Sarissa

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een Macedonische falanx uitgerust met sarissa's.

Een sarissa (of sarisa) was een Macedonische lans van 3 tot 7 meter lang. De lans bestond uit een ijzeren punt en een bronzen voet, zodat het kon vastgezet worden in de aarde om chargerende vijanden tegen te houden.
In de falanx was de sarissa een formidabel wapen, omdat de tegenstanders, meestal hoplieten, veel kortere wapens hadden en ze dus voorbij de muur van sarissa's moesten vooraleer ze hun wapens konden gebruiken. Buiten de falanx was het wapen minder nuttig, het was te lang en te zwaar. Daarom werd hij in twee stukken gemaakt, die tijdens de mars van elkaar werden gedragen en tijdens het gevecht aan elkaar bevestigd worden door middel van een metalen huls.

Geschiedenis[bewerken]

Volgens de overlevering zou Philippus II van Macedonië, de vader van Alexander de Grote, de sarissa hebben uitgevonden. Hij had namelijk zijn leger omgevormd van een ongeregeld, gedemoraliseerd legertje tot een sterk leger; en hij had hen getraind om de lange sarissa te gebruiken met hun twee handen en een muur van lansen te vormen. Met deze tactiek was hij bijna niet te verslaan en Philippus veroverde dan ook Macedonië, Griekenland, Epirus en Thracië met behulp van zijn uitvinding.

Na de dood van Alexander de Grote bleef de sarissa het belangrijkste wapen van de Helleense legers. Tijdens de regering van Ptolemaeus IV kon een falanx met sarissa's enkel doorbroken worden met behulp van olifanten.
Omdat het zo een formidabel wapen was, steunde bijna de volledige Helleense oorlogsmachine op deze wapens en werden de training en de combinatie van verschillende soorten eenheden verwaarloosd. In 197 v.Chr. versloegen de Romeinen de Macedoniërs dan ook definitief tijdens de slag bij Pydna.

Bronnen, noten en/of referenties