Sally Dormits

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Samuel Zacharias "Sally" Dormits (Rotterdam, 2 oktober 1909 - Rotterdam, 17 oktober 1942) was een Nederlandse communist en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was van Joodse afkomst.

Vooroorlogse periode[bewerken]

Dormits vertrok samen met zijn ouders in 1914 naar Santos in Brazilië, maar keerde in 1915 terug. Later vertrok hij nog enige keren naar het buitenland. Bij een van die uitstappen nam hij deel aan een Braziliaanse revolutionaire beweging. Hij had het Nederlanderschap afgestaan of verloren. Van 1937 tot 1939 nam hij als vrijwilliger in de Internationale Brigades deel aan de Spaanse Burgeroorlog.[1] Na zijn terugkeer in Nederland ging hij in Den Haag wonen.

Vonkgroep[bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Dormits meteen na de Nederlandse capitulatie actief in het verzet. Hij ging deel uitmaken van de communistische De Vonk-groep in Den Haag. Vanuit de landelijke leiding van de CPN was de richtlijn uitgevaardigd dat er voorlopig geen gewapend verzet zou worden gepleegd. In Den Haag trok men zich niet veel van die richtlijn aan en werd een militante kleine verzetsgroep binnen de veel grotere Haagse communistische verzetsgroep gevormd. Tot de militante groep behoorden behalve Dormits onder anderen ook Gerrit Kastein en Tjerk Kloostra.

Nederlandse Volksmilitie[bewerken]

Dormits wilde grootschaliger gewapend verzet en begon al in de loop van 1940 met het oprichten van een groep die hij de Nederlandse Volksmilitie (NVM) noemde. In februari 1942 scheidde hij van zijn vrouw en ging in Rotterdam wonen. Toen kwam er pas vaart in de NVM, vooral doordat hij met Cornelis van der Kraats ging samenwerken.[2] In de zomer van 1942 pleegde de groep een bomaanslag op een trein met Duitse verlofgangers. De aanslag mislukte doordat een passende spoorwegbeambte de draad aanraakte waardoor de ontsteking afging; de beambte kwam om het leven. Als de aanslag gelukt was, waren er onder de Duitsers veel slachtoffers gevallen. Als represaille fusilleerden de Duitsers vijf gijzelaars. Ook werd door de groep twee keer een poging gedaan het Luxor theater in brand te steken, die beide mislukten.

Op 17 oktober stal Dormits een handtasje dat een vrouw bij de bakker vergeten was. Het was hem om de bonnen en het persoonsbewijs te doen. Omdat hij ondergedoken was, had hij bonnen nodig en voor zijn nieuwe vriendin had hij een vals persoonsbewijs nodig. De vrouw ontdekte thuis dat ze haar tas vergeten was, keerde terug en herkende Dormits vanuit de winkel. Ze sprak hem aan en vroeg wat hij in zijn uitpuilende aktetas had. Dormits zei: "niks", wat ongeloofwaardig was. Zij rukte de aktetas uit zijn handen en ontdekte haar handtas. Een voorbijganger hield Dormits vast tot een hulpagent arriveerde, die nam Dormits mee naar het bureau Oostervantstraat. Na enige tijd wilde de politie Dormits fouilleren. Daarop trok Dormits een pistool en schoot zichzelf door het hoofd. Hij was bewusteloos, werd naar het ziekenhuis aan de Coolsingel gebracht, waar hij overleed.

De politie vond het merkwaardig dat iemand om zo een klein vergrijp zelfmoord pleegde. Ze bekeken zijn spullen en ontdekten een textielkaart met zijn naam er op. In Den Haag was een aanslag op een stro-opslagplaats geweest, waar een fiets was gevonden die van Dormits was geweest (Dormits had de fiets verkocht aan een medecommunist). In Den Haag was een groot opsporingsteam onder leiding van commissaris Nanning Pool, voormalig chef van de Haagse Politie Inlichtingendienst, opgezet om de daders op te sporen. Dormits werd ten onrechte aangezien voor een van de daders en er was een opsporingsbericht uitgegaan. Daarom werd meteen het hoofdbureau gewaarschuwd, waar op dat moment net een afvaardiging van de Haagse politie zat om de Rotterdamse politie om bijstand bij de opsporing te vragen. De Haagse rechercheurs gingen naar de Oostervantstraat en Pool werd vanuit Den Haag erbij geroepen. In een van de zakken werd een half jaar oud kassabonnetje van een ijzerwinkel gevonden. In overdreven ijver werd door de Haagse politie navraag gedaan bij de ijzerwinkel en daar kon men vertellen waar Dormits woonde. Er werd huiszoeking gedaan en men vond materialen om bommen te maken, communistische pamfletten, verslagen van aanslagen en een ledenlijst van de Nederlandse Volks Militie. De Haagse politie schakelde onmiddellijk de Sicherheitsdienst in. Dezelfde avond nog werden alle mensen op de lijst, vaak met echtgenotes en soms kinderen, gearresteerd. Velen waren Joods. De arrestanten werden beestachtig behandeld. In de weken daarna volgden nog enige arrestaties. Een aantal werd later ter dood veroordeeld en gefusilleerd en de anderen naar concentratiekampen afgevoerd. De Joden onder hen werden versneld afgevoerd naar Auschwitz waar ze werden vergast. In totaal vielen er meer dan 90 doden.[3]

Hollandia-Kattenburg[bewerken]

Bij de opsporing van de leden van de Nederlandse Volksmilitie meenden de Duitsers een relatie met een groep communisten in het Amsterdamse bedrijf voor rubberen regenkleding Hollandia-Kattenburg te zien. Bij dat bedrijf werkten veel Joodse werknemers. Er werden inderdaad communistische pamfletten gevonden. Als gevolg werden alle Joodse werknemers gearresteerd en onmiddellijk naar Westerbork afgevoerd. Hun gezinsleden volgden vrijwel onmiddellijk. Van de zo afgevoerde 820 Joden hebben er slechts 8 de oorlog overleefd.[4][5]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Bert van Gelder, Brand bij de Wehrmacht, Zilverdistel, 2005.
  2. Volgens sommigen zou Cornelis van der Kraats oprichter van de Nederlandse Volksmilitie zijn.
  3. R. Harthoorn, Vuile oorlog in Den Haag, Van Gruting, 2011.
  4. www.joodsmonument.nl.
  5. Annemieke van Bockxmeer, De ramp bij Hollandia-Kattenburg, Het Parool, 7 november 1992, blz. 21-22.