Samengesteld werkwoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een samengesteld werkwoord is een lexicale eenheid die bestaat uit een werkwoord en een affix in de vorm van een zelfstandig naamwoord of voorzetselbijwoord. Dergelijke werkwoorden komen vooral in het Nederlands, Duits en Hongaars veel voor.

Nederlands[bewerken]

In het Nederlands zijn de meeste samengestelde werkwoorden ook scheidbare werkwoorden. Dit wil zeggen dat bij de meeste vervoegingen - behalve het tegenwoordig of voltooid deelwoord - het tweede deel van het eerste wordt losgekoppeld en dan in de regel achteraan in de zin komt te staan, na alle andere zinsdelen. Dit is een gevolg van de V2-regel, zie daar voor meer informatie.

Enkele voorbeelden van scheidbaar samengestelde werkwoorden zijn:

  • paard-rijdenIk rijd paard, Jij rijdt paard enz, maar: Ik heb paardgereden.
  • op-leggenIk leg op, Jij legt op enz., maar: Ik heb opgelegd.
  • aan-komenIk kom aan, Jij komt aan enz., maar: Ik ben aangekomen.

Het tweede deel van een samengesteld werkwoord staat dus in de regel altijd aan het einde van de (hoofd)zin. Dit betekent dat het direct achter het werkwoord komt te staan als er geen andere zinsdelen meer zijn:

  • Ik rijd graag paard.
  • Ik kom morgenavond aan.
  • Ik kom terug zodra ik meer weet (hoofdzin + bijzin).

Samengestelde werkwoorden dienen onderscheiden te worden van de werkwoorden met een (meestal onbeklemtoond) voorvoegsel, zoals berijden of verleggen. Bij deze werkwoorden vormt het voorvoegsel een vast deel van het woord en kan daar niet van gescheiden worden. Daarnaast krijgen zulke werkwoorden niet het voorvoegsel ge- in de verleden tijd; het bestaande voorvoegsel "vervangt" dit als het ware. Er bestaat een aantal werkwoorden dat zowel scheidbaar als met voorvoegsel kan zijn, zoals voorkomen (kom voor of voorkom). De spelling van beide is voor veel van de vormen hetzelfde, maar de plaats van de klemtoon verschilt waardoor het onderscheid wel in spraak te horen is. In de spelling wordt de klemtoon soms aangeduid met een streepje als er verwarring kan ontstaan: vóórkomen of voorkómen.

Het werkwoord stofzuigen vormt een uitzondering op deze regel. Het is niet scheidbaar (ik stofzuig, niet ik zuig stof), maar het is ook geen werkwoord met voorvoegsel (ik heb gestofzuigd). Het wordt daarnaast ook zwak vervoegd (stofzuigde) en niet sterk (stofzoog) zoals het basiswerkwoord zuigen. Hier is sprake van een soort rudimentaire vorm van incorporatie, iets dat vooral in polysynthetische talen veel gebeurt.

Duits[bewerken]

In het Duits worden samengestelde werkwoorden volgens hetzelfde principe als in het Nederlands gescheiden:

  • Er ist angekommen — Hij is aangekomen.
  • Ich komme morgen an - Ik kom morgen aan.

Een verschil met het Nederlands is dat in het Duits het woordje zu aaneen wordt geschreven:

  • anzukommen - aan te komen

Engels[bewerken]

Het Engels heeft naast gewone samengestelde werkwoorden zoals overhaul, "reviseren", en woorden als upload en download tevens een alternatieve constructie, de als werkwoord fungerende woordgroep.

Hongaars[bewerken]

In het Hongaars worden samengestelde werkwoorden soms gescheiden in ontkennende zinnen. Een voorbeeld is het werkwoord letesz, "ophangen", "de verbinding verbreken":

  • Leteszem a telefont. — Ik hang op.
  • Nem teszem le a telefont - Ik hang niet op.

Hetzelfde gebeurt bij imperatieven die een verbod uitdrukken:

Ne tedd le a telefont! — Hang niet op!

Een andere woordvolgorde versterkt de kracht van het verbod en de intonatie van de spreker:

Le ne tedd a telefont! - Niet ophangen !!