Schaken
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
19e eeuwse Chinese schaakstukken, ivoor
|
|
Lewis-schaakstukken, genoemd naar hun vindplaats, Isle of Lewis. 12e Eeuwse stukken uit meerdere, vermoedelijk Noorse sets van walrusivoor en walvistanden.
Koning, dame en loper, daaronder paard, toren en pion. Onder: close up van de dame. |
Hoewel schaken een aanduiding is voor een groep verwante bordspellen, beschrijft dit artikel hoofdzakelijk het westers schaken, een strategisch bordspel voor twee spelers. Het is strategisch omdat de spelers zoveel speelmogelijkheden hebben dat het vaak onmogelijk is de consequentie van elke zet te overzien, zodat inzicht, ervaring en moed de zetkeuze mede bepalen.
Een schaakpartij wordt gespeeld op een vierkant bord met 64 velden. Elke speler plaatst voor de partij zijn zestien stukken op het bord, zie ook de spelregels. De speler met de witte stukken opent de partij met het verplaatsen van een stuk. Daarna spelen wit en zwart om beurten, waarbij voor elk type stuk eigen regels gelden. Het spel eindigt als een van beiden zijn doel bereikt: winnen door schaakmat te zetten, dat is het veroveren van de vijandelijke koning. De speler die dit op termijn niet meer kan vermijden kan het ook opgeven. Ook kan het spel gelijk eindigen, in remise dus: door zetherhaling, door pat, waarbij een speler geen zet meer kan doen of doordat beide spelers geen winstkansen meer zien. Verder kan een beroep op specifieke spelregels de partij beëindigen.
Op grond van het bovenstaande is de koning in zekere zin het enige belangrijke stuk, maar het is zeker niet het sterkste stuk; samen met de mogelijkheid van pionpromotie bepaalt dit de dynamiek van het spel. Terwijl de schaakspeler normaal gesproken streeft naar het veroveren van vijandelijke stukken, vormen koningsaanval en promotie zulke overheersende doelen dat men die kan nastreven onder opoffering van aanzienlijk materiaal.
Een belangrijk aspect van het schaken is dat toeval geen enkele rol speelt in het verloop. Het winnen of verliezen hangt niet af van geluk, maar evenals bij dammen en go volledig van de acties van de spelers. Heel anders is dit bij een spel met dobbelstenen of met kanskaarten zoals Monopoly, waar het toeval vaak de doorslaggevende factor is. Een tweede belangrijk verschil met veel andere spelen is dat de spelers steeds over alle informatie beschikken, dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot bridge of Stratego waarbij aanvankelijk de positie van de vijandelijke stukken of kaarten niet volledig bekend is. Hoewel het schaakspel in principe dus volkomen uit te rekenen is, is het aantal mogelijke varianten zo groot, dat mens noch computer daartoe tot heden in staat waren.
Inhoud |
[bewerk] Oorsprong en geschiedenis
De oervorm van het schaakspel is duizenden jaren oud, daardoor is er niet veel bekend over het ontstaan en de vroegste geschiedenis. Het woord schaak is afkomstig van het Perzische woord shāh, dat koning betekent. De term schaakmat is een vernederlandsing van het Perzische shāh māta, hetgeen betekent: de koning zit in een hinderlaag of de koning is verslagen.
De oudste herkenbare versie van schaken stamt waarschijnlijk uit het zesde eeuwse Oost Perzië, nu Noord-India, en staat bekend als chaturanga, maar er zijn aanwijzingen dat dit spel gebaseerd is op een nog oudere variant voor vier personen die elk aan een zijde van het bord zaten. Verschillende versies van chaturanga verspreidden zich oostwaarts naar China en Japan en, in de vorm van Shatranj, westwaarts richting de Arabische wereld om via Italië en Spanje uiteindelijk tijdens de 11e eeuw in heel Europa door te dringen. Waarschijnlijk hebben de Vikingen hier een belangrijke rol in gespeeld, aangezien de oudste Europese vondsten van schaakstukken langs de kusten zijn.
De huidige vorm van het schaakspel ontstond aan het eind van de 15e eeuw in Frankrijk, toen de dame met de huidige machtige mogelijkheden haar intrede deed. Daarom wordt schaken ook wel een koninklijk spel genoemd. Tevoren was de dame of koningin een tamelijk beperkt en zwak stuk. Al halverwege de twintigste eeuw werd geopperd dat het schaakspel mogelijk uit China stamt en recentelijk gaan er weer stemmen op die de oorsprong van het schaakspel daar of Oezbekistan plaatsen.
[bewerk] Varianten van het schaakspel
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
Probleemschaak: Waar moet de witte koning staan en wat zijn de laatst gespeelde zetten? Oplossing: zie Retrogradeprobleem
|
||||||||
Doordat het schaakspel zo veel gespeeld wordt, zijn er onnoemelijk veel varianten bedacht om het spel anders te spelen.
Soms speelt men in de huiselijke kring volgens licht afwijkende regels omdat men het eenvoudig wil houden of omdat men de spelregels niet precies kent. Veel huisschakers zijn bijvoorbeeld niet op de hoogte van pat of en passant slaan. Een sterkere speler kan een voorgift geven door bij het begin al een pion of stuk weg te laten. Soms wordt afgesproken dat degene die een partij gewonnen heeft, zijn volgende partij met een pion minder speelt.
Het probleemschaak is in principe geen variant maar een oefening, want de spelregels zijn over het algemeen niet anders. Het zijn eerder opgeven om de strategie te oefenen. Geeft men echter een opgave als "Wit aan zet wint", dan weet de oplosser vooraf dat er een winnende speelwijze is, wat bij een echte partij niet het geval is. Vaak ook is de opgave "Wit aan zet wint in drie zetten".
Een opmerkelijke variant is het retrogradeprobleem, waarbij wordt gevraagd hoe een bepaalde stelling tot stand is gekomen.
[bewerk] Computerschaak
Naast de fysieke bordvariant bestaat tegenwoordig ook de computervariant, soms in de vorm van een elektronisch bord, maar doorgaans wordt op een computerscherm een bord getoond. Computers spelen soms tegen elkaar, maar de mens kan ook tegen de computer spelen middels schaakprogrammatuur die vaak instelbaar is op speelsterkte, rekendiepte en tempo.
Zie ook: lijst van schaakmachines.
[bewerk] Rybka
Medio 2008 is Rybka versie 2.3.2 met afstand het sterkste schaakprogramma. De speelsterkte, uitgedrukt in de ELO-rating, overtreft ook die van de menselijke grootmeesters zodanig dat zelfs de wereldkampioen in een match weinig kans maakt. In matches tegen grootmeesters krijgen die een voorgift. Dzindzichashvili speelde in maart 2008 acht partijen met wit en kreeg in vier daarvan een pion voor; het werd 4-4. Nog slechter verging het Ehlvest: tegen een 'uitgeklede' versie uitsluitend met wit spelend eindigde zijn match in 3,5-1,5 voor Rybka.
Een match tussen de elektronische top en die van vlees en bloed is niet te verwachten, maar het ratingsysteem geeft houvast. Wereldkampioen Viswanathan Anand heeft medio 2008 een rating van 2803 en is daarmee de enige actieve schaker met een rating boven de 2800. De rating van Rybka wordt geschat tussen 2965 en 3104. Een laag geschat ratingverschil van 200 punten geeft aan dat Rybka dan per partij een winstkans heeft van 75%.
De nieuwe en hoogstwaarschijnlijk sterkere versie 3 van Rybka wordt in de tweede helft van 2008 verwacht. Daarentegen is een zeer veel sterkere wereldkampioen op korte termijn niet te verwachten, aangezien maar vijf spelers in de geschiedenis een rating boven de 2800 hebben gehad. Het aanstormende talent Magnus Carlsen is op zeventienjarige leeftijd verder in zijn ontwikkeling dan grote wereldkampioenen zoals Kasparov of Fischer maar het is vrijwel ondenkbaar dat hij een rating van 2900 zal bereiken.
[bewerk] Spelregels
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
Beginstelling - onderaan van links af: toren T, paard P, Loper L, Dame D, Koning K. Op de tweede rij staan de pionnen p.
|
||||||||
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
Lopervelden en in de weg staande stukken
|
||||||||
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
De zetkeuzes voor paarden
|
||||||||
De officiële spelregels worden vastgesteld door de wereldschaakorganisatie FIDE en worden door de KNSB in het Nederlands vertaald. De huidige versie is vastgesteld in oktober 2004 en geldt vanaf 1 juli 2005 (zie Externe links). Hieronder enkel de belangrijkste punten.
[bewerk] Materiaal
Een schaakbord is vierkant met 64 lichte (witte) en donkere (zwarte) velden. De horizontalen worden rijen genoemd en zijn genummerd van 1 tot en met 8; de verticalen heten lijnen en worden aangegeven met de letters a tot en met h. Zo is elk veld aan te duiden; de witte dame staat bijvoorbeeld in de beginstelling op d1. Het bord wordt zo neergelegd dat a1 en h8, de hoekvelden links van de spelers, zwart zijn.
Elke speler beschikt over zestien speelstukken. De ene speler heeft wit (de lichtgekleurde stukken), de ander heeft zwart (de donkergekleurde stukken). Bij aanvang van het spel staan de speelstukken zoals hiernaast getoond op het bord. Dit zijn voor ieder een koning, een dame, twee torens, twee lopers, twee paarden en acht pionnen. Wit begint door een stuk te verplaatsen, daarna doen beiden om beurten een zet naar keuze; het is niet mogelijk een beurt over te slaan. Het doel van het spel is het veroveren van de vijandelijke koning. Dit beëindigt onmiddellijk de partij.
[bewerk] Slaan
Op elk veld kan niet meer dan een stuk staan. Door een eigen stuk te spelen naar een veld waarop een stuk van de tegenstander staat kan men dat stuk slaan: het vijandelijke stuk wordt van het bord genomen. Op het diagram hiernaast wordt dit geïllustreerd met de (diagonaal bewegende) witte loper: deze kan niet naar a1, f2 of g1 gespeeld worden, maar wel de zwarte toren op b2 slaan door zelf op dat veld te gaan staan. De pion is het enige speelstuk dat bij slagzetten anders beweegt dan bij gewone zetten.
[bewerk] Loop van de stukken
De bewegingskenmerken zijn voor zwart en wit hetzelfde; hier worden daarom alleen die van wit gegeven. Een stuk bestrijkt dicht bij de rand minder velden dan een stuk op een centraal veld, en op een vol bord beknotten de stukken elkaars bewegingen.
- De koning bestrijkt de 3 tot 8 aangrenzende velden. Hij begint op e1. Daarnaast heeft de koning eenmaal per partij een speciale mogelijkheid, zie korte en lange rokade. Hoewel de schaakpartij om de koning draait, is hij beslist niet het sterkste stuk.
- De dame mag naar keuze horizontaal of verticaal of diagonaal bewegen en beheerst 21 tot 27 velden, wat haar veruit het sterkste stuk maakt. Zij begint op d1.
- De torens bestrijken 14 velden. Ze mogen naar keuze horizontaal of verticaal bewegen en zijn daardoor de enige stukken die vanaf de rand hetzelfde bereik hebben als in het centrum. Ze beginnen op a1 en h1.
- De lopers mogen diagonaal bewegen en bestrijken 7 tot 13 velden. Elke loper 'ziet' dus slechts velden van een kleur. Lopers beginnen op c1 en f1.
- De paardzet is een soort geknikte beweging van 1 veld diagonaal en vervolgens 1 veld horizontaal of verticaal. Het tussenliggende veld mag daarbij bezet zijn. Zo mag het paard op b1 vanuit de beginstelling over de pionnen heen naar a3 of c3 springen. Een paard in het centrum beheerst een kring van 8 velden, maar vanuit de hoek slechts 2. Hoewel paarden dus weinig velden beheersen zijn ze nauwelijks zwakker dan lopers. Dit komt doordat deze stukken als enige mogen springen, en anderzijds door de 'kleurenblindheid' van de lopers. Wel heeft een paard vaak problemen als het aan de rand of zelfs in de hoek staat, wat leidt tot het gezegde: "Paard aan de rand is schakers schand." Paarden beginnen op b1 en g1.
[bewerk] Pionnen
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
De witte pion zette de dubbele stap van d2 naar d4. Op de volgende beurt mag zwart hem slaan: en passant naar d3.
|
||||||||
De Pionnen hebben uitzonderlijke regels:
- Pionnen bewegen één veld recht vooruit, maar vanuit de beginpositie hebben ze nog een extra mogelijkheid.
- Vanuit de beginpositie op de tweede rij mogen pionnen naar keuze één of twee velden vooruit.
- De pion slaat anders dan hij gaat. Hij slaat namelijk één veld schuin naar voren.
- Een bijzonderheid is de en passant regel die geldt als een pion twee velden tegelijk naar voren is gegaan, bijvoorbeeld van d2 naar d4. Zo'n pion mag door een vijandelijke pion geslagen worden alsof hij maar één veld opgeschoven is. De tegenstander kan dit alleen op de eerstvolgende beurt doen, daarna vervalt het en passant-recht.
- Een pion die de overkant bereikt promoveert. De eigenaar mag dan de pion vervangen door een dame, maar hij is ook vrij om een paard, loper of toren te kiezen, en in zeldzame gevallen heeft dit voordelen. Dit heet een minorpromotie.
Hierboven is met stukken steeds bedoeld: elk speelgerei, maar binnen een schaakpartij worden de pionnen niet als stukken aangeduid. Zo is een paardoffer een stukoffer, maar wordt een pionoffer niet als stukoffer beschouwd.
[bewerk] Korte en lange rokade
Er is een zet waarbij in een beurt twee stukken verplaatst worden: de rokade. Hierbij wordt de koning van het beginveld twee velden zijwaarts verplaatst naar een op een hoekveld staande toren toe. Daarna wordt de toren uit die hoek verplaatst naar het veld waar de koning overheen gesprongen is. Bij de korte rokade van wit gaat de koning naar g1 en de toren van h1 naar f1; bij de lange rokade gaat de koning naar c1 en de toren van naar a1 naar d1. Voor zwart gelden de tegenoverliggende velden.
Er zijn enkele voorwaarden: de koning en de toren mogen niet eerder zijn verplaatst, en de rokade mag niet worden uitgevoerd als de koning schaak staat of over een veld moet springen dat bestreken wordt door een vijandelijk stuk. Ook kan er niet worden gerokeerd als er een stuk tussen de toren en de koning staat.
[bewerk] De hand van de schaker
In het competitieschaak wordt het juist uitvoeren van een zet nauwkeurig beschreven. Indien er met schaakklok gespeeld wordt, heeft een speler de beurt zolang hij zijn knop op de klok niet ingedrukt heeft. Hij mag pas drukken nadat de zet op het bord voltooid is, en voor het indrukken van de klok moet hij dezelfde hand gebruiken als waarmee hij de zet deed. Bij het spel zonder klok wordt algemeen de regel gehanteerd dat de tegenstander aan de beurt is zodra men het gespeelde stuk heeft losgelaten.
Wie een eigen stuk aanraakt moet dit spelen als dat volgens de spelregels mogelijk is; evenzo moet een stuk van de tegenstander geslagen worden als men het aangeraakt heeft, tenzij dat onmogelijk is. Zie Pièce touchée.
[bewerk] Einde van het spel
Men wint het spel doordat de tegenstander het opgeeft of door hem schaakmat of kortweg mat te zetten. Dit houdt in dat men zijn koning aanvalt (dreigt te slaan op de volgende zet), zonder dat de tegenstander deze aanval kan afweren. De partij is hiermee onmiddellijk afgelopen; de koning wordt normaliter dus niet daadwerkelijk geslagen.
De koning staat slechts schaak, maar niet schaakmat, als op de aanval nog een parade mogelijk is. Het afweren van het schaak is verplicht en kan op drie manieren:
- Door de koning te verplaatsen.
- Door het schaakgevende stuk te slaan. Ingeval van dubbelschaak is dit geen optie, tenzij de koning het stuk is dat slaat.
- Door een speelstuk tussen de koning en het schaakgevende stuk te zetten. Indien een paard schaak geeft werkt dit niet, aangezien een paard over tussenstaande stukken kan springen. Ook bij dubbelschaak is dit geen optie, omdat gelijktijdig aanvallen uit twee richtingen afgeweerd moeten worden.
Als de speler die aan zet is geen enkele reglementaire zet kan doen maar niet schaak staat, is het pat. Daarmee eindigt de partij in remise. Andere remisemogelijkheden volgen uit de vijftigzettenregel, stellingsherhaling en materiaalgebrek.
Daarnaast kan een speler ook remise aanbieden, wat door de tegenstander aangenomen of geweigerd kan worden. Het aanbod kan mondeling worden verworpen, of door een zet te doen. Onredelijke of overmatige remise-aanbiedingen kunnen worden beschouwd als het hinderen van de tegenstander en kunnen door de arbiter worden bestraft, doorgaans met een tijdstraf.
[bewerk] Schaakpartij
Een schaakpartij wordt ruwweg ingedeeld in drie fasen, de opening, het middenspel en het eindspel. Vanuit de beginpositie is een groot aantal reeksen van zetten en tegenzetten geanalyseerd waarvan bekend is of die uiteindelijk voordelig zijn voor wit, of voor zwart. Dit zijn de openingen. Na de opening, als de stukken ontwikkeld zijn, begint het middenspel, waarin de spelers proberen door het behalen van kleine voordelen de overmacht in het spel te krijgen. Het aantal zetmogelijkheden is hier zo groot dat er vooraf geen precieze analyses mogelijk zijn, alleen richtlijnen. In deze fase is de speler dus het meest op inzicht, creativiteit en intuïtie aangewezen. Als er over en weer veel stukken zijn geslagen loopt de koning minder gevaar en kan hij een actievere rol gaan spelen; daarmee is de fase van het eindspel aangebroken. Deze fase vereist kalm beraad en een vooruitziende blik, naast kennis van eindspel-analyses.
Een goede manier om te leren schaken is het volgen van de stappenmethode, die zich vooral concentreert op patroonherkenning.
[bewerk] Complexiteit
Het aantal reglementaire stellingen op het schaakbord ligt naar schatting tussen 1043 en 1050, en de speltheoretische complexiteit is bij benadering 10123. De speltheoretische complexiteit van het schaakspel werd als eerste benaderd door Claude Shannon (grondlegger van de informatietheorie) zijnde 10120, het "Shannon getal". Vanuit een 'gemiddelde' stelling (middenspel) zijn er dertig tot veertig reglementaire zetten mogelijk, maar het kunnen er ook nul zijn (bij schaakmat of pat) of maar liefst 218. Zie ook: speltheorie.
[bewerk] Grote toernooien in Nederland
- Corus-toernooi (voormalige Hoogovens-toernooi) in Wijk aan Zee
- Essent-toernooi (voormalige VAM-toernooi) in Hoogeveen
- AVRO-toernooi in Groningen (1938)
[bewerk] Zie ook
- Wereldkampioenschap schaken
- Schaken van A tot Z
- Lijst van schakers
- Bekende schakers en kampioenen.
- Schaaknotatie
- Schaaktoernooi, met overzicht van nationale en internationale wedstrijden
- Schaakolympiade
- Schaakopening
- Schaakvariant
- Internationale schaaktitels
- Internationale correspondentieschaaktitels
- Chinees schaken
- Simultaan schaken
- Blind schaken