Schijn (honkbal)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Schijn is in het honkbal een term die een aantal onreglementaire handelingen door de werper omvat die begaan worden, terwijl er in een spelsituatie een of meerdere lopers van de tegenpartij aanwezig zijn op de honken.

Werpen[bewerken]

Het is de bedoeling dat de werper zijn worpen op een dusdanige wijze uitvoert, dat de tegenpartij niet in verwarring wordt gebracht. Dit betreft zowel de slagman als ook de speler of spelers die op de honken staan. Er zijn een aantal schijnvarianten die conform de reglementen van de honkbalbond en de internationale federaties niet toegestaan zijn.

Varianten[bewerken]

  • Wanneer de werper de schijn wekt te gaan gooien terwijl hij in contact is met de plaat en hiertoe enige vorm van werpbeweging inzet, maar vervolgens de worp niet uitvoert.
  • Als een werper zijn vrije voet achter de achterzijde van de werpplaat beweegt is hij gehouden naar de slagman te gooien. Schijn is dit in alle gevallen, behalve wanneer hij probeert een aangooi naar het tweede honk te doen om de honkloper uit te maken.
  • Als de werper terwijl hij in contact is met de werpplaat net doet alsof hij naar het eerste honk wil gooien om daar een loper uit te krijgen, maar uiteindelijk de aangooi niet uitvoert.
  • Als de werper terwijl hij in contact is met de werpplaat geen stap doet die rechtstreeks in de richting van het honk waar hij naar toegooit. Ook als een werper met zijn vrije voet zwaait of draait zonder een echte stap te doen, is dit schijn. Een werper dient rechtstreeks naar het honk te stappen voordat hij er naar toe gooit. De werper is niet verplicht om te gooien, omdat hij een stap zet (behalve naar het eerste honk). Met lopers op het eerste en derde honk is het de werper wel toegestaan om een stap te doen in de richting van het derde honk en niet te gooien, bedoeld om de loper op het derde honk terug te dwingen naar zijn honk. Wanneer hij dan ziet dat de loper op het eerste honk naar het tweede honk gaat rennen, mag hij zich omdraaien en naar het eerste honk gooien. Wanneer echter met lopers op het eerste en derde honk, de werper in contact met de plaat naar het derde honk instapt en dan inmiddels omdraait, om naar het eerste honk te gooien, is het wel schijn, omdat in dat geval het een poging betreft om de loper op het eerste honk te misleiden. In deze beweging is het namelijk vrijwel niet mogelijk om een stap te doen rechtstreeks naar het eerste honk voordat er gegooid wordt. Echter indien de werper eerst van de plaat stapt en dan pas een dergelijke beweging inzet, is het geen schijn. Als er een loper op het eerste honk staat, mag de werper wel een volledige draai zonder stoppen maken via het eerste honk en dan naar het tweede honk gooien. Dat honk wordt dan niet als onbezet gezien en de handeling niet als schijn.
  • Als de werper terwijl hij in contact staat met de plaat gooit, of doet alsof hij gooit naar een op dat moment onbezet honk, zonder dat de spelsituatie dat vereist.
  • Als de werper een onreglementaire worp uitvoert wordt deze als schijn beoordeeld indien deze zo snel wordt uitgevoerd, dat de slagman geen redelijke kans heeft gehad zich in de slagzone hier op voor te bereiden en klaar te staan. Als er honklopers zijn is dit schijn, zonder honklopers is de beoordeling "wijd". Een snelle worp is niet toegestaan in verband met de gevaarlijkheid er van.
  • Als de werper de bal naar de slagman gooit terwijl de werper met zijn gezicht van de slagman afgekeerd staat. De slagman kan zich dan niet anticiperend opstellen immers want neemt aan dat de werper de honken in de gaten houdt om stelen te voorkomen.
  • Als de werper een beweging maakt, die aangemerkt kan worden als samengaand of inzetten voor een worp, terwijl hij op dat moment niet in contact staat met de werpplaat.
  • Als de werper het spel onnodig vertraagt en de werper hiervoor een waarschuwing reeds heeft ontvangen. Het gaat hier specifiek om het verbod om een wedstrijd opzettelijk te vertragen door naar veldspelers te gooien zonder dat dit een poging betreft, om een loper uit te maken.
  • Als de werper terwijl hij niet op dat moment in het bezit is van de bal, maar wel of hij nu wel of niet op de werpplaat staat doet alsof hij gaat gooien.
  • Als de werper de bal plotseling loslaat met een of beide handen terwijl hij al een reglementaire werphouding heeft aangenomen. Dit geldt niet tijdens het werpen of tijdens een aangooi naar een van de honken.
  • Als de werper de bal per ongeluk of expres laat vallen terwijl hij in contact is met de werpplaat.
  • Als de werper bezig is met een opzettelijke vier wijd actie aan een slagman, maar opeens slag gaat gooien terwijl zijn achtervanger zich niet langer in het vanggedeelte achter de slagplaat bevindt.
  • Als een werper de bal vanuit ene vaste stand werpt zonder dat hij volledig heeft stilgestaan in de ruststand.
  • Als een werper wijdbeens over de werpplaat staat zonder dat deze de bal in het bezit heeft. Dit wordt als poging tot misleiding beschouwd.

Strafbepaling[bewerken]

De straf voor de overtreding schijn is het stilleggen van het spel (de bal is dan dood) en elke honkloper moet één honk opschuiven. Deze bepaling geldt niet als de slagman het eerste honk bereikt op een honkslag, vier wijd, een fout, de slagman geraakt is door de geworpen bal of anderszins en elke honkloper ten minste één honk opschuift. In dit geval vindt het spel gewoon doorgang.

Officiële beslissingen[bewerken]

Als een werper schijn begaat en vervolgens een wilde worp gooit, ofwel richting de thuisplaat, ofwel richting een honk, mogen de honklopers op eigen risico verder gaan dan het honk, waarop ze uit hoofde van de beslissing reeds recht hebben. Als een loper het eerstvolgende honk waartoe hij recht heeft mist en die op een appel ertegen wordt uitgegeven, moet voor de toepassing van de regel beoordeeld worden als zijnde dat deze een honk was opgeschoven.

Beoordeling van schijn[bewerken]

De uitgangssituatie voor de beoordeling van de schijnregel door de scheidsrechter, is dat deze altijd primair moet stellen dat het doel van de schijnregel is te voorkomen, dat een werper opzettelijk de honkloper misleidt. Bij twijfel dient de scheidsrechter de bedoeling van de werper naar beoordeling van de scheidsrechter zelf ter plekke de doorslag te laten geven.

Bronnen, noten en/of referenties