Schutterij van Geertruidenberg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De schutterij van Geertruidenberg is een schutterij die regelmatig actief is om belangstellenden te laten zien hoe het er rond 1600 aan toe ging bij de kanonnen op de vestingwerken. Getooid in traditionele kledij geven de meer dan dertig leden van de Bergsche Batterij demonstraties met vier kanonnen op de wapenplaats van Geertruidenberg, gelegen tussen de Venestraat en het Commandeursbolwerk.

De optredens van de Bergsche Batterij laten zien hoe traag het er naar hedendaagse begrippen aan toe ging rond 1600. De kanonnen konden niet vaker dan twee of drie keer per tien minuten worden afgevuurd. Werden ze namelijk te snel herladen, dan was de loop nog te heet van het vorige schot en bestond de kans dat het wapen zou ontploffen. Na elk schot was er een pauze om de inwendige mens te versterken. De vechtjassen namen dan een slok bier want het water was in die tijd te vies om te drinken.

Voor het operationeel houden van een batterij (groep) kanonnen was een hele schare mensen nodig. De kern van het geheel werd gevormd door de bemanningen van de kanonnen. Deze bemanningen moesten in open veld worden beschermd tegen aanvallen van ruiters en voetsoldaten. Daarvoor waren er de piekeniers met hun lansen van 5,5 meter. Verder waren er de vaandeldrager, de tamboer en de batterijcommandant. De Bergsche Batterij heeft de beschikking over vier kanonnen. De lopen van deze kanonnen zijn uit de zeventiende eeuw. De onderstellen, affuiten genoemd, zijn nagebouwd, maar voldoen aan alle eisen die er toen werden gesteld. De drie belegeringsaffuiten zijn met hun grote wielen gemakkelijk te verplaatsen en werden daarom vooral in het veld gebruikt. Dit soort geschut had twee wielen en een z.g. grondschop aan de achterzijde om de terugloop tegen te gaan tijdens het vuren. Daarnaast heeft de Geertruidenbergse schutterij nog een rolpaard. Dit affuit heeft een viertal kleinere wielen en was aanvankelijk vooral op schepen te vinden. De terugloop van dit wapen werd tegengegaan door het eenvoudig met een flink touw vast te binden bijvoorbeeld aan een boom, of aan ringen in de stadswal. Later werd ook dit type op vestingwerken ingezet.