Serpentiniet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Serpentiniet

Het metamorfe gesteente Serpentiniet is een vooral door hydrothermale activiteit omgezette peridotiet. Van een afstand is het gesteente in het landschap herkenbaar als een schaarsbegroeid, grijsgroen eiland dat uit de frisgroene vegetatie eromheen oprijst.

Eigenschappen[bewerken]

Het gesteente bestaat naast amfibool vooral uit het mineraal serpentijn, een magnesiumsilicaat met chemische formule (Mg, Fe)3Si2O5(OH)4. Dit olijf-groene tot grijs-groene mineraal, met een hardheid van 3 tot 5 is ontstaan uit omzetting van de mineralen olivijn en pyroxeen.

Naamgeving[bewerken]

Net als het mineraal serpentijn, is ook de naam van het gesteente serpentiniet afgeleid van het Latijnse woord serpens, dat "slang" betekent.

Voorkomen[bewerken]

Serpentiniet kan gevonden worden in gebieden waarin ultramafische gesteenten als peridotiet of mafische gesteenten als gabbro of basalt omhoog zijn gekomen en door verhoging van temperatuur gemetamorfoseerd zijn tot serpentiniet. Voorbeelden zijn orogenen als Griekenland, de Alpen en de Rocky Mountains.


Ecologie[bewerken]

Serpentinietgesteente bevat relatief veel metalen, met name chroom en nikkel, die voor veel plantensoorten schadelijk zijn. Daarenboven heeft het weinig calcium en kalium beschikbaar die voor plantengroei nodig zijn. De bodem die uit het verweerde gesteente ontstaat is het sterk erosiegevoelig. Hij blijft daardoor dun en droogtegevoelig. Aanvankelijk is de bodem basisch, net als het gesteente, maar hij verzuurt snel. Als gevolg hiervan zijn serpentiniet ontsluitingen schaars begroeit met een vegetatie die bestaat uit metallofytische soorten, de serpentinofyten. Voorbeelden van serpentijnsoorten zijn de varens Asplenium adultinerum, Asplenium cuneifolium en Cheilanthes marantae[1].


Bronnen, noten en/of referenties
  1. Rasbach, K.; Rasbach, H.; Wilmanns, O., 1968. Die Farnpflanzen Zentraleuropas. Quelle & Meyer, Heidelberg, Duitsland; pp 114-119