden van noodhulp in de vluchtelingenkampen leidde tot een nieuw schandaal rond de VN-acties in Centraal-Afrika. Veel ngo's die hulp hadden verleend, waren verontwaardigd en de hulp in de kampen werd gestaakt, wat leidde tot een verslechtering van de leefomstandigheden aldaar.

De kampen waren ondertussen een bron van instabiliteit geworden in Oost-Zaïre, omdat Hutu's uit de kampen slaags raakten met lokale Tutsi's en Tutsi's van het FPR, die vanuit Rwanda Zaïre waren binnengevallen om de genocide te vergelden. De instabiliteit in Oost-Zaïre was de oorzaak van een ander Centraal-Afrikaans conflict: de Eerste Congolese Burgeroorlog.

Ook voor de achterblijvers waren de gevolgen ingrijpend. Veel mensen hadden familieleden verloren en het economische leven was tot stilstand gekomen. Inmiddels probeert Rwanda zich van de burgeroorlog te herstellen en in 1997 begon het Rwanda-tribunaal met het berechten van, voornamelijk hooggeplaatste, daders van de genocide.

Ook in Rwanda zelf zitten nog ongeveer honderdduizend Hutu's in de gevangenis. Het strafsysteem raakte volledig verstopt door de enorme hoeveelheid zaken. Een van de instrumenten om binnenslands tot strafvervolging te komen en het reguliere strafsysteem te ontlasten waren de zogeheten gacaca's. Gacaca betekent letterlijk gras, daar vroeger geschillenbeslechting door dorpsoudsten op het dorpsveld plaatsvond. Deze gacaca's waren in 2001 speciaal naar aanleiding van de genocide in het leven geroepen volksrechtbanken, verspreid over het land. Er zijn zo'n 12.000 gacaca's geweest. Hierin stonden twee miljoen mensen terecht, waarvan 65 procent schuldig werd bevonden. Sommigen kregen lange straffen. Dit systeem van volksrechtbanken is overigens zwaar bekritiseerd wegens intimidatie van getuigen, twijfel aan eerlijkheid van processen, het negeren van grondrechten als ne bis in idem, en het feit dat de rechters geen juristen waren. President Kagame heeft het systeem echter verdedigd met het argument dat het, hoewel niet perfect, het de enige mogelijkheid was het rechtvaardigheidsgevoel te bevredigen en verdere wraaknemingen en anarchie te voorkomen. Voor het laatst werd een gacaca gehouden in juni 2012.[34]

Strafvervolging[bewerken]

  • In december 2008 werd door het Rwanda-tribunaal (International Criminal Tribunal for Rwanda -ICTR) in Arusha, Tanzania, de op dat moment 54-jarige zanger Simon Bikindi veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens het aanzetten tot genocide bij de gebeurtenissen in 1994. Hij zou in een toespraak vanuit een auto met een luidsprekersysteem in juni 1994 "direct en publiekelijk" hebben opgeroepen tot het uitroeien van de nog in leven zijnde Tutsi's.[35] Hij werd vrijgesproken van vijf andere aanklachten. Zijn liederen zouden de met kapmessen uitgeruste Hutu-milities hebben aangemoedigd tot doden en verkrachten maar deze aanklacht viel buiten de jurisdictie van het tribunaal. Hoofdaanklager Hassan Jallow van het VN-hof had levenslang geëist.
"U heeft misbruik gemaakt van uw status als bekende en populaire kunstenaar", verklaarde de Argentijnse VN-rechter Inés Weinberg de Roca tijdens de uitspraak.
Bikindi was de eerste zanger die voor volkerenmoord werd aangeklaagd wegens zijn muziek. "Bikindi's muziek werd gebruikt om jongeren te mobiliseren om zich aan te sluiten bij de moordmachine Interahamwe" (Hutu-milities), aldus Jallow bij de opening van het proces in 2006.
Twee van Bikindi’s liedjes, 'Nanga Abahutu' en 'Bene Sebahinzi' werden aangemerkt als opzettelijk gemaakt met als doel de verspreiding van pro-Hutu-ideologie en anti-Tutsi-propaganda, waarmee werd opgeroepen tot etnische haat. Van drie door Bikindi geschreven liedjes werd bewezen verklaard dat zij waren gebruikt in een campagne om haat jegens Tutsi's te promoten; de uitzending ervan op Radio Télévision Libre des Mille Collines, waarvan Bikindi een van de oorspronkelijke 50 aandeelhouders was, had in 1994 een versterkend en opzwepend effect op de genocide. Omdat Bikindi 'Nanga Abahutu' en 'Bene Sebahinzi' in 1993 heeft geschreven en opgenomen kon hij daarvoor niet veroordeeld worden, aangezien de jurisdictie van het ICTR was beperkt tot misdaden begaan in 1994.
Simon Bikindi was na zijn vlucht naar Europa in Leiden op 47-jarige leeftijd gearresteerd op 12 juli 2001. Daarbij zou hij volgens zijn Nederlandse advocaten Mr. R. Kamphuis en mr. G.G.J. Knoops door een zwaarbewapend arrestatieteam van straat zijn geplukt. Vervolgens werd aan hem wegens mogelijke eigen betrokkenheid bij mensenrechtenschending op grond van het bepaalde in art.1f Vv de vluchtelingstatus ontzegd.
Bikindi werd uiteindelijk na een vergeefs aangespannen kort geding om dit te beletten door de Nederlandse justitie uitgeleverd aan het ICTR, op 27 maart 2002 [36][37].
  • Later in december 2008 volgde ook de veroordeling van drie voormalige officieren van het Rwandese leger: Théoneste Bagosora, Aloys Ntabakuze en Anatole Nsengiyumva. Zij werden wegens hun rol bij de gebeurtenissen in 1994 schuldig bevonden aan genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, maar vrijgesproken op een groot aantal andere punten van de aanklachten, en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Een vierde verdachte, Gratien Kabiligi, werd vrijgesproken.
Volgens de Trial Chamber van het ICTR was Théoneste Bagosora, die de hoogste man was op het Rwandese ministerie van Defensie in de dagen na het overlijden van president Habyarimana op 6 april 1994, verantwoordelijk voor het doden van Agathe Uwilingiyimana op 7 april 1994 en van Joseph Kavaruganda, de voorzitter van het Constitutioneel Hof.
Théoneste Bagosora werd ook verantwoordelijk bevonden voor het georganiseerd doden van Tutsi's en gematigde Hutu's tussen 6 en 9 april 1994. Deze moorden werden gepleegd door de Interahamwe-militie en soldaten op zijn aanwijzingen. Deze werd ook schuldig bevonden aan het doden van tien militairen van de Belgische vredesmacht op 7 april 1994.
Kolonel Anatole Nsengiyumva was de voormalige commandant van de Operationele Sector Gisenyi (een gebied in Noordwest-Rwanda) en majoor Aloys Ntabakuze was de commandant van het paracommandobataljon ten tijde van de genocide in 1994 [38].
  • Op 23 maart 2009 werd in Nederland door de rechtbank Den Haag de 40-jarige Rwandees Joseph M. veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf wegens foltering (meermalen met de dood als gevolg) ten tijde van de genocide in Rwanda in 1994 (het zeer uitgebreide vonnis in deze strafzaak bevatte meer dan 1000 voetnoten).
  • In mei 2009 begon voor het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) in Arusha het proces tegen Dominique Ntawukuriryayo, de voormalige sub-préfet of Gisagara, die werd beschuldigd van genocide en medeplichtigheid bij genocide en het uitlokken ervan, wegens zijn acties in Butare in april-juli 1994. Hij bracht soldaten en gendarmes bijeen en voorzag hen van munitie met het doel Tutsi's in zijn prefectuur te doden. Hij zou ook hebben aangezet tot het doden van Tutsi's bij roadblocks na de dood van president Habyarimana, en ook openlijk burgers hebben opgeroepen Tutsi's uit te roeien. Volgens de tenlastelegging zou Ntawukuriryayo verantwoordelijk zijn voor de "Kabuye hill massacre", waarbij tussen 21 en 25 april 1994 ruim 25.000 burgers zouden zijn gedood.
Ntawukuriryayo was in 2007 in Frankrijk aangehouden op grond van een arrestatiebevel van het ICTR en in juni 2008 aan het strafhof overgedragen, nadat hij deze uitlevering vergeefs bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens had aangevochten [39].

Speelfilms[bewerken]

  • Hotel Rwanda; een film uit 2004, over de genocide, waarschijnlijk de bekendste.
  • Shooting Dogs; een film uit 2005, gebaseerd op de ervaringen van BBC-journalist David Belton tijdens de genocide.
  • Sometimes in April; een film uit 2005, die van dag tot dag de gebeurtenissen beschrijft aan de hand van het verhaal van 2 broers.
  • God Sleeps in Rwanda; een film uit 2005, gebaseerd op de ervaringen van vijf vrouwen die de genocide hebben meegemaakt.
  • Shake Hands with the Devil; een film uit 2007, verfilming van het gelijknamige boek van Roméo Dallaire.
  • Une dimanche a Kigali; een film uit 2006, de genocide uit het oogpunt van een verliefde Frans-Canadese journalist ten tijde van de rellen en erna.
  • Le jour où Dieu est parti en voyage; een film van Philippe van Leeuw uit 2009 met het verhaal van een tutsi vrouw, die haar twee jonge kinderen dood aantreft in haar huis, uit haar dorp verjaagd wordt en die daarna tijdens de genocide in het oerwoud probeert te overleven.
  • Imbabazi (The Pardon); een film uit 2013 van Joel Karakezi over de vergeving (Imbabazi) die 20 jaar na dato in Rwanda plaats vindt.

Literatuur[bewerken]

Externe link[bewerken]

  • Rwanda - Andere Tijden, 6 april 2004. Aflevering over de Rwandese genocide en bijbehorend dossier
Bronnen, noten en/of referenties
  1. BBC: "Rwanda: How the genocide happened" (geeft een schatting van 0,8 miljoen doden) en Africa Recovery, Vol.12 #1 (August 1998), page 4: "OAU sets inquiry into Rwanda genocide door Ernest Harsch (geeft een aantal van tussen de 0,5 en 1 miljoen doden)
  2. P. Uvin Reading the Rwandan Genocide, in: "International Studies Review", Jaargang 3, Nr. 3., p. 75-99, uitg. Wiley-Blackwell, New Jersey (2001). http://links.jstor.org/sici?sici=1521-9488%28200123%293%3A3%3C75%3ARTRG%3E2.0.CO%3B2-P
  3. P. Uvin Ethnicity and Power in Burundi and Rwanda: Different Paths to Mass Violence, in "Comparative Politics", Jaargang 31, Nr. 3, p. 253-271, uitg. City University of New York (1999) http://www.jstor.org/stable/422339
  4. C. Newbury The Cohesion of Oppression, clientship and ethnicity in Rwanda 1860-1960, 293 p., uitg. Columbia University Press (1988) ISBN 0-231-06256-7
  5. D. Newbury Kings and Clans, Ijwi Island and the Kivu Rift 1780-1840, H.st. 4, uitg. The University of Wisconsin Press (1991) ISBN 0-299-12890-3
  6. H. L. Wesseling Verdeel en Heers, de deling van Afrika 1880-1914, p. 199, uitg. Bert Bakker, Amsterdam (1992) ISBN 90-351-2880-X
  7. F. Reyntjens Pouvoir et droit au Rwanda, Droit public et évolution politique, 1916-1973, p. 207, uitg. Tervuren: Musée Royal de l’Afrique Centrale (1985)
  8. J. Gunther Inside Africa, p. 675, uitg. Hamish Hamilton, London (1955)
  9. B. Davidson The Black Man's Burden, Africa and the Curse of the Nation-State, 342 p., uitg. James Curry Ltd. London (1992) ISBN 0-85255-700-0
  10. J.H. Speke Journal of the Discovery of the Source of the Nile, H.st. IX p. 244, uitg. Harper & Brothers, New York (1864) https://archive.org/stream/journaldiscover02spekgoog#page/n6/mode/2up
  11. H.M. Stanley Afrika. Door het Zwarte Werelddeel, tweede deel, p. 451-470, uitg. Gebr. E. en M. Cohen, Arnhem-Nijmegen (1891)
  12. J. Sassen, red. De Katholieke Encyclopaedie, onder: "Afrika", p. 518-547, uitg. Joost v.d. Vondel Uitgeversmij, Amsterdam (1933)
  13. J.J. Maquet The Premise of Inequality in Ruanda, 185 p., uitg. Oxford University Press (1962) ISBN 978-0-19-823168-4
  14. M.C. Campbell­, S.A. Tishkoff African Genetic Diversity: Implications for Human Demographic History, Modern Human Origins, and Complex Disease Mapping, in: "Annual Review of Genomics and Human Genetics", Vol. 9 (Volume publication date September 2008)(doi:10.1146/annurev.genom.9.081307.164258)http://www.sciencemag.org/content/suppl/2009/04/30/1172257.DC1/Tishkoff.SOM.pdf
  15. C. Muyombano Die historischen Ursachen Des Bürgerkrieges, 101 p., uitg. Verlag S. Naglschmid, Stuttgart (1995) ISBN 978-3927913868
  16. T. Gatwa The Churches and Ethnic Ideology in the Rwandan Crises 1900-1994, voetnoot p. 58, uitg. Regnum Books Int., Milton Keynes (2005) ISBN: 1-870345-24-X
  17. L. Melvern Conspiracy To Murder, The Rwandan Genocide, p. 11, uitg. Verso, London-New York (2004) ISBN: 1-85984-588-6
  18. P. Verwimp The one who refuses to work is harmful to society, 31 p., uitg. Yale University, New Haven (2006) http://www.yale.edu/gsp/publications/Habyarimana.pdf
  19. FIDH/UIDH/Africa Watch/CIDPDD/ICHRDD Report of the International Commission of Investigation of Human Rights Violations in Rwanda (1993) http://www.hrw.org/sites/default/files/reports/intlhrviolations393.pdf
  20. Africa Watch Committee Beyond the Rhetoric. Continuing Human Rights Abuses in Rwanda Publications Jg. 5, Nr. 7, 28 p. (1993) http://www.hrw.org/sites/default/files/reports/RWANDA936.PDF
  21. A. des Forges Leave none to tell the story. Genocide in Rwanda, uitg. Human Rights Watch, New York-Washington-London-Brussel (1999) ISBN: 1-56432-171-1, pdf-versie, 1188 p. http://www.hrw.org/reports/pdfs/r/rwanda/rwanda993.pdf
  22. F. Reyntjens Danse Macabre, Rwanda en Burundi, tussen haat en hoop, p. 156, uitg. Icarus, Antwerpen (1996) ISBN 90-02-20453-1
  23. O. Otunnu Rwandese Refugees and Immigrants in Uganda, in: H. Adelman en A. Suhrke (red.) "The Path of a Genocide", p. 3-30, uitg. Transaction Publishers, New Brunswick, New Jersey (1999) ISBN 91-7106-432-X
  24. L. Melvern (2004), p. 9
  25. ICTR Prosecutor v. Nahimana et al., Case No. ICTR-99-52-T, Judgment (Dec. 3, 2003) http://www.unictr.org/en/cases/ictr-99-52
  26. G. Prunier The Rwanda Crisis, 1959-1994: History of a Genocide, p. 171-172, uitg. C. Hurst & Co., (1995) ISBN 1-85065-243-3
  27. A. des Forges (1999), p. 103, 121-122
  28. F. Chalk Hate Radio in Rwanda, in: H. Adelman en A. Suhrke (red.) "The Path of a Genocide", p. 97, uitg. Transaction Publishers, New Brunswick, New Jersey (1999) ISBN 91-7106-432-X
  29. D. Yanagizawa-Drott Propaganda and Conflict: Evidence from the Rwandan Genocide, 36 p., uitg. Harvard University, Cambridge, (2014) http://www.hks.harvard.edu/fs/dyanagi/Research/RwandaDYD.pdf
  30. L. Melvern (2004) p. 126
  31. L. Melvern Rwanda: at last we know the truth in: The Guardian, 10 Januari 2012. http://www.theguardian.com/commentisfree/2012/jan/10/rwanda-at-last-we-know-truth
  32. Roméo Dallaire & Brent Beardsley Shake hands with the devil: the failure of humanity in Rwanda, uitg. Random House Canada, Toronto (2003) ISBN 0-679-31171-8 en 978-0-679-31171-3
  33. Peter Raymont Shake hands with the devil - the journey of Roméo Dallaire (2005).
  34. Volksrechtbanken Rwanda klaar, NOS Nieuws, 19 juni 2012
  35. S. Benesch The ICTR's prosecution of a Pop Star: The Bikindi Case, in: "African Yearbook of International Law" pp. 447-461, uitg. Koninklijke Brill NV, Leiden (2012) ISBN 978-90-04-22697-5
  36. Charles Sanders Asielzoeker of oorlogsmisdadiger? in dagblad De Telegraaf 30 januari 2002.
  37. Former Rwandan singer found guilty of inciting genocide
  38. Genocide "mastermind" Bagosora gets life
  39. The Hague Justice Portal The trial of Dominique Ntawukuriryayo, accused of genocide in Rwanda in 1994, has begun before the International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR).