Schutterij (historisch)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Officieren van de Goudse schutterij onder leiding van kolonel Govert Suijs sr., geschilderd door Ferdinand Bol in 1653
Drie overlieden van de Amsterdamse schutterscompagnie Sint Sebastiaan, Joan Blaeu, Joan van der Poll en Albert Pater geschilderd door Bartholomeus van der Helst in 1653, destijds oefend in de Handboogdoelen. De vierde man zou volgens Jan Wagenaar de broer van de schilder zijn en kastelein. Anderen suggereren Frans Banning Cocq of Cornelis Jan Witsen

De schutterij of het schuttersgilde was een militie, bestaande uit burgers, opgericht in de Middeleeuwen om de stad of het dorp te beschermen bij een aanval en de orde te handhaven bij oproer, brand of prominent bezoek. De kerntaken van de schutterij waren aldus te vergelijken met die van de hedendaagse politie: het bewaken en bewaren van orde rust en veiligheid van de burgers. Het valt te betwijfelen of er sprake is van een echt gilde omdat het om "vrijwilligers" ging, die ook nog een ander beroep uitoefenden. De gilden hadden aanvankelijk een sterk religieus karakter, ook de schutterij beschikte vaak over een eigen kapel en altaar. Na de Nederlandse Opstand speelde het sociale karakter een niet te verwaarlozen rol.

De naam schutterij komt waarschijnlijk van het schieten, eerder dan van het beschutten.[1] Schutterijen waren aanvankelijk gegroepeerd volgens het wapen dat ze gebruikten: de handboog, de voetboog of het geweer en later naar hun wijk. Hun oefenterreinen, de doelen, waren in bijna alle gevallen nabij de stadsmuren, zodat de eventuele schade beperkt zou blijven.

De officieren[bewerken]

Om toe te treden tot de schutterij moest men burger of poorter zijn van de stad en in staat zijn de uitrusting te bekostigen: de aanschaf van een wapen en functionele of status bevestigende kleding, zoals een hoed met een pluim of een zijden sjerp. De vaandrig was vaak een in het geel uitgedoste ongetrouwde jongeman; de kapitein was niet altijd afkomstig uit de wijk, als de buurt niet zelf een geschikte of betrouwbare kandidaat kon leveren. Voor de plaatselijke elite was het toetreden of uitdienen van een tweejaarlijkse periode vaak een opstapje tot andere, belangrijke posten.

De schutters[bewerken]

Het terrein van de Sint-Jorisdoelen in Gouda op de kaart van Joan Blaeu
De schutterij van Den Haag, geschetst rond 1700 door Romeyn de Hooghe

De schutterij was een steun voor het lokale gezag, omdat de officieren werden benoemd door het stadsbestuur. Bij toerbeurt (bijvoorbeeld een keer in de maand) liepen de schutters wacht onder leiding van een officier. Aan het begin van hun dienst werden de sleutels van de poorten afgehaald bij de verantwoordelijke burgemeester en in de ochtend weer teruggebracht.

Het toezicht op de schutterij werd meestal toegewezen aan de jongste of laatst toegetreden burgemeester en lijkt een soort sluitpost te zijn geweest. Pas aan het einde van de 18e eeuw was er sprake van het invoeren van een soort wachtgeld om de aantrekkelijkheid en opkomst te verbeteren. Wie te laat kwam of onder invloed verscheen moest een boete betalen van enkele stuivers.

Doopsgezinden, die vanwege hun geloof geen wapens mochten dragen, waren in de 16de, 17de en 18e eeuw vrijgesteld van een functie in de schutterij en betaalden daarvoor een contributie.[1] Ook van joodse inwoners van de stad werd geen gebruik gemaakt. De regenten konden besluiten dat personen in dienst van de stad, zoals een predikant, stadsmedicus, schoolmeester de koster en de bier- en turfdragers niet behoefden te dienen. De bier- en turfdragers moesten werden ingezet bij het brandspuitgilde om de pompen te bedienen. In Suriname waren in 1742 acht schutterscompagnieën geformeerd.

Uitvoering schutterstaken[bewerken]

Bij brand of gevaar moest de torenblazer, in dienst van de stad, de dienstdoende leden van de schutterij, die zich meestal in het wachthuis ophielden en kaart speelden waarschuwen, door in de richting van het gevaar te spelen.

De kanonnen konden rond 1600 niet vaker dan twee of drie keer per tien minuten worden afgevuurd. Werden ze namelijk te snel herladen, dan was de loop nog te heet van het vorige schot en bestond de kans dat het wapen zou ontploffen.

Voor het operationeel houden van een batterij (groep) kanonnen was een hele schare mensen nodig. De kern van het geheel werd gevormd door de bemanningen van de kanonnen. Deze kanonniers moesten in open veld worden beschermd tegen aanvallen van ruiters en voetsoldaten. Daarvoor waren er de piekeniers met hun lansen van 5,5 meter. Elk kanon stond op een onderstel, affuit genoemd. Belegeringsaffuiten hadden grote wielen waardoor ze gemakkelijk te verplaatsen waren. Dit soort geschut had twee wielen en een zogenaamde grondschop aan de achterzijde om de terugloop tegen te gaan tijdens het vuren. Een schutterij had ook soms een rolpaard. Dit affuit heeft een viertal kleinere wielen en was aanvankelijk vooral op schepen te vinden. De terugloop van dit wapen werd tegengegaan door het eenvoudig met een flink touw vast te binden bij voorbeeld aan een boom, of aan ringen in de stadswal. Later werd ook dit type op vestingwerken ingezet.

Schuttersstuk[bewerken]

Frans Hals en Pieter Codde: Het korporaalschap van kapitein Reinier Reael en luitenant Cornelis Michielsz Blaeuw oftewel De Magere Compagnie, 1637

Een schutterij liet zich als het even kon op een schilderij verenigen. Diegenen de kapitaalkrachtig waren poseerden voor de schilder die de opdracht kreeg de heren zo fraai mogelijk uit te beelden. Een beroemd voorbeeld van zo een schuttersstuk is de Nachtwacht. Ieder afgebeelde betaalde de schilder, afhankelijk van de plaats die hij innam op het schilderij. De geportretteerden waren in dit geval niet zo blij met het resultaat: in plaats van een groep fiere en ordelijke mannen schilderde Rembrandt niet wat hij zag.

Ernst van de Wetering verklaarde in 2006 dat de Nachtwacht "... in zekere zin is mislukt en dat moet hij geweten hebben. Rembrandt wilde zowel de chaos van door elkaar lopende figuren schilderen, als een compositorische ordening nastreven".

Schuttersstukken werden opgehangen in de doelen ter verfraaiing van de feestzaal.

Terugval in de 18e eeuw[bewerken]

Het Exercitiegenootschap van Sneek (1786), verzameld op de Marktstraat, door Hermanus van de Velde. Fries Scheepvaart Museum, Sneek

In 1748 eisten de Doelisten van stadhouder Willem IV dat deze de officieren zou laten benoemen door de burgerij. Willem IV weigerde, toen men het in sommige wijken niet eens kon worden over de kandidatuur. In 1755 is voorgesteld dat de schutters die een eed moesten afleggen op de Staten-Generaal der Nederlanden, ook de erfstadhouder hun aanhankelijkheid moesten betuigen.[2] Dat was tegen het zere been van de Staatsgezinden. In de tweede helft van de 18e eeuw was de schutterij ingedut en overwegend prinsgezind. Er werd soms een keer per jaar geoefend. Het bleek bovendien praktijk om zich uit te kopen voor het wachtlopen. Er kwam veel kritiek op de organisatie.

De patriotten hebben in 1783 geprobeerd de schutterij nieuw leven in te blazen of een alternatief op te richten. In veel steden ontstonden exercitiegenootschappen, vrijcorpsen of vrijwillige schutterijen, waarvan iedereen lid kon worden. De officieren werden democratisch gekozen. De exercerende dominees en winkeliers werden door de prinsgezinden belachelijk gemaakt. In Groningen werkte het vrijcorps "Voor Onze Duurste Panden" samen met de Groninger Schutterij.

In de Franse tijd werden alle verenigingen die aan de kerk gelieerd waren, zoals broederschappen en schutterijen, verboden en hun bezittingen werden in beslag genomen. Door het concordaat dat Napoleon op 15 juli 1801 met paus Pius VII sloot, en dat op 8 april 1802 in werking trad, werd de eredienst hersteld en dat betekende tevens dat broederschappen en schutterijen weer actief mochten worden.

De schutterij in de 19e eeuw[bewerken]

Het Onderscheidingsteken voor langdurige dienst als officier der Schutterij

Heroprichting[bewerken]

In 1813 werden de schutterijen, na het vertrek van de Fransen, heropgericht om in de steden waar deze werden opgericht orde en rust te handhaven. Daarnaast zou de schutterij de nationale militie kunnen dienen ter verdediging tegen buitenlandse aanvallen. In noodgevallen konden militie en schutterijen worden samengevoegd tot de zogenaamde landstorm. Op 20 december 1813 werd het Reglement van algemeene volkswapening, landstorm en landsmilitie[3] van kracht. Daarin werd de organisatie van de stedelijke schutterijen opgedragen aan de plaatselijke gemeentebesturen. Uitwerking volgde op 27 februari 1815 met de Wet tot het in werking brengen van art. 125 en 126 der grondwet omtrent de oprigting der schutterijen[4][5].

Organisatie[bewerken]

In die wet werd bepaald dat 3 procent van de mannen tussen 18 en 50 jaar schutterplichtig was. Op 11 april 1827[6] werd dat veranderd in 2% van de mannen tussen 25 en 34 jaar oud. De schutterijen waren gemeentelijk georganiseerd. Er bestonden dienstdoende en rustende schutterijen. Dienstdoende schutterijen moesten worden opgericht in gemeenten met meer dan 2500 inwoners binnen de besloten kring of omtrek der gebouwen en hielden regelmatig exercitie- en schietoefeningen. Deze werden onder meer ingezet tijdens de Belgische Opstand. Kleinere steden of gemeentes konden volstaan met rustende schutterijen. Dit betekende dat de schutterplichtigen wel werden opgeroepen, van hen werden ook inschrijvingsregisters opgesteld, maar zij oefenden niet.

Verwarring[bewerken]

De nieuw opgerichte (dienstdoende dan wel rustende) schutterijen moeten niet verward worden met de historische schuttersgilden. Deze gilden bleven hun religieuze en sociale taken op lokaal niveau behouden, maar hebben hun militaire taken reeds verloren. De historische schutterijen ontwikkelen zich in de 19e eeuw geleidelijk tot folkloristische schutterijen. De nieuw opgerichte schutterij was landelijk bij wet geregeld (als een nieuw legeronderdeel) en staat dus geheel los van de historische schutterijen, die enkel lokaal actief waren. Verwarring ontstaat vaak wanneer de historische schutterij niet of nauwelijks actief is en 'schutterij in ruste' of 'rustende schutterij' genoemd wordt. Kleine steden of gemeentes hadden in de 19e eeuw bij wet ook een 'rustende schutterij', die echter niets met elkaar te maken hadden. De uitzondering die de verwarring compleet maakt is de stadsschutterij van Maastricht. Deze vereniging werd opgericht in 1982 en ziet zichzelf als een voortzetting van de dienstdoende schutterij uit de 19e eeuw.

Opgeheven[bewerken]

Het systeem van schutterijen werkte echter niet meer naar tevredenheid na vijfhonderd jaar. Er was in de Franse tijd nog jarenlang gedelibereerd om het probleem op te lossen. Uiteindelijk werd onder koning Willem I de veel professionelere politie opgericht. De vernieuwde schutterijen bleven oefenen en werden - net als de na het opheffen van de schutterij ingestelde landweer en landstorm - als een bruikbare ondersteuning bij verdediging van de landsgrenzen en konden worden ingezet bij opstanden. Koning Willem III gelaste in 1855 dat de officieren van de schutters een Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst zouden ontvangen na vijftien jaar dienst. Dit insigne was in vorm gelijk aan dat van de officieren van het leger maar lint en materiaal verschilden. Op 24 juni 1901[7] werd besloten tot opheffing van de schutterijen die binnen enkele jaren haar beslag zou moeten krijgen, en trad de wet op de landweer in werking. Bij Koninklijk Besluit van 9 oktober 1907 wordt aan de officieren van de bataljons dienstdoende en rustende schutterijen eervol ontslag verleend, waarmee volledig uitvoering is gegeven aan de Landweerwet van 1901.

Heden[bewerken]

Vandaag bestaan er nog folkloristische schutterijen, maar zij hebben vooral een sociale, culturele en toeristische functie. Het schutterswezen is erg actief in Belgisch en Nederlands Limburg, in Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland en in het zuiden en oosten van Gelderland. In november 2013 werd bekendgemaakt dat de schuttersgilden in Noord-Brabant op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed geplaatst zullen worden.[8]

Externe links[bewerken]

Legermuseum: Schutterij actief tijdens Tiendaagse Veldtocht, 6 augustus 1831

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Marijke Carasso-Kok, Schutters in Holland : kracht en zenuwen van de stad. Zwolle/Haarlem, 1988.
  2. Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie, deel XXII, p. 219-220
  3. Staatsblad 1813, no. 14.
  4. Art. 125 en 126 der grondwet. Staatsalmanak 1815, p. 5-42.
  5. Staatsblad 1815, no. 18.
  6. Wet houdende oprigting van schutterijen over de geheele uitgestrektheid des rijks. Vastgesteld den 11den april 1827 en uitgegeven den 18den april 1827, Staatsblad no. 17.
  7. Wet van 24 juni 1901 tot regeling van de landweer en van de opheffing van de schutterijen, Staatsblad 160.
  8. Schuttersgilden op erfgoedlijst, op website: nos.nl