Scythen
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De Scythen waren een Indo-Europees nomadisch volk van Iraanse afkomst dat leefde op de steppen van Centraal-Azië en die zich van daaruit richtte op de gebieden aan de Zwarte Zee. Later werden ze door de Sarmaten verdreven. Hun gebied reikte tot Zuid-Palestina en Klein-Azië.
De Scythen bedreven niet alleen akkerbouw, ze hadden ook grote kuddes vee, waarmee ze van het noorden (het binnenland van Oekraïne en de zuidkant van Rusland) naar het zuiden trokken. Ook hielden ze paarden, waarop ze in tijden van nood ten strijde konden trekken. De superioriteit van de Scythen berustte op de strijdtechniek van de steppe: ruiters met lichte bewapening, bestaande uit hoornen bogen en pijlen met driekantige spitsen uit steen, bot, brons of ijzer.
Later ontstonden door de invallende Sarmaten twee groepen Scythen. De ene groep trok rond in huifkarren en plunderde steden langs de Zwarte Zee en huisvestte zich in het zuiden van Rusland. Ze leefden van veeteelt en handel in pelzen. Een andere groep leefde van akkerbouw en bouwde ommuurde steden met een fijn stratenplan; zij leefden ten westen van de Dnestr.
Zij beheersten een lange tijd de Pontische steppe en een groot deel van Zuidoost-Europa en ze waren vaardig in het bewerken van goud en zilver en brons. In de 7e eeuw v. Chr. achtervolgden ze Cimmeriërs naar Klein-Azië en stuitten ze op de Assyriërs en de Meden. In 628 v.Chr. wierp Cyaxares hen terug. Van 514 tot 512 v.Chr. hielden de Perzische koningen Cyrus en Darius veldtochten tegen de Scythen ten noorden van de Zwarte Zee. Over de Djnestr drongen de Scythen de Balkan binnen langs de benedenloop van de Donau, de Pannonische vlakte en het gebied ten zuiden van de Karpaten. Een latere uitval bracht hen in de huidige mark Brandenburg. De aanvallen richtten zich op de culturen van het zuiden en tevens op het westen. Scythen en Cimmeriërs drongen door tot in het huidige Oost-Duitsland, Beieren en Noord-Italië.
[bewerk] Scythische kunst
De Scythen begroeven hun koningen in koergans. Dit zijn koningsgraven, waar goud, paarden en sieraden in zijn gevonden. Vrouwen en gevolg, alsmede paarden werden daarbij ook gedood en bijgezet in deze graven. Ze maakten mozaïeken in een herkenbare stijl met dieren en paarden en later met griffioenen en planten. Ze gebruikten scherpe lijnen die de vlakken afschermden en zo een spanning opwekken. Ook hebben ze de jagersmotieven uit de steentijd overgenomen in gouden en bronzen mallen.
De Scythen spraken een Oost-Iraanse taal, waarin drie dialecten te onderscheiden zijn. Deze Scythische talen werden gesproken tussen de 8e eeuw v.Chr. en de 5e eeuw na Chr.

