Schaken
|
Beluister |
(info) |
koning, dame en loper, daaronder paard, toren en pion.
Onder: close up van de dame.
Hoewel schaken een aanduiding is voor een groep verwante bordspellen, beschrijft dit artikel hoofdzakelijk het westers schaken, een strategisch bordspel voor twee spelers. De officiële naam volgens de FIDE van dit westers schaken is het schaakspel.[1] Het is strategisch omdat de spelers zoveel speelmogelijkheden hebben dat het vaak onmogelijk is de consequentie van elke zet te overzien, zodat inzicht, ervaring en moed de zetkeuze mede bepalen.
Inhoud |
Oorsprong en geschiedenis [bewerken]
De oervorm van het schaakspel is duizenden jaren oud, waardoor er niet veel bekend is over het ontstaan en de vroegste geschiedenis. Het woord schaak is afkomstig van het Perzische woord shāh, dat koning betekent. Ook het woord mat is Perzisch (maata), dat versteld raken betekent.
De oudste herkenbare versie van schaken stamt waarschijnlijk uit het zesde-eeuwse Lucknow in Oost-Perzië, nu Noord-India en staat bekend als chaturanga, maar er zijn aanwijzingen dat dit spel gebaseerd is op een nog oudere variant voor vier personen die elk aan een zijde van het bord zaten. Verschillende versies van chaturanga verspreidden zich oostwaarts naar China en Japan en, in de vorm van Shatranj, westwaarts naar de Arabische wereld om via Italië en Spanje uiteindelijk tijdens de 11e eeuw in heel Europa door te dringen. Waarschijnlijk hebben de Vikingen hier een belangrijke rol in gespeeld, aangezien de oudste Europese vondsten van schaakstukken langs de kusten zijn.
De huidige vorm van het schaakspel ontstond aan het eind van de 15e eeuw in Frankrijk, toen de dame met de huidige machtige mogelijkheden haar intrede deed. Daarom wordt schaken ook wel een koninklijk spel genoemd.[bron?] Tevoren was de dame of koningin een tamelijk beperkt en zwak stuk. Al halverwege de twintigste eeuw werd geopperd dat het schaakspel mogelijk uit China stamt en recentelijk gaan er weer stemmen op die de oorsprong van het schaakspel daar of in Oezbekistan plaatsen.
Spelregels van het Schaakspel [bewerken]
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
Beginstelling - onderaan van links af: toren T, paard P, loper L, dame D, koning K. Op de tweede rij staan de pionnen p.
|
||||||||
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
de mogelijke zetten voor de loper, de witte loper kan de zwarte toren slaan
|
||||||||
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
de mogelijke zetten voor het paard
|
||||||||
De officiële spelregels worden vastgesteld door de wereldschaakorganisatie FIDE en worden door de KNSB in het Nederlands vertaald. De huidige versie is vastgesteld in oktober 2004 en geldt vanaf 1 juli 2005. Hieronder enkel de belangrijkste punten.
Materiaal [bewerken]
Een schaakbord is vierkant met 32 lichte (witte) en 32 donkere (zwarte) velden. De horizontalen worden rijen genoemd en zijn genummerd van 1 tot en met 8; de verticalen heten lijnen en worden aangegeven met de letters a tot en met h. Zo is elk veld aan te duiden; de witte dame staat bijvoorbeeld in de beginstelling op d1. Het bord wordt zo neergelegd dat a1 en h8, de hoekvelden links van de spelers, zwart zijn.
Elke speler beschikt over zestien speelstukken. De ene speler heeft wit (de lichtgekleurde stukken), de ander heeft zwart (de donkergekleurde stukken). Bij aanvang van het spel staan de speelstukken zoals hiernaast getoond op het bord.
De stukken zijn voor ieder:
Binnen een schaakpartij worden de pionnen soms niet als stukken aangeduid. Wie zich nauwkeurig uitdrukt zegt wel eens: "De stukken en pionnen worden op het bord gezet". Spreekt men van een stukoffer, stukverlies e.d., dan bedoelt men een licht stuk, dus een loper of paard. In dit artikel worden de pionnen ook tot de stukken gerekend.
Wit begint door een stuk te verplaatsen, daarna doen beiden om beurten een zet naar keuze; het is niet mogelijk een beurt over te slaan. Het doel van het spel is het veroveren van de vijandelijke koning. Dit beëindigt onmiddellijk de partij.
Slaan [bewerken]
Op elk veld kan niet meer dan een stuk staan. Door een eigen stuk te spelen naar een veld waarop een stuk van de tegenstander staat kan men dat stuk slaan: het vijandelijke stuk wordt van het bord genomen. Op het diagram hiernaast wordt dit geïllustreerd met de (diagonaal bewegende) witte loper: deze kan niet naar a1, f2 of g1 gespeeld worden, maar wel de zwarte toren op b2 slaan door zelf op dat veld te gaan staan. De pion is het enige stuk dat bij slagzetten anders beweegt dan bij gewone zetten.
Loop van de stukken [bewerken]
De verschillende stukken hebben elk een verschillende loop. Dame, toren en loper kunnen in een enkele zet een onbeperkte afstand afleggen, maar ze kunnen niet over andere stukken springen. Gaat een stuk naar een veld waar een stuk van de tegenpartij staat, dan wordt dat stuk geslagen. Een veld waar een stuk van de eigen partij staat, is niet toegankelijk .
- De koning neemt een stap tegelijk, recht of diagonaal, en bestrijkt dus de 3 tot 8 aangrenzende velden. Hij begint op e1 of e8. Daarnaast heeft de koning eenmaal per partij een speciale mogelijkheid, zie korte en lange rokade. Hoewel de schaakpartij om de koning draait, is hij beslist niet het sterkste stuk.
- De dame mag naar keuze horizontaal of verticaal of diagonaal bewegen en beheerst 21 tot 27 velden, wat haar veruit het sterkste stuk maakt. Zij begint op d1 of d8.
- De torens bestrijken 14 velden. Ze mogen naar keuze horizontaal of verticaal bewegen en zijn daardoor de enige stukken die vanaf de rand hetzelfde bereik hebben als in het centrum. Ze beginnen op a1 en h1, respectievelijk a8 en h8.
- De lopers mogen diagonaal bewegen en bestrijken 7 tot 13 velden. Een loper kan nimmer op een veld van een andere kleur komen. Spreekt men van een witte of zwarte loper, dan bedoelt men vaak de loper die over de witte, respectievelijk zwarte velden beweegt. Lopers beginnen op c1 en f1, respectievelijk c8 en f8.
- De paardzet is een geknikte beweging van 2 velden horizontaal of verticaal en daarna 1 veld opzij. Evenmin als andere stukken kan een paard naar een veld gaan waar al een stuk staat van de eigen partij, maar een paard kan wel over andere stukken springen. Dit is niet verrassend, want als men een rechte lijn trekt tussen het veld van vertrek en het veld van aankomst, dan gaat die lijn niet door het midden van enig ander veld. Zo mag het paard op b1 vanuit de beginstelling over de pionnen heen naar a3 of c3 springen. Een paard in het centrum beheerst een kring van 8 velden, maar vanuit de hoek slechts 2. Hoewel paarden dus weinig velden beheersen zijn ze nauwelijks zwakker dan lopers. Dit komt doordat deze stukken als enige mogen springen, en anderzijds door de 'kleurenblindheid' van de lopers. Wel heeft een paard vaak problemen als het aan de rand of zelfs in de hoek staat, wat leidt tot het gezegde: "Paard aan de rand is schakers schand." Paarden beginnen op b1 en g1, respectievelijk b8 en g8.
Pionnen [bewerken]
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
De witte pion zette de dubbele stap van d2 naar d4. Op de volgende beurt mag zwart hem slaan: en passant naar d3.
|
||||||||
Voor alle hierboven genoemde stukken geldt dat ze in alle richtingen op dezelfde manier bewegen en dat ze slaan op dezelfde manier. De pionnen hebben echter andere regels:
- Pionnen bewegen één veld recht vooruit, in de richting van de tegenstander.
- Vanuit de beginpositie op de tweede rij mogen pionnen naar keuze één of twee velden vooruit.
- De pion slaat anders dan hij gaat. Hij slaat namelijk één veld diagonaal naar voren.
- Een bijzonderheid is de en-passantregel die geldt als een pion twee velden tegelijk naar voren is gegaan, bijvoorbeeld van d2 naar d4. Zo'n pion mag door een vijandelijke pion geslagen worden alsof hij maar één veld opgeschoven is. De tegenstander kan dit alleen op de eerstvolgende beurt doen, daarna vervalt het en-passantrecht.
- Een pion die de overkant bereikt, promoveert. De eigenaar mag dan de pion vervangen door een dame, paard, loper of toren. Meestal kiest hij een dame, kiest hij een ander stuk dan heet dat minorpromotie. Het is mogelijk om meer stukken van een bepaalde soort te hebben dan in de beginpositie, dus bijvoorbeeld twee dames of drie paarden is mogelijk.
Korte en lange rokade [bewerken]
Er is een zet waarbij in een beurt twee stukken verplaatst worden: de rokade. Hierbij wordt de koning van het beginveld twee velden zijwaarts verplaatst naar een op een hoekveld staande toren toe. Daarna wordt de toren uit die hoek verplaatst naar het veld waar de koning overheen gesprongen is. Bij de korte rokade van wit gaat de koning naar g1 en de toren van h1 naar f1; bij de lange rokade gaat de koning naar c1 en de toren van naar a1 naar d1. Voor zwart gelden de tegenoverliggende velden.
Er zijn enkele voorwaarden: de koning en de toren mogen niet eerder zijn verplaatst, en de rokade mag niet worden uitgevoerd als de koning schaak staat of over een veld moet springen dat bestreken wordt door een vijandelijk stuk. Ook kan er niet worden gerokeerd als er een stuk tussen de toren en de koning staat.
De notatie voor een korte rokade is o-o; voor een lange rokade wordt o-o-o gebruikt.
De koning [bewerken]
De koning heeft in het schaakspel een centrale rol. Hij kan niet geslagen worden.
Is de opstelling der stukken zo dat een speler (als hij aan zet was geweest) de koning van de tegenstander kan slaan, dan zegt men dat de koning van de tegenstander schaak staat. Het is niet geoorloofd dat een koning schaak staat terwijl de tegenstander aan zet is en het is dan ook niet mogelijk de koning te slaan.
Dit impliceert:
- Een speler mag geen zet doen waardoor de eigen koning schaak komt te staan. Dit is een onreglementaire zet.
- Staat de eigen koning schaak, dan moet de speler dat pareren, dat wil zeggen dat hij een zet doet waarmee het schaak wordt opgeheven. Elke andere zet is onreglementair.
Uit de spelregels volgt dat schaak op drie manieren gepareerd kan worden:
- Door de koning te verplaatsen.
- Door het schaakgevende stuk te slaan. Ingeval van dubbelschaak (als twee stukken tegelijk schaak geven) is dit geen optie, uiteraard tenzij er door de koning geslagen wordt.
- Door een stuk tussen de koning en het schaakgevende stuk te zetten. Indien een paard of pion schaak geeft werkt dit niet, aangezien een paard over tussenstaande stukken kan springen en een pion niet op afstand werkt. Ook bij dubbelschaak is dit geen optie, omdat gelijktijdige aanvallen uit twee richtingen afgeweerd moeten worden.
Staat de eigen koning schaak en is er geen enkele mogelijkheid om het schaak te pareren, dan staat de koning mat of schaakmat en heeft hij verloren. De partij is hiermee onmiddellijk afgelopen; de koning wordt normaliter dus niet daadwerkelijk geslagen.
Staat de eigen koning niet schaak en is er geen enkele reglementaire zet voorhanden, dan is het pat en remise.
Remise [bewerken]
Naast pat, kan een partij in remise eindigen door de vijftigzettenregel, driemaal dezelfde stelling en materiaalgebrek; het is bijvoorbeeld niet mogelijk met enkel koning en loper de vijandelijke koning mat te zetten.
Daarnaast kan een speler ook remise aanbieden, wat door de tegenstander aangenomen of geweigerd kan worden. Het aanbod kan mondeling worden verworpen, of door een zet te doen. Onredelijke of overmatige remise-aanbiedingen kunnen worden beschouwd als het hinderen van de tegenstander en kunnen door de scheidsrechter worden bestraft, doorgaans met een tijdstraf.
Zie verder: Einde partij (schaken).
De hand van de schaker [bewerken]
In het competitieschaak wordt het juist uitvoeren van een zet nauwkeurig beschreven. Indien er met schaakklok gespeeld wordt, heeft een speler de beurt zolang hij zijn knop op de klok niet ingedrukt heeft. Hij mag pas drukken nadat de zet op het bord voltooid is, en voor het indrukken van de klok moet hij dezelfde hand gebruiken als waarmee hij de zet deed. Bij het spel zonder klok wordt algemeen de regel gehanteerd dat de tegenstander aan de beurt is zodra men het gespeelde stuk heeft losgelaten.
Wie een eigen stuk aanraakt moet dit spelen als dat volgens de spelregels mogelijk is; evenzo moet een stuk van de tegenstander geslagen worden als men het aangeraakt heeft, tenzij dat onmogelijk is. Zie Pièce touchée.
Als een stuk is losgelaten en dit een reglementaire zet is of deel uitmaakt van een reglementaire zet, dan is er geen andere zet meer mogelijk. Ook niet als de klok nog niet is ingedrukt.
Schaakpartij [bewerken]
Een schaakpartij wordt ruwweg ingedeeld in drie fasen, de opening, het middenspel en het eindspel. Vanuit de beginpositie is een groot aantal reeksen van zetten en tegenzetten geanalyseerd waarvan bekend is of die uiteindelijk voordelig zijn voor wit, of voor zwart. Dit zijn de openingen. Na de opening, als de stukken ontwikkeld zijn, begint het middenspel, waarin de spelers proberen door het behalen van kleine voordelen de overmacht in het spel te krijgen. Het aantal zetmogelijkheden is hier zo groot dat er vooraf geen precieze analyses mogelijk zijn. De betere schakers hanteren alleen heuristische vuistregels die betrekking hebben op positiespel, combinatiespel, materiaalsterkte aanvals- en verdedigingsmogelijkheden en de waarde van stukken in een bepaalde stelling. In deze fase is de speler dus het meest op inzicht, creativiteit en intuïtie aangewezen. Als er over en weer veel stukken zijn geslagen loopt de koning minder gevaar en kan hij een actievere rol gaan spelen; daarmee is de fase van het eindspel aangebroken. Deze fase vereist kalm beraad en een vooruitziende blik, naast kennis van eindspelanalyses.
Dynamiek [bewerken]
De koning is in zekere zin het enige belangrijke stuk, maar het is zeker niet het sterkste stuk; samen met de mogelijkheid van pionpromotie bepaalt dit de dynamiek van het spel. Terwijl de schaakspeler normaal gesproken streeft naar het veroveren van vijandelijke stukken, vormen koningsaanval en promotie zulke overheersende doelen dat men die kan nastreven onder opoffering van aanzienlijk materiaal.
Vergelijking met andere spellen [bewerken]
Een belangrijk aspect van het schaken is dat toeval geen enkele rol speelt in het verloop. Het winnen of verliezen hangt niet af van geluk, maar evenals bij dammen en go volledig van de acties van de spelers. Heel anders is dit bij een spel met dobbelstenen of met kanskaarten zoals Monopoly, waar het toeval vaak de doorslaggevende factor is. Een tweede belangrijk verschil met veel andere spelen is dat de spelers steeds over alle informatie beschikken, dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot bridge of Stratego waarbij aanvankelijk de positie van de vijandelijke stukken of kaarten niet volledig bekend is. Hoewel het schaakspel in theorie volkomen uit te rekenen is, is het aantal mogelijke varianten zo groot, dat mens noch computer daartoe praktisch (nog?) niet in staat zijn.
Leren schaken [bewerken]
Een goede manier om te leren schaken is het volgen van de stappenmethode, die zich vooral concentreert op verdere zetten.
Noteren [bewerken]
Zie Schaaknotatie voor de wijze waarop zetten worden vastgelegd.
In de schaaksport is het gebruikelijk om de zetten die gespeeld zijn op te schrijven zodat de schaakpartij later nagespeeld en geanalyseerd kan worden. Het noteren van de zetten is verplicht bij officiële partijen; de notatie kan dan ook in voorkomende gevallen door de scheidsrechter gebruikt worden om beslissingen te staven. Aan elk veld op het bord is een coördinaat toegekend: vanuit het standpunt van wit lopen de rijen (horizontaal) van 1 tot en met 8, en de lijnen (verticaal) van a tot en met h. De witte stukken staan bij het begin van de partij dus op de eerste en tweede rij; de zwarte stukken op de zevende en achtste. Op basis hiervan worden de zetten genoteerd.
Strategie [bewerken]
Speelfases [bewerken]
Een schaakspel bestaat uit drie fases. De opening , middenspel en eindspel. Alle drie de fases hebben hun eigen strategieën.
Opening [bewerken]
De opening van het schaakspel heeft geen duidelijk eind maar is toch de belangrijkste fase uit het spel. Tijdens de opening worden de stukken in een stelling gebracht. De veel gespeelde openingen hebben een naam. Zo is er het damegambiet (1.d4 d5 2.c4) van waaruit verder kan worden voortgezet met het aangenomen damegambiet (2. ..., dxc4) of het geweigerde damegambiet (een andere zet dan 2. ..., dxc4).
Middenspel [bewerken]
Het middenspel komt na de opening. Men veronderstelt dat het middenspel begonnen is wanneer de eerste aanval op de stelling van de tegenstander is gedaan. Tijdens het middenspel kan er al mat gezet worden voordat het eindspel is begonnen. Het middenspel eindigt vaak wanneer het bord al voor een groot gedeelte leeg is en er nog geen mat is gezet.
Eindspel [bewerken]
Het eindspel is het uitspelen van de partij, de laatste fase. Vaak wordt er tijdens het eindspel gebruikgemaakt van pionnenloop (pion probeert aan de overkant te komen) en het trachten de vijandelijke koning in de hoek te drijven.
Strategieën, aanvallen [bewerken]
Er zijn binnen het schaken verschillende soorten aanvallen. Deze bijzondere aanvallen zijn vaak winstgevender dan normale. Een normale aanval is dat één stuk één ander stuk aanvalt.
Penning [bewerken]
| 8 | ||||||||
| 7 | ||||||||
| 6 | ||||||||
| 5 | ||||||||
| 4 | ||||||||
| 3 | ||||||||
| 2 | ||||||||
| 1 | ||||||||
| a | b | c | d | e | f | g | h | |
|
een Röntgenaanval met een toren, loper en paard.
|
||||||||
Een penning houdt in dat een stuk een ander stuk aanvalt maar dat het aangevallen stuk niet weg kan doordat een stuk of de koning achter hem wordt aangevallen. In het geval van de koning spreekt men dan van een absolute pin omdat het weghalen van het aangevallen stuk een illegale zet zou zijn. Bij een röntgenaanval kan het aangevallen stuk wél weg, maar ten koste van het stuk dat erachter staat. Bijvoorbeeld: een toren valt een loper aan, maar op dezelfde lijn van de loper staat het paard. Nu kan de loper wel weg maar dan wordt het paard geslagen. In het voorbeeld hiernaast is een röntgenaanval te zien.
Vork [bewerken]
Een vork houdt in dat een stuk twee andere stukken tegelijk aanvalt, waardoor er twee aanvallen ontstaan door één stuk. Vaak wordt een vork opgelost doordat het waardevolste stuk weg gaat en zo mogelijk het andere aangevallen stuk verdedigt. Wanneer een paard een dubbele aanval pleegt heet dit een paardvork.
Offer [bewerken]
Soms laat een speler een stuk 'expres' slaan, en lijkt het of het 'zomaar' wordt weggegeven, waardoor de materiaalverhouding tussen beide spelers in het nadeel lijkt uit te vallen. Is echter hierdoor een betere positie of aanvalsmogelijkheid gecreëerd die wellicht tot winst kan leiden, dan spreekt men van een 'offer'. Het meest spectaculair zijn offers van waardevolle stukken zoals de dame en toren, maar ook pionoffers komen vaak voor. Er wordt dus materiaal geofferd om de partij in iemands voordeel te kunnen beslissen. Een offer kan soms ook worden teruggewonnen in een later stadium van de partij. Men spreekt dan van een schijnoffer.
Bij een offer in de opening wordt vaak de term gambiet gebruikt.
Varianten van het schaakspel [bewerken]
Doordat het schaakspel zo veel gespeeld wordt, zijn er onnoemelijk veel varianten bedacht om het spel anders te spelen.
Soms speelt men in de huiselijke kring volgens licht afwijkende regels omdat men het eenvoudig wil houden of omdat men de spelregels niet precies kent. Veel huisschakers zijn bijvoorbeeld niet op de hoogte van pat of en passant slaan. Een sterkere speler kan een voorgift geven door bij het begin al een pion of stuk weg te laten. Soms wordt afgesproken dat degene die een partij gewonnen heeft, zijn volgende partij met een pion minder speelt.
Het probleemschaak is in principe geen variant maar een oefening, want de spelregels zijn over het algemeen niet anders. Het zijn eerder opgaven om de strategie te oefenen. De opgave zou eigenlijk moeten zijn "Wat is in deze stelling de beste zet?", maar vaak krijgt de oplosser extra informatie die hij bij een echte partij niet krijgt. Geeft men bijvoorbeeld een opgave als "Wit aan zet wint", dan weet de oplosser vooraf dat er een winnende speelwijze is. Veelvoorkomend is ook de opgave "Wit aan zet wint in drie zetten", en in dat geval weet de oplosser dat hij op de verkeerde weg is als het na drie zetten nog niet mat is, en bovendien heeft hij het probleem niet goed opgelost als hij een matvoering vindt die langer duurt.
Bekende schaakvarianten met het normale schaakbord [bewerken]
Dubbel-/doorgeefschaak [bewerken]
Bij dubbelschaak wordt gespeeld met twee borden en vier spelers. De borden worden zo neergezet dat er aan allebei de kanten een witte en zwarte beginstelling staat. De twee spelers die aan dezelfde kant zitten zijn samen een team. Zodra een van hen een stuk van de tegenstander slaat, geeft hij dat door aan zijn teamgenoot. Deze krijgt nu stukken van zijn eigen kleur. Hij mag deze stukken op een moment naar keuze op zijn bord zetten, maar niet op de plek van een ander stuk. Men mag één stuk per beurt plaatsen. Een pion mag niet op de voorlaatste rij worden gezet en natuurlijk ook niet op de eerste of laatste rij.
Er is nog een variant op het dubbelschaak die bughouse heet. Bij bughouse mogen de stukken wel met schaak worden ingezet en mogen pionnen ook op de voorlaatste rij worden ingezet.
Gekkenhuisschaak [bewerken]
Gekkenhuisschaak wordt gespeeld door twee personen op één bord, maar met twee sets stukken. Wanneer je een stuk slaat mag je deze inruilen voor een stuk van je eigen kleur. Dit stuk mag je vervolgens weer inzetten met dezelfde regels als bij dubbelschaak.
Weggeefschaak [bewerken]
Weggeefschaak wordt gespeeld door twee spelers op één bord met één set stukken. Maar het doel van het spel is om al je stukken weg te geven. Bij deze variant van schaken is slaan verplicht en mag de koning verloren gaan. Bij deze variant kan ook de klok worden gebruikt.
Chess960 [bewerken]
Chess960 of Fischer random chess is een variant van het schaakspel welke door de FIDE officieel is toegestaan. In deze variant begint de partij met een afwijkende beginstelling.
In de beginstelling staan de pionnen op de gewone plaats, dus op de 2e en 7e rij. De witte stukken op de eerste rij staan in een willekeurige volgorde, die in principe door het lot wordt bepaald. De zwarte stukken op de achtste rij staan in dezelfde volgorde tegenover dezelfde stukken van wit. Dus tegenover bijvoorbeeld een wit paard op f1 staat een zwart paard op f8. De enige beperking is dat de koning tussen de twee torens moet staan (eventueel met andere stukken ertussen) en dat de twee witte lopers op velden van een verschillende kleur moeten staan. Met deze uitgangspunten zijn 960 verschillende beginposities mogelijk, vandaar de naam, waarvan de klassiek beginstelling er één is. Er is ook een rokade gedefinieerd. Koning en toren gaan dan naar de velden waar ze in het klassieke schaakspel ook terecht zouden komen (Kc1-Td1 resp. Tf1-Kg1 voor wit).
Can I [bewerken]
Bij Can I kunnen de spelers alleen hun eigen stukken zien. Elke speler heeft dus een eigen schaakbord waarop alleen zijn eigen stukken staan. Een helper of arbiter (of computer) zorgt voor de communicatie, waarbij hij eventueel een derde bord kan gebruiken.
Doet een speler een zet die niet mogelijk is, bijvoorbeeld doordat er een stuk van de tegenstander in de weg staat of doordat hij zichzelf schaak zet, dan zegt de arbiter dat hij een andere zet moet doen.
Doet een speler een reglementaire zet, dan zegt de arbiter dat de andere speler aan zet is. Werd er een stuk geslagen, dan verwijdert de arbiter het geslagen stuk stilzwijgend van het bord van de tegenstander.
Wordt een speler schaak gezet, dan deelt de arbiter dat mede.
Een speler kan vragen "Can I?" en dat betekent: "Kan ik met een pion slaan?" Is het antwoord bevestigend, dan moet de speler minstens een keer proberen met een pion te slaan.
Computerschaak [bewerken]
Naast de fysieke bordvariant bestaat tegenwoordig ook de computervariant, soms in de vorm van een elektronisch bord, maar doorgaans wordt op een computerscherm een bord getoond. Computers spelen soms tegen elkaar, maar de mens kan ook tegen de computer spelen middels schaakprogrammatuur die vaak instelbaar is op speelsterkte, rekendiepte en tempo.
Zie ook: lijst van schaakmachines.
Rybka [bewerken]
Medio 2008 is Rybka versie 2.3.2 met afstand het sterkste schaakprogramma. De speelsterkte, uitgedrukt in de ELO-rating, overtreft ook die van de menselijke grootmeesters zodanig dat zelfs de wereldkampioen in een match weinig kans maakt. In matches tegen grootmeesters krijgen die een voorgift. Dzindzichashvili speelde in maart 2008 acht partijen met wit en kreeg in vier daarvan een pion voor; het werd 4-4. Nog slechter verging het Ehlvest: tegen een 'uitgeklede' versie uitsluitend met wit spelend eindigde zijn match in 3,5-1,5 voor Rybka.
Een match tussen de elektronische top en die van vlees en bloed is niet te verwachten, maar het ratingsysteem geeft houvast. Wereldkampioen Viswanathan Anand heeft medio 2008 een rating van 2803 terwijl de rating van Rybka wordt geschat tussen 2965 en 3104. Een laag geschat ratingverschil van 200 punten geeft aan dat Rybka dan per partij een winstkans heeft van 75%.
De nieuwe versie 3 van Rybka verscheen in de augustus van 2008. Een zeer veel sterkere (menselijke) wereldkampioen is op korte termijn niet te verwachten, aangezien maar vijf spelers in de geschiedenis een rating boven de 2800 hebben gehad. Het schaaktalent Magnus Carlsen [2] is op zeventienjarige leeftijd verder in zijn ontwikkeling dan grote wereldkampioenen zoals Kasparov of Fischer maar het is vrijwel ondenkbaar dat hij een rating van 2900 zal bereiken.
Complexiteit [bewerken]
Het aantal reglementaire stellingen op het schaakbord ligt naar schatting tussen 1043 en 1050, en de speltheoretische complexiteit is bij benadering 10123. De speltheoretische complexiteit van het schaakspel werd als eerste benaderd door Claude Shannon (grondlegger van de informatietheorie) zijnde 10120, het "Shannon getal". Vanuit een 'gemiddelde' stelling (middenspel) zijn er dertig tot veertig reglementaire zetten mogelijk, maar het kunnen er ook nul zijn (bij schaakmat of pat) of maar liefst 218. Zie ook: speltheorie.
Varia [bewerken]
Een zeer bekend geworden leerboek in de Nederlandse taal is Oom Jan leert zijn neefje schaken, door Albert Loon en Max Euwe. Het werd voor het eerst uitgegeven in 1935 en werd vele malen herdrukt: in 2003 verscheen de 25ste editie.
Grote toernooien in Nederland [bewerken]
- Tata Steel-toernooi (voormalige Corus-toernooi, daarvoor Hoogovens-toernooi) in Wijk aan Zee
- Essent-toernooi (voormalige VAM-toernooi) in Hoogeveen
- AVRO-toernooi in Groningen (1938)
Schaakorganisaties [bewerken]
- Koninklijke Belgische Schaakbond (KBSB)
- Koninklijke Nederlandse Schaakbond (KNSB)
- Nederlandse Bond van Correspondentieschakers (NBC)
- Fédération Internationale des Échecs/Wereld Schaak Federatie (FIDE)
- International Correspondence Chess Federation/Wereldbond Correspondentieschakers (ICCF)
Zie ook [bewerken]
- Wereldkampioenschap schaken
- Europees kampioenschap schaken
- Schaken van A tot Z
- Lijst van schakers
- Bekende schakers en kampioenen.
- Schaaknotatie
- Schaaktoernooi, met overzicht van nationale en internationale wedstrijden
- Schaakolympiade
- Schaakopening
- Schaakvariant
- Internationale schaaktitels
- Internationale correspondentieschaaktitels
- Chinees schaken
- Simultaanspel
- Blindschaken
- Tempozet
Noten
Externe links |
| Meer mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Chess op Wikimedia Commons. |