Sextus Propertius

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Sextus Propertius (circa 47-15 v.Chr.) was een Romeins elegisch dichter en behoorde samen met Ovidius en Tibullus tot de elegiaci.

Biografie[bewerken]

Sextus Propertius werd geboren tussen 49 en 47 v. Chr. in Umbrië, zeer waarschijnlijk in de plaats Assisi. Het enige wat bekend is over hem heeft hij zelf geschreven, dus alles wat er over hem bekend is, is niet met zekerheid te bevestigen. De familie was slachtoffer van de akkerverdeling die in 41. V.Chr. plaatsvond. De vader van Propertius was een Romeins ridder. Toen hij nog een kind was overleed zijn vader en werd hij door zijn moeder naar Rome gestuurd, om zo aan een opleiding tot advocaat te beginnen. Hij wilde dat niet en begon een carrière als dichter. Deze beslissing nam hij doordat hij een vrouw had ontmoet die hij Cynthia noemde, maar die eigenlijk Hostia heette. Hij werd verliefd op haar en begon met het schrijven van gedichten over Cynthia. Als dichter vond hij gemakkelijk toegang tot de literaire kring van Maecenas en werd op die manier bevriend met Vergilius en Ovidius. [1]

Propertius had een kort leven. In zijn verzen hebben we geen chronologische verwijzingen meer na het jaar 16 v. Chr. Hij zou dus in dat jaar of vlak na dat jaar dood zijn gegaan. Wat wel zeker is, is dat hij in 2 v. Chr. niet meer in leven was, omdat dat werd verteld in het werk van Ovidius. [2]

Literaire betekenis[bewerken]

Propertius’ verzen zijn gepassioneerder dan die van Tibullus. Deze dichter was een tijdsgenoot was Propertius en heeft een vergelijkbare schrijfstijl. Propertius schreef zijn gedichten niet in de eenvoud en doorzichtigheid waarin Tibullus schreef. Hij schreef in gewaagdere taal, zijn gedichten waren minder vloeiend en duister van aard. Propertius had wel een grote verbeeldingskracht en originaliteit. Propertius schreef meeslepende verzen. Zijn verzen waren soms vergezocht en er kwamen soms subtiele geleerde stukken in voor. Dit zorgde ervoor dat het meeslepende effect van zijn verzen afgezwakt werd.

Propertius beschouwde de Alexandrijnen Callimachus en Philetas als zijn leermeesters. In hun gedichten die over actuele onderwerpen gaan kwamen mythologische aspecten voor. Dit deed Propertius ook in zijn gedichten, maar van beide heren zijn weinig gedichten meer te vinden. Het is dus lastig om de invloed van deze dichters op Propertius te bepalen. [3]

N.B. De tekstoverlevering van Propertius' œuvre levert voor de filoloog specifieke moeilijkheden op, doordat verschillende versregels verloren en/of verplaatst zijn.

De vier boeken "Elegieën"[bewerken]

Het eerste boek van zijn gedichten werd door het lezerspubliek enthousiast ontvangen, en dit bezorgde hem zijn toegang tot de kring van Maecenas. Maecenas was de minister van Propaganda onder het bewind van Augustus. Maecenas kon zijn verplichtingen niet verzuimen en moest wel aan Propertius vragen of hij teksten kon schrijven die het bestuur van Augustus nog populairder zou maken. Vanaf dat moment zocht Propertius naar excuses en compromissen om geen propaganda te hoeven schrijven. Waar dit eerste boek de verliefdheid van de dichter schildert, vindt de lezer in het tweede een grotere variatie van stemmingen, en duiken soms ook zinspelingen op de mogelijke ontrouw van zijn Cynthia op. In het derde boek treedt Cynthia meer op de achtergrond: ook andere thema's komen aan het licht, al blijft ook alles rond het thema liefde cirkelen. Over de boeken 1 tot en met 3 deed Propertius ongeveer 8 jaar. Het vierde boek staat los van de Cynthia-cyclus en bevat een geheel ander soort gedichten. Propertius is van alle Romeinse dichters een van de meest gefrustreerde. In zijn eerste drie boeken kun je lezen dat hij een erotische obsessie heeft. Bij zijn gedichten is het moeilijk te zien waar een gedicht ophoudt en het volgende begint. Vooral in boek 11 is dit onduidelijk. Doordat Propertius een eigen taalgebruik heeft, worden zijn gedichten soms voor slecht latijn aangezien. Generaties kopiisten en geleerden hebben aan de gedichten gewerkt om ze enigszins te normaliseren. Modernere lezers nemen vaak de teksten aan voor wat ze zijn maar minder ruimdenkende mensen uit de middeleeuwen veranderde veelal stukken uit de teksten.

  • Boek 1:

22 elegieën die elk uit ongeveer vijftien verzen bestonden. Dit boek ging vooral over de verliefdheid, en dat is ook meteen te zien aan het eerste woord dat in het boek voorkomt (Cynthia, Cynthia prima suis miserum me cepit ocellis, contactum nullis ante cupidinibus). Propertius is erg geobsedeerd geraakt door deze vrouw. De ervaringen die hij met deze vrouw heeft, deelt hij met zijn vrienden Bassus, Gallus, Tullus en Ponticus. Propertius schrijft ook rechtstreeks tot de vrouw van zijn dromen. In het ene gedicht schrijft Propertius erg positief over zijn geliefde, de andere keer is hij erg ontevreden over haar ontrouw en maakt hij haar belachelijk en zwart. In dit boek gaat het verder ook nog over de staat waar Octavianus mee bezig was om te creëren na zijn overwinning in Actium (31 v.Chr.). Het boek werd zelf gepubliceerd in 28 v. Chr. en staat ook wel bekend onder de Griekse naam Monobiblos, wat ‘enige boek, of op zichzelf staand boek' betekent.[4]

  • Boek 2:

34 elegieën die elk uit ongeveer twintig verzen bestonden. In dit boek kwam het contact met Maecenas naar voren, die hem tot zijn kringen had toegelaten na het lezen van zijn eerste werk. De hoofdpersoon in dit boek is nog steeds Cynthia, met al haar liefdes en afwijzingen. In boek 2 is er bewijs gevonden van de druk die Maecenas op Propertius uitoefent om positief over het regime te schrijven. Het tweede boek begint met een weigering. Een Elegante maar vastberaden afwijzing. Propertius verklaart zichzelf niet in staat om de taak van profeet op zich te nemen door propaganda voor het bestuur van keizer Augustus te schrijven. Propertius houding is in boek twee veranderd ten opzichte van boek 1. Hij schrijft complexer en is minder recht door zee. Dit boek werd zo rond 25 v. Chr. geschreven.

  • Boek 3:

25 elegieën die in totaal uit tweeduizend verzen bestonden. Het boek gaat nog steeds over zijn geliefde Cynthia, maar wordt overschaduwt door de scheiding tussen Propertius en Cynthia. Naast de liefde gaat het ook over het regime van keizer Augustus, waarin hij hem goede dingen wenst voor de strijd tegen de Perzen. In dit boek ligt de aandacht van Propertius ook meer op de sterfelijkheid en over het leven binnen de officiële kringen van de leider. Dit boek werd zo rond 22 v. Chr. geschreven.

  • Boek 4:

Elf elegieën die in totaal uit zo’n duizend verzen bestonden. Er gaan maar slechts twee gedichten over Cynthia, die vooral negatief over haar spreken. De rest van het boek gaat over de cultuur binnen Italië en over de goden. Hij dicht over onder andere Apollo, de persoonlijke beschermgod van Augustus. Dit boek werd ongeveer in 16 v. Chr. geschreven, slechts een jaar voor zijn dood. [5]

Bekende citaten[bewerken]

Propertius heeft in zijn tijd enkele citaten geïntroduceerd, die vandaag de dag nog bekend zijn. [6]

  • Laat elke man zijn dagen doorbrengen in datgene waarin hij het beste in is.
  • Zelfs een trouwe minnares kan worden gebogen door een constante bedreiging.
  • Liefde kan worden uitgesteld, maar liefde kan nooit worden verlaten.
  • Leeftijd maakt alle dingen groter na de dood; een naam komt wordt gemakkelijker verteld vanuit het graf.
  • Laat niemand bereid zijn slecht te spreken over de afwezige.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. uit 'A handbook of Latin Literature - From the earliest time to the death of St.Augustine', geschreven door H.J. Rose, voor het eerst gepubliceerd in 1936 en voor dit stuk is de versie uit 1996 gehanteerd. (pagina 289) G.J.M Bartelink, Klassieke letterkunde – overzicht van de Griekse en Latijnse literatuur, Nijmegen , 2008, Pagina 214
  2. uit 'Klassieke letterkunde - Overzicht van de Griekse en Latijnse letterkunde', geschreven door G.J.M. Bartelink, voor het eerst gepubliceerd in 1964 en voor dit stuk is de versie uit 1989 gehanteerd. (pagina 214). Gian Biagio Conte, Letteratura latina: manuale storico dalle origini alla fine dell'impero romano, Firenze, 1987, vertaald door Joseph B. Solodow, Latin Literature - A History, London, 1999, pagina’s 331 en 335
  3. uit 'Het feest van Saturnus - De literatuur van het heidense Rome', geschreven door Piet Gerbrandy en gepubliceerd in 2007. (pagina 186) G.J.M Bartelink, Klassieke letterkunde – overzicht van de Griekse en Latijnse literatuur, Nijmegen , 2008, Pagina 214 en 215
  4. Van Dam, H.J., 'Prolegomena zu einer Edition der Monobiblos' in: E.Lefèvre und E. Schäfer, Daniel Heinsius. Klassischer Philologe und Poet, Tübingen (Gunter Narr Verlag) 2008, pagina 173 2 Piet Gerbrandy, Het feest van Saturnus – De literatuur van het heidense Rome, Amsterdam , 2007, pagina 186. H.J. Rose, A handbook for latin literature- From the earliest times to the death of st. Augustine, London, 1936, pagina’s 290 en 291 en 292
  5. Gian Biagio Conte, Letteratura latina: manuale storico dalle origini alla fine dell'impero romano, Firenze, 1987, vertaald door Joseph B. Solodow, Latin Literature - A History, London, 1999, pagina’s 331, 332, 333 en 335.
  6. [1] Site voor de citaten van Propertius.

Gerelateerd onderwerp: Latijnse literatuur