Sarcosine
| Sarcosine | ||||
| Structuurformule en molecuulmodel | ||||
| sarcosine | ||||
| Algemeen | ||||
| Molecuulformule (uitleg) |
C3H7N02 | |||
| IUPAC-naam | (2-methylamino)azijnzuur | |||
| Andere namen | N-methylglycine; sarcosine | |||
| Molmassa | 89,09 g/mol | |||
| SMILES |
CNCC(O)=O
|
|||
| InChI |
1/C3H7NO2/c1-4-2-3(5)6/h4H,2H2,1H3,(H,5,6)
|
|||
| CAS-nummer | 107-97-1 | |||
| EG-nummer | 203-538-6 | |||
| Waarschuwingen en veiligheidsmaatregelen | ||||
| Hygroscopisch? | ja | |||
| Fysische eigenschappen | ||||
| Aggregatietoestand | vast | |||
| Kleur | kleurloos tot wit-geel | |||
| Smeltpunt | (ontbindt) 208 °C | |||
| Oplosbaarheid in water | (bij 20°C) 1480 g/L | |||
| Goed oplosbaar in | water | |||
| Waar mogelijk zijn SI-eenheden gebruikt. Tenzij anders vermeld zijn standaardomstandigheden gebruikt (298,15 K of 25 °C, 1 bar) | ||||
|
||||
Sarcosine is een aminozuur dat voorkomt in spieren en andere weefsels van het lichaam. Het is ook een van de stoffen die gevormd worden tijdens het metabolisme van choline tot glycine. Het kan gesynthetiseerd worden uit monochloorazijnzuur en methylamine.
De stof werd voor het eerst geïsoleerd en benoemd door de Duitse chemicus Justus von Liebig in 1847[1].
Puur sarcosine is een vaste, kristallijne en hygroscopische stof met een zoete smaak. Het is oplosbaar in water. Bij verwarming ontbindt het bij circa 208°C.
Toepassingen [bewerken]
Uit sarcosine en vetzuren worden biologisch afbreekbare, milde oppervlakteactieve stoffen bereid, zoals N-lauroylsarcosine (CAS-nummer 97-78-9), oleoylsarcosine (CAS-nummer 110-25-8) of stearoylsarcosine (CAS-nummer 142-48-3), die onder meer in reinigingsmiddelen, shampoos, hairconditioners en tandpasta gebruikt worden.
Sarcosine zelf is een ingrediënt van sommige huidverzorgingsproducten (huidconditioners).
Toxicologie en veiligheid [bewerken]
Sarcosine heeft geen gevaarsymbolen of risicozinnen toegekend gekregen in de Europese Unie.
| Bronnen, noten en/of referenties |