Saint Kilda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Saint Kilda
Eiland
UK St Kilda.PNG
Locatie
Locatie Atlantische Oceaan
Algemeen
Oppervlakte 8,5 km²
Inwoners vrijwel onbewoond
Saint Kilda
St. Kilda
Werelderfgoed gemengd
Saint Kilda 20090611 Hirta - Village Bay overview.jpg
Land Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
UNESCO-regio Europa en Noord-Amerika
Criteria iii, v, vii, ix, x
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 387
Inschrijving 1986 (10e sessie)
Uitbreiding 2004 en 2005
UNESCO-werelderfgoedlijst

Saint Kilda (Schots-Gaelisch: Hiort) is een archipel bij de Buiten-Hebriden zo'n 150 km buiten de Schotse kust waarvan de belangrijkste eilanden Hiort of Hirta, Soaigh of Soay, Dun en Boraraigh of Boreray zijn. Deze zijn van de Britse eilanden de meest afgelegene. De gezamenlijke oppervlakte bedraagt circa 840 hectare en de archipel is van vulkanische oorsprong. Het centrum van de vulkaan lag tussen Boreray en Hirta. Dit laatste eiland wordt overigens ook vaak als Saint Kilda aangeduid, aangezien het het enige bewoonde is.

De oorsprong van de naam van de archipel is onduidelijk aangezien er nooit een heilige genaamd Kilda heeft bestaan. De naam zou een verbastering zijn van het Oudnoordse sunt kelda (zoet bronwater) of skildir (schilden).

Geschiedenis[bewerken]

Het enige van de eilanden dat in recente tijd nog bewoond is geweest is Hirta, maar ook op Boreray zijn oude sporen van bewoning gevonden. Archeologische vondsten suggereren dat Saint Kilda 4000 à 5000 jaar geleden voor het eerst werd bewoond. De eilanden zijn al sinds de oudheid bekend en werden al vroeg door missionarissen aangedaan. Niet zonder succes blijkbaar, want in 1697 telde Hirta maar liefst drie kerken op een totaal van 180 inwoners, het grootste aantal dat er ooit heeft gewoond. De St. Kildanen hielden er een geheel eigen levenswijze op na en hielden zich voornamelijk bezig met het vangen van zeevogels en het verzamelen van eieren op de klippen. Aan zeevaart en visserij deden ze niet en tot het midden van de 19e eeuw werd er geen geld gebruikt. Hun taal was een Schots-Gaelisch dialect met Noorse invloeden, aangezien de Noormannen ook wel eens een bezoekje hadden gebracht.

Saint Kilda is meer dan 500 jaar bezit geweest van de familie MacLeod, aan wie de St.-Kildanen ook belasting moesten afdragen: duizend yard zelfgeweven tweed. Modern comfort was op het eiland afwezig en een regelmatige bootverbinding ontbrak. Na de introductie van het geld moesten de eilanders 2 pond per boerderij, 7 shilling per koe en 9 dime per schaap afdragen. Aldus brachten de 77 bewoners van Hirta in 1883 in totaal 95 pond bijeen. Zes dagen per week kwamen alle mannen bijeen in het "parlement" om te beslissen wat er die dag gedaan moest worden.

Er waren op Saint Kilda veel meer huwbare vrouwen dan mannen en nadat de mannen ook nog eens vrouwen van buitenaf begonnen te trouwen werd dit alleen maar erger. Het eiland werd regelmatig geteisterd door hongersnoden en epidemieën. Aangezien het zo afgelegen was waren de bewoners niet resistent tegen allerlei ziekten die buitenstaanders meenamen. Naar verluidt werden ze na elk bezoek van vreemden allen verkouden en in 1725 stierven 94 inwoners aan de pokken. Ook emigratie dunde de bevolking van het eiland danig uit. In 1852 bijvoorbeeld probeerden 36 St.-Kildanen naar Australië te emigreren, maar 20 van hen kwamen aan boord om.

Eind 19e eeuw werd de godsdienstwaanzinnige dominee John Mackay op het eiland aangesteld. Deze pookte de zwaarmoedigheid van de St.-Kildanen nog eens flink op. Kerkbezoek was vijf dagen per week verplicht en op zondag zat men de gehele dag in de kerk, mocht er geen water worden gehaald en mochten er geen koeien worden gemolken. Van zaterdagavond tot maandagmorgen was praten verboden, als het echt niet anders kon mocht men wel fluisteren maar zingen of fluiten waren uitgesloten. Op zekere zaterdag kwam een schip voedsel brengen voor de uitgehongerde eilanders, maar dit mocht pas op maandag worden uitgeladen. In oktober 1889 verliet Mackay de archipel.

Hirta had geen haven en de uitgaande post werd in een soort klomp in zee gegooid die dan op het vasteland diende aan te spoelen. Meer dan de helft van deze zendingen kwam nooit aan. Op een gegeven moment kreeg het eiland een radioverbinding, maar deze werd in 1918 door een Duitse onderzeeër verwoest. Ondertussen bleef de bevolking maar afnemen en op 28 augustus 1930 hielden de laatste 36 St.-Kildanen het voor gezien. Zij lieten zich door de HMS Harebell naar het vasteland overbrengen. Sir Reginald MacLeod verkocht het eiland in 1932 aan een ornitholoog, die het na zijn dood naliet aan het National Trust for Scotland. Het is op dit moment overigens niet onbewoond: een kleine groep soldaten bemant de radarbasis die er in 1957 is gebouwd.

(bron: Boudewijn Büch, Eilanden deel 1)

Natuur[bewerken]

De Saint Kilda-archipel is de belangrijkste broedplaats voor zeevogels in Noordwest-Europa en Schotlands eerste plaats op de Werelderfgoedlijst. De grootste kolonie zeekoeten ter wereld bevindt zich op de eilanden, alsmede de grootste kolonies papegaaiduikers en Noordse stormvogels van Groot-Brittannië. In totaal broeden er meer dan een miljoen vogels op de kliffen.

De laatste reuzenalk van de Britse eilanden zou in 1840 door de eilanders zijn gedood - naar verluidt dachten ze dat het een heks was die een storm had veroorzaakt. De laatste exemplaren ter wereld werden in 1844 op IJsland gedood.

Ook bezitten of bezaten de eilanden, met name Hirta, een aantal eigen diersoorten zoals het St. Kilda-winterkoninkje (naar schatting 113-117 paar) en de na het verlaten van Hirta uitgestorven St. Kilda-huismuis en St. Kilda-veldmuis, die verwant zouden zijn aan Scandinavische populaties en dus waarschijnlijk door de Noormannen zijn meegenomen.

Het eiland Soay herbergt de oorspronkelijke populatie van het Soayschaap en het vroeger als schapenweide gebruikte Boreray verwilderde schapen van het ras Old Scottish Blackface. Ook bestond vroeger het zogenaamde St. Kilda-schaap, een op de archipel ontstane kweekvorm.

Externe links[bewerken]

Bronnen: Wikipedia, bovengenoemde sites en het boek Eilanden van Boudewijn Büch (1996 achtste druk De Arbeiderspers).