Saponine

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Saponinen, ook wel zeepstoffen genoemd, zijn een speciale groep secundaire plantenstoffen die tot de glycosiden behoort. Men vermoedt dat de plant saponinen produceert als bescherming tegen insectenvraat en groei van bacteriën en schimmels.

Eigenschappen[bewerken]

De naam saponine is afkomstig van het Latijnse woord sapo dat zeep betekent (vergelijk ook het Franse woord savon). Dit verwijst naar de eigenschap van saponinen om opgelost in water (na schudden) een zeepachtig schuim te veroorzaken. Bij sommige saponinen is dit zachter dan van gewone zeep en heeft het een reinigende werking, die echter aanzienlijk minder is dan die van zeep. In de Tweede Wereldoorlog werd het bij gebrek aan zeep door de mensen die er weet van hadden als zodanig gebruikt.
De waswerking van de indiase zeepnoten is ook op de hoge concentratie saponinen terug te voeren.

Voorkomen[bewerken]

Saponinen komen wijdverbreid voor in het plantenrijk. Men schat dat in drie van de vier plantensoorten saponinen voorkomen. Bijzonder rijk aan saponinen zijn voedselrijke weefsels van hogere planten, zoals wortels, knollen, bladeren, bloemen en zaden. Men vindt ze in groenten als sojabonen, erwten, spinazie, tomaten, aardappels (solanine) en knoflook en zijn bovendien werkzame bestanddelen van veel kruiden.

Het gehalte saponinen kan variëren van 0,1 tot 30%, wat voor secundaire plantenstoffen erg hoog is.

Kruiden waarin saponinen in hoge concentraties voorkomen zijn onder andere de echte koekoeksbloem, lelies, agaven, zeepkruid (Saponaria officinalis), paardenkastanje en in de vruchten van de zeepnotenboom. De bast (quillaia) van de zuidamerikaanse zeepboom (Quillaja saponaria) is één van de allerrijkste bronnen. De meeste saponinen vindt men echter in de ( Yucca Schidigera), welke in Baja California groeit.

Indeling[bewerken]

Het glycon van saponinen is meestal glucose of galactose. De aglyconen worden sapogeninen genoemd. Kijkend naar de structuur van de sapogeninen, zijn de saponinen in drie hoofgroepen in te delen:

Steroïde saponinen[bewerken]

Het sapogenine van steroïde saponinen heeft een steroïde basisstructuur. Vanwege deze structurele verwantschap met geslachtshormonen vormen sommige planten met saponinen de bron van stoffen die in anticonceptiepillen worden verwerkt. Steroïde saponinen fungeren als precursor voor bijnierschors- en geslachtshormonen en kunnen bij een tekort ook de werking van deze hormonen ondersteunen (fyto-oestrogenen).

Steroïdalkaloïde saponinen[bewerken]

Triterpenoïde saponinen[bewerken]

Bij deze saponinen heeft het aglycon een triterpeen als basisstructuur. Ze komen wijdverbreid voor bij de tweezaadlobbigen, in het bijzonder bij de volgende plantenfamilies: klimopfamilie (Araliaceae), anjerfamilie (Caryophyllaceae), hippocastanaceae, vleugeltjesbloemfamilie (Polygalaceae), sleutelbloemfamilie (Primulaceae), zeepboomfamilie (Sapindaceae) en de Sapotaceae. Triterpenoïde saponinen kunnen in hoge concentraties in alle plantendelen voorkomen, met name in wortels, bast en zaden.

Toxiciteit[bewerken]

Wanneer saponinen worden geïnjecteerd in de bloedbaan zijn ze giftig. Ze lossen dan lecithine in de membraan van rode bloedcellen op, waardoor de rode bloedcel uit elkaar valt en de inhoud ervan (o.a. hemoglobine) oplost in de omringende vloeistof (hemolyse). Dit proces verschilt aanzienlijk in de saponinehoudende planten onderling.

Saponinen zijn altijd toxisch voor koudbloedige dieren.

Eigenschappen[bewerken]

Saponinen worden gekenmerkt door een bittere of scherpe smaak. Ze zijn oneetbaar voor insecten en beschermen de plant tegen vraat. Als stof irriteren saponinen de slijmvliezen van ogen en luchtwegen en leiden tot niezen en traanvorming en oogonsteking.

Verder hebben veel saponinen een antibacteriële en antimycotische werking, wat de plant waar de saponinen in voorkomen beschemt tegen bederf.

Saponinen hebben een oppervlaktespanning verlagende werking en vormen uitstekende emulgatoren. Uitwendig worden saponinehoudende planten (o.a. zeepkruid) gebruikt bij overmatige vetafscheiding van de huid, hoofdhuid en ter ontvetting van het haar.

Saponinen werken prikkelend op de slijmvliezen van de luchtwegen en het maag-darmkanaal. Ze worden daarom ingezet als slijmoplossende middelen of als laxeermiddel (bloemen van stalkaars (Verbascum densiflorum) of keizerskaars (Verbascum phlomoides), evenals de wortels van zoethout (Glycyrrhiza glabra) en zeepkruid (Saponaria officinalis).

Veel saponinehoudende planten werken daarnaast urineafdrijvend en hebben een antiseptische werking op de urinewegen, zoals de bloeiende stengels van breukkruid (Herniaria glabra), blad van ruwe berk (Betula pendula) en wortels van kattendoorn (Ononis repens).

Sommige saponinen zouden een gunstig effect op de menselijke cholesterol huishouding hebben.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Prof. dr. med. Volker Schulz, Prof. dr. Rudolf Hänsel, Prof. em. Varro E. Tyler. Rational Phytotherapy, a physician's guide to herbal medicine. Third edition, fully revised and expanded. Springer Verlag, Berlin, Heidelberg. 1998. ISBN 3-540-62648-4
  • Prof. dr. dr. Hildebert C. Wagner & Dr. med. Markus Wiesenauer. Phytotherapie 1995. Gustav Fischer Verlag. Wissenschaftliche Verlagsgesellschaft mbH Stuttgart. ISBN 3-437-00775-0
  • Ernst Steinegger & Prof dr. Rudolf Hänsel. Pharmakognosie. 5. Auflage. Springer-Verlag. 1992. ISBN 3-540-55649-4
  • Dr. Geert Verhelst. Groot handboek geneeskrachtige planten. Derde uitgebreide druk. Uitgeverij Mannavita. 2008. ISBN 90 807784 2 7.