Simon Carmiggelt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Simon Carmiggelt
Simon Carmiggelt (1973)
Simon Carmiggelt (1973)
Algemene informatie
Volledige naam Simon Johannes Carmiggelt
Pseudoniemen K. Bralleput
Geboren 7 oktober 1913, Den Haag
Overleden 30 november 1987, Amsterdam
Land Vlag van Nederland Nederland
Beroep columnist, auteur
Handtekening Handtekening
Werk
Genre cursiefje
Invloeden Anton Tsjechov, Willem Elsschot
Bekende werken Klein beginnen
Kroeglopen
Mooi weer vandaag
Uitgeverij De Arbeiderspers
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Simon Johannes Carmiggelt (Den Haag, 7 oktober 1913Amsterdam, 30 november 1987) was een Nederlandse schrijver, vooral bekend van zijn dagelijkse cursiefjes (Kronkels) in Het Parool en door zijn televisie-optredens. De bekendste titels onder zijn jaarlijkse selectie Kronkels zijn Kroeglopen (1962) en Kroeglopen 2 (1965). In 1961 werd hem de Constantijn Huygens-prijs toegekend en in 1974 de P.C. Hooft-prijs.

Carmiggelt groeide op in zijn geboortestad Den Haag, waar hij zich in de praktijk bekwaamde in het journalistenvak, aanvankelijk onbezoldigd. Eind 1931 werd hij aangenomen als journalist bij de Haagse editie van Het Volk, die de titel Vooruit voerde. Aan deze krant was ook Carmiggelts vier jaar oudere broer Jan verbonden. Carmiggelt schreef niet alleen toneelrecensies en verslagen van kleine rechtszaken, maar vanaf 1936 ook de rubriek Kleinigheden, die als voorloper van de latere Kronkels beschouwd kan worden. Halverwege de jaren dertig kreeg hij opdracht de bijeenkomsten van de NSB te verslaan, omdat de krant de ware aard van deze organisatie wilde tonen. De krant was sterk anti-Duits. Carmiggelt trouwde op 6 september 1939 met de 26-jarige Tiny de Goey, toen al zwanger van dochter Marianne. In 1940, vlak voor het uitbreken van de oorlog, verscheen zijn eerste boek, Vijftig dwaasheden, een selectie van de beste Kleinigheden.

Toen de bezetter in juli 1940 de koers van de krant ging bepalen, namen Carmiggelt en zijn broer Jan ontslag. Om in zijn levensonderhoud te voorzien, schreef Carmiggelt in opdracht van de VVV een wandelgids door Den Haag. Ook werd hij hoofdredacteur van het weekblaadje Deze week in Den Haag. Nog hetzelfde jaar werd hij persagent van het Residentie Tooneel. Toen de bezetter in juli 1941 de niet-jood verklaring eiste van alle medewerkers, weigerde Carmiggelt als enige die te tekenen en moest dus zijn ontslag accepteren. Op verzoek van vrienden die een uitgeverij waren begonnen waar veel joden werkten die elders ontslagen waren, schreef Carmiggelt de detectiveroman John Justus Jacob. Verder hield hij zich met allerlei baantjes in leven.

In 1942 werd zoon Frank geboren. In deze tijd begon ook de illegale krant Het Parool te verschijnen, een gevaarlijk initiatief van vrienden van Carmiggelt, die daar vanwege het risico zelf eerst buiten gehouden werd omdat hij een gezin had. Toch werkte Carmiggelt al snel mee. In 1943 werd zijn in het verzet actieve broer Jan Carmiggelt door toedoen van de bevriende economist Friedrich Weinreb verraden en kwam om in kamp Vught, waar hij als dwangarbeider te werk was gesteld. Carmiggelt zelf raakte nu nauw betrokken bij de vervaardiging van de illegale krant Het Parool, waarvoor hij de druktechnische verzorging op zich nam. Toen de grond hem in Den Haag te heet onder de voeten werd, verhuisde hij naar Amsterdam, aanvankelijk aan de Reguliersgracht 109 en later aan de Egelantiersgracht, waar hij de hongerwinter en de bevrijding doorbracht.

Levensloop[bewerken]

Geboorte en afkomst[bewerken]

Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in een bovenwoning aan de Loosduinsekade 206 te Den Haag als tweede zoon van Herman Carmiggelt en Jeanne Carmiggelt-Bik. Zijn oudere broer Jan was op 1 januari 1909 geboren.[1]

Vader Herman Carmiggelt, een weinig spraakzame man met een melancholieke inslag, was afkomstig uit een Gelders arbeidersgeslacht. Zijn drang zich geestelijk te ontwikkelen had geen effect op zijn broodwinning: decennia lang was hij vertegenwoordiger bij Stegeman & Co Vleeswarenfabriek te Deventer, waarvoor hij per fiets de slagerswinkels rond Den Haag bezocht.[2] Zijn sociaal-democratische overtuiging behelste onder meer dat elk individu de taak had zich te ontwikkelen en uit hoofde van die overtuiging las het gezin dagblad Vooruit, de Haagse editie van het sociaal-democratische dagblad Het Volk. Hierin trof Carmiggelt zijn eerste grote voorbeeld aan, want Herman Heijermans' dagelijkse cursiefje, naar de ondertekening met S. Falkland 'Falklandjes' genoemd.[3]

Moeder Jeanne Bik, die een praktische ondernemingslust paarde aan een gevoel voor ironie, was afkomstig uit een familie die werkzaam was in de kledingbranche. Haar vader, Simon Bik, ging als jongen langs de boerderijen rondom Gouda met artikelen uit de herenmodewinkel van zijn vader. Het paar trouwde op 15 juli 1908 en trok toen in de bovenwoning. De kinderen werden naar hun beide grootvaders genoemd: Jan heette voluit Johannes Simon en bij Simon was het eenvoudig andersom. Kort na Simons geboorte verhuisde het gezin naar het Westeinde. Naast het rooms-katholieke ziekenhuis begon Jeanne het Nieuwe Hoeden en Petten Magazijn.[4] Op een steenworp afstand, aan de Geest, had haar vader in 1890 al een hoeden- en pettenwinkel geopend.[5] Jeannes winkel liep zo goed dat het geld in huizen belegd kon worden.[6]

Volgens Carmiggelt zelf had hij zijn verteltalent aan zijn moeder te danken. Haar energieke, kordate, opgewekte en rechtlijnige karakter leek weinig op dat van Carmiggelt, met name ontbrak bij haar de hang naar melancholie, zo typerend voor Carmiggelts werk. Zij vond dan ook niets aan zijn Kronkels en kon geen respect opbrengen voor diens beroep: zelfs toen Carmiggelt allang een beroemd schrijver was, kon ze niet inzien hoe hij ervan kon leven.[7]

1913-1933 Jeugd en opleiding[bewerken]

Carmiggelts broer Jan was ijverig en goed op school. 'Hij gebruikte iedere minuut van z'n leven,' aldus Carmiggelt. 'Ik had daardoor wel de neiging me wat terug te trekken.'[8] Op de lagere school was Carmiggelt dan ook geen goede leerling, al vielen zijn opstellen wel in de smaak. Na lectuur van Sherlock Holmes en Nick Carter schreef de jonge Carmiggelt zelf een detectiveverhaal.[9] 'Het geheim van Waringstate' werd door de meester in de klas voorgelezen. Zijn klasgenoten geboeid te zien luisteren maakte een diepe indruk. Ook begon hij te merken dat meisjes niet alleen maar op stoere jongens vallen, maar ook op jongens die met hun schrijfwerk weten te boeien.[10]

Handelsdagschool (1926-1928)[bewerken]

Omdat de jongen er aardigheid in had marktkooplui te helpen, vermoedden zijn ouders een handelsgeest in hem en stuurden hem in 1926 naar de vierjarige Gemeentelijke Handelsschool aan het Stadhoudersplein.[11] Hij was niet goed in de belangrijke vakken boekhouden, handelsrekenen en wiskunde, maar behaalde alleen aansprekende resultaten voor geschiedenis en tekenen. Gelukkig was hij niet op school, al wist hij de klas geregeld aan het lachen te maken met opmerkingen die nooit te brutaal zijn. Zelf lachte hij nooit mee om zijn eigen grappen.[12]

Vanwege uitbreiding kocht het ziekenhuis het winkelpand van zijn moeder. Nu verhuisde het gezin naar een rijtjes woning aan de Duivenstraat, waar moeder huisvrouw werd. Zijn vader werd in 1927 gehuldigd vanwege zijn 25-jarig dienstverband bij Stegeman. Aan het feestdiner droeg Carmiggelt een komisch jubelgedicht bij.[11]

In december 1928 plaatste De Tuinkroniek, het blad van de Haagse Dierentuin waarvan zijn ouders lid waren, enkele gedichten van zijn hand op de kinderpagina. Inmiddels vond Carmiggelt zich daarvoor iets te oud en misschien ook te ervaren, want vanaf de tweede klas was hij redacteur van het tweewekelijkse schoolblad De Schakelaar, het gezamenlijke orgaan van maar liefst elf scholen. Elke school leverde twee redacteuren, maar het meeste werk werd verricht door Jan Meijer van het lyceum aan het Stokroosplein en Carmiggelt. De samenwerking vormde de basis van een levenslange vriendschap.[13]

Carmiggelt bracht de kopij naar de drukker en vulde de gaten op met bladvulling als verzen, aforistische uitspraken. Ook schreef hij stukjes in de stijl van Heijermans, filmrecensies, verslagen van schoolavonden. Onder de laatste categorie deelde hij een pluim uit aan de acteerprestaties van de dilettanten Ank van der Moer en Wim Kan. Wanneer hij de acteur Louis van Gasteren een verhaal van Tsjechov hoorde voordragen, ontdekte hij een nieuwe literaire held en voorbeeld. Door de bijdragen aan de krant kwam hij aan zijn huiswerk niet toe en bleef zitten, zodat zijn ouders hem van de school haalden.[14]

Het contrast tussen de stuurloze Carmiggelt en zijn briljante broer Jan werd steeds groter. Samen gingen ze naar Denemarken, waar Jan elke toren en elk museum wilde bezichtigen, maar Carmiggelt had genoeg aan het van buiten bekijken van de gebouwen. Uiteindelijk deelde Carmiggelt zijn wens om journalist te worden mee aan zijn vader. 'Daar kom je nooit in,' reageerde die. 'Je weet niks en je kan niks.'[15]

Leerling-journalist (1931-1933)[bewerken]

Voorjaar 1931 begon Carmiggelt bij de deftige liberale krant Het Vaderland als volontair (onbezoldigd medewerker) om het journalistenvak in de praktijk te leren. Hem werd opgedragen onbelangrijke gebeurtenissen te verslaan als vergaderingen, winkelopeningen, zittingen van de politierechter. Hij knapte het werk voor een andere journalist op, die in een kroeg zat en daar de kopij ontving en zelf ondertekende. Toen de directeur Carmiggelt eens vroeg wat die uitvoerde op de redactie, kon die niet anders dan vaag antwoorden, waarna de directeur hem sommeerde te vertrekken.[16]

Daarop vond Carmiggelt betaald werk als assistent-redacteur bij de Vereenigde Persbureaux, dat voor provinciale en regionale kranten amusementspagina's leverde van het genre kinderrubriek, vrouwenrubriek en gezellige weekendpagina. Aangezien dit niet het ware journalistenvak was, solliciteerde Carmiggelt eind 1931 bij de Haagse editie van Het Volk, de Vooruit, dat een eigen redactie zou krijgen.[17] Op voorspraak van zijn eigen vader werd hij aangenomen.[18] Ditmaal werd hij leerling-verslaggever en moest als jongste medewerker af op moorden, branden, opstootjes, 100-jarigen, 50-jarige huwelijken, avonden van de Natuurvrienden.[18][19]

Hoewel de baan hem van 's morgens vroeg tot 's avonds in touw hield, vond hij toch ook tijd om verzen te vervaardigen: in juli 1931 plaatste cultureel tijdschrift De Nieuwe Spectator zijn aan de Duitse actrice Leni Riefenstahl opgedragen vers 'Danseres aan de zee' en het jaar daarop verscheen het tevergeefs aan Forum aangeboden 'De moordenaar' in Helikon, het poëzietijdschrift van uitgever A.A.M. Stols. Verzen over de ongelijkheid in de wereld, met name werkloosheid, werden geaccepteerd in De Socialistische Gids.[20]

Borstbeeld van Simon Carmiggelt in Amsterdam

1933-1940: Onder de oorlogsdreiging[bewerken]

In januari 1931 kwamen in Duitsland de nazi's aan de macht. Carmiggelts broer Jan was onder degenen die het gevaar snel inzag en zette zich in voor anti-nazi manifestaties. Ook droeg hij bij aan het nieuwe maandblad Het Fundament, dat van een socialistische en anti-militaristische signatuur was. Hijzelf verspreidde de nummers voor Den Haag, samen met Carmiggelt. Jan gaf Carmiggelt in 1935 het boek Bruinboek over de Hitler-terreur voor zijn tweeëntwintigste verjaardag. Onde de cadeaus was verder een boek met tekeningen van George Grosz die in nazi-Duitsland al verboden was.[21]

In 1936 bracht Carmiggelt met Jan Meijer een bezoek aan Parijs, waar ze een opvoering zagen van Bertolt Brechts Furcht und Elend des Dritten Reichs, navrante sketches en liedjes over het leven in het nieuwe Duitsland. In deze tijd kwamen ook de eerste joodse vluchtelingen in Nederland aan. Het Haagse vluchtelingencomité bracht Carmiggelt in contact met de joods-Duitse kunstenaar Johnny Friedländer, die etsen en gravures vervaardigde en met zijn niet-joodse vriendin van Dresden naar Scheveningen was gevlucht. Toen de vreemdelingenpolitie het stel uitwees wegens ongetrouwd samenwonen, wist Carmiggelt bij de commissaris slechts uitstel te bedingen. Jan Meijer bevestigde dat Carmiggelts omgeving al vroeg van de dreiging doordrongen was: '"Wij leefden in de volstrekte zekerheid dat de oorlog zou komen. Voor ons is die oorlog niet in '40 begonnen, maar al in '29."'[22]

Anti-Duits journalist (1935-1939)[bewerken]

Halverwege de jaren dertig kreeg Carmiggelt de opdracht om de propagandabijeenkomsten van de NSB en soortgelijke groeperingen te verslaan, om zo de ware aard van deze organisaties bloot te leggen. Hoofdredacteur Voskuil vond dat een taak van belang voor de krant. De Beul, een anti-nazi toneelstuk van Albert van Dalsum te recenseren, werd zo belangrijk gevonden dat Carmiggelt opgedragen werd de eerste Haagse opvoering te recenseren, al was de première in Amsterdam al geweest. Deze recensie van eind 1935 was blijkbaar een test geweest, want nog geen twee maanden later werd hij aan de kunstredactie toegevoegd ter vervanging van de naar Amsterdam overgeplaatste Hessel Jongsma.[23]

Carmiggelts werkzaamheden zagen er in deze tijd zo uit:

  • recensies van toneel- en filmvoorstellingen;
  • drie maal per week de kroniek Voor den politierechter, over rechtszaken die te onbeduidend waren om de nieuwskolommen waardig te zijn;
  • eveneens drie maal per week de rubriek Kleinigheden, een cursiefje ter vervanging van de soortgelijke rubriek die Jongsma had gevuld.[24]

Geboorte van een cursiefjesschrijver (9 maart 1936)[bewerken]

Op maandag 9 maart 1936 ging de rubriek Kleinigheden van start. Naar toenmalig gebruik werd het cursiefje niet met naam ondertekend. De eerste aflevering was een soort inleiding, warin Carmiggelt in de wij-vorm uiteenzette wat de bedoeling was, nmelijk het verslaan van het 'avonturenrijk niemandsland' dat zich zou bevinden ergens 'tussen het kleine nieuws en het bepaald onvermeldbare'. Een oproep aan de lezers om dergelijke voorvallen aan te melden ontbrak niet.[24]

In Belgrado en Praag (1937-1938)[bewerken]

In de zomer van 1937 ondernam Carmiggelt met zijn vriend Jan Meijer een reis naar Belgrado. Daar spraken ze studenten die hun antifascisme al met dwangarbeid hadden moeten bekopen. De terugreis voerde het duo langs München, waar hun treincoupé werd bevolkt door een grote groep met hakenkruizen getooide militairen, die het hadden over de aanstaande oorlog. Zo vernamen Carmiggelt en Meijer uit de eerste hand wat Europa te wachten stond. 'Doordat je gewoonweg wíst dat er oorlog kwam,' zo schetste Meijer de gemoedstoestand van toen, 'was alles voorlopi; je dácht niet aan het begrip carrière, aan pensioen of zo.'[25]

Als rechtbankverslaggever toog Carmiggelt 's middags naar café 't Wachtje bij de Bosbrug, waar hij collega's Jan Campert (De Nieuwsbron) en Ben van Eysselstein (Haagsche Courant) trof. In zijn tijd als toneelcriticus freguenteerde Carmiggelt het etablissement nog steeds en ontmoette daar spelers van het Hofstad Tooneel Caro van Eyck, Paul Steenbergen en Alexander Pola. De uitbater had de wanden versierd met portretten van artiesten. Onder de bezoekers nam het aandeel van de jongeren toe: de beginnende journalisten Max Nord en Theo Ramaker en de schilders Wim Hussen en Jan Roede. Het atelier van laatstgenoemde werd al snel een ontmoetingsplek voor het hele gezelschap.[26] 'Simon was een van de aardigste mensen die ik ooit heb gekend,' typeerde Roede hem. 'Hij was er een meester in om vervelende dingen in de humoristische sfeer te trekken en je daardoor te verlossen van de last die op je schouders drukte.'[27]

Hoofdredacteur Voskuil zag in Carmiggelt een sociaal-democratische medestander: 'Hij had een harde, felle en tegelijk nuchtere overtuiging.'[28] Carmiggelts houding bleef verschoond van fanatisme en was gebaseerd op realiteitszin.[29]

In september 1938 togen Carmiggelt en Jan Meijer, inmiddels perschef bij de KLM en daardoor vaak in het buitenland, naar Praag. Tsjecho-Slowakije maakte toen deel uit van de Entente, een bondgenootschap van buurlanden met als doel een Duitse aanval te pareren. Over deze reis was vader Herman zeer bezorgd, maar Carmiggelt stuurde vanuit Praag een geruststellend briefje dat de sfeer in de stad prima was en het toeristische leven volop bloeide. De werkelijkheid was anders. 'In Praag,' aldus Carmiggelt, 'kon je de spanning snijden en de vreemdelingen die er nog waren, stonden op het punt af te reizen. Maar ik dacht aan mijn arme, sidderende vader en schreef wat hij graag zou willen lezen.'[30] Nog tijdens het verblijf van het duo viel het bondgenootschap uiteen, waarna ze onmiddellijk huiswaarts keerden.

Huwelijk (1939)[bewerken]

In 1938 ontmoette Carmiggelt in café 't Wachtje de 26-jarige Tiny de Goey, die daar met haar moeder wat kwam drinken. Tiny werd een regelmatige bezoeker en er ontstond een verhouding. Toen Tiny in 1939 zwanger bleek, moest het stel trouwen. Carmiggelts moeder vond Tiny 'te wuft, onbehendig in de nuttige handwerken die ze zelf zo briljant beherste, onspaarzaam opgevoed en in het geheel niet lijkend op de met groene zeep gewassen trutten, die ze me op straat altijd als "mooiste meisjes" aanwees.'[31] De huwelijksvoltrekking vond plaats op 6 september 1939. Vanwege de zondige aard bleven veel van de katholieke familieleden van de bruid weg.

Carmiggelt en zijn echtgenote trokken in een bovenhuis aan de Muzenstraat 16. In het centrum, dus de vriendenkring had er een pleisterplaats bij. Dochter Marianne werd geboren op 24 februari 1940. Drie dagen later deed Carmiggelt daarvan kond in zijn Kleinigheden.[32]

Debuut: Vijftig dwaasheden (1940)[bewerken]

Carmiggelts rubriek Kleinigheden was de adjunct-directeur van De Arbeiderspers, Fred von Eugen, opgevallen. 'Mij trof direct het vermogen om met weinig woorden, vaak met een enkele zin, de atmosfeer en de omgeving te schetsen, waarin de dan volgende gebeurtenis uit het dagelijks leven zich afspeelde. Meesterlijk!'[33] Von Eugen zocht contact met Carmiggelt om een bundeltje te maken van de beste Kleinigheden. Deze verscheen vlak voor de oorlog onder de titel Vijftig dwaasheden.

De Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Ontslag bij Vooruit[bewerken]

Bij aanvang van de bezetting zag de redactie van de Vooruit, waarin altijd tegen het fascisme was geschreven, het voortbestaan somber in. Toch kon de krant blijven verschijnen, mits er geen opstandige taal in voorkwam.[34] Op 23 mei verscheen de rubriek Kleinigheden voor het eerst onder de bezetting en op 30 mei al voor het laatst. Het Volk, de moederkrant, kreeg in de eerste maanden van de bezetting te maken met duizenden opzeggingen. Veel eerder dan andere kranten begon deze zich van de nazi-terminologie te bedienen. Ook werden nieuws en commentaar steeds meer aangepast aan wat de Pressereferent te Den Haag voorschreef.[35] Elke ochtend moesten instructies worden opgehaald van de Presse Dezernent bij de Duitse ambassade over de toegestane nieuwsonderwerpen, terwijl het buitenlandse nieuws diende te worden betrokken van het Deutsche Nachrichten Buro dat onder controle van Goebbels stond.[36]

In juli 1940 was voor Carmiggelt en zijn broer de maat vol. Tijdens een algemene ledenvergadering ten kantore van De Arbeiderspers bleek dat directeur Van der Veen zijn plaats had moeten afstaan aan de NSB'er Kerkmeester en dat de NSB'er Goedhuys aan de redactie werd toegevoegd. Omdat de Carmiggelts de krant zagen afglijden naar de verkeerde kant, namen zij als enigen meteen ontslag. De andere redacteuren lieten het behoud van hun broodwinning prevaleren. Van der Veen, die het bedrijf zestien jaar had geleid, verhing zich in de badcel.[37][38]

Deze week in Den Haag (1940)[bewerken]

In de zomer van 1940 schreef Carmiggelt in opdracht van de VVV 's-Gravenhage de brochure Wandelingen in en om Den Haag. Zijn vriend Ajé Noordam, een rijke zakenman kocht het weekblaadje Deze week in Den Haag kocht. Noordam zelf werd uitgever-directeur, Carmiggelt hoofdredacteur van het 16 bladzijden tellende tijdschriftje, dat nauwelijks de rekening van de drukker opbracht. Het leverde Carmiggelt ten eerste een regelmatig inkomen op en ten tweede bood het blad hem de mogelijkheid om veel vrienden in te schakelen. Regelmatige medewerkers waren Max Nord, G.H. 's-Gravesande, de schilders J.M. (Ko) Prange en Wim Hussen. Concertbesprekingen werden verzorgd door Jan Carmiggelt.[39]

De oorlog maakte de vriendenkring hechter. Wim van Norden raakte zijn huis kwijt bij het bombardement op Rotterdam en woonde enkele maanden bij de Carmiggelts in. Op 12 oktober trouwde Jan Carmiggelt met Loes Hesselius, de secretaresse van Herman Bernard Wiardi Beckman, de hoofdredacteur van Het Volk. Het echtpaar kreeg een dochter. Prominente SDAP'ers als Willem Drees bezochten hun woning aan de Berberiusstraat 85, om te overleggen over het Nederlandse economisch bestel na de oorlog.[40]

Persagent van het Residentie Tooneel (1940-1941)[bewerken]

Op 11 oktober 1940 vulde Carmiggelt het verplichte aanmeldingsformulier voor het Verbond van Nederlandsche Journalisten in. Gegevens hierop zijn onder meer, godsdienst: geen; jaarinkomen: 900 gulden; huidige werkzaamheden: Deze week in Den Haag en persagent bij het Residentie Tooneel.[40]

Op verzoek van Dirk Verbeek, de directeur van het toneelgezelschap, vervardigde Carmiggelt een vertaling van het nieuwe stuk van George Bernard Shaw, In Good King's Charles Golden Days. Op nieuwjaarsdag 1941 vond de première plaats.[41][42]

De betrekking was een kort leven beschoren, want in het kader van de 'arisering' van het toneelleven waarmee de bezetter in 1941 begon, moesten alle personeelsleden een niet-jood verklaring tekenen. Carmiggelt was de enige die weigerde te tekenen, waarop het hoofd der afdeling theater en dans van het departement op 23 juli 1941 een dwingende brief aan het gezelschap schreef waarin hij de bij name genoemde persagent Carmiggelt sommeerde om te tekenen. Die liet zich evenwel liever ontslaan dan mee te werken aan het isolement van de joden en vertrok in stilte.[43]

Detectiveroman John Justus Jacob en geboorte zoon Frank (1941-1942)[bewerken]

Carmiggelts vrienden Fred von Eugen en Johan Winkler hadden de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij (ABC) opgericht aan de Singel 262 te Amsterdam, waar veel ontslagen personeelsleden van De Arbeiderspers een toevluchtsoord vonden.[44] Als middel om vaste afzet te genereren werd boekenclub De Muiderkring opgericht, die jaarlijks vier boeken uitbracht in een oplage van 25.000 elk. Carmiggelt werd overgehaald een roman aan te leveren. Dit werd John Justus Jacob, een detective over een journalist die toevallig het spoor van een moordmysterie ontdekt. Ondanks het genre was de sfeertekening belangrijker dan de plot. Carmiggelts honorarium bedroeg 500 gulden.[45] De plot is zo ingewikkeld, aldus biografen Witteman en Van den Bergh, 'dat de auteur er zelf nauwelijks uit komt en de humor van de jonge Carmiggelt is, op de lange baan, vaak nogal flauw.'[46] Carmiggelt schreef de detectiveroman in dagelijkse afleveringen. Het verhaal werd, op uitdrukkelijke eis van Carmiggelt zelf, maar één keer uitgegeven.

"Een jeugdzonde," noemde hij het, "ik denk er niet zonder enige gêne aan terug. Ik schreef het verhaal van dag tot dag en stelde het einde steeds maar uit. Want elke aflevering betekende een dag langer brood op de plank en daartoe bedacht ik steeds maar weer nieuwe intriges en zijsporen. Samen met mijn vrouw heb ik ten slotte avonden achter elkaar zitten bedenken, hoe ik er een einde aan kon maken."

In 1941 verdiende Carmiggelt 2000 gulden, volgens zijn opgave aan de VNJ. Dankzij de roman, het Residentie Tooneel en een zomerbaantje bij de Scheveningse Koerier.[47]

In 1942 stelde de bezetter geen papier meer beschikbaar voor het blaadje Deze week in Den Haag. Daarmee kwam een einde aan Carmiggelts laatste journalistieke betrekking. Per brief van 13 juni 1942 zegde hij meteen het lidmaatschap van de VNJ op.[48] Via Jan Meijer kwam hij aan een baan als schrijver van beroepskeuzerapporten bij de Nederlandsche Stichting voor Psychotechniek aan de Wittevrouwensingel te Utrecht. De directeur, Taco Kuiper, stelde hier zijn vrienden en kennissen aan die elders niet openlijk konden werken en transformeerde het instituut zodoende in een soort vluchtheuvel.[49] Verder was Carmiggelt perschef voor de Maatschappij Zeebad Scheveningen en werkte op het kantoor van 'een vakgroep'.[42]

Dit leverde echter niet genoeg op, ook niet toen zijn ouders bijsprongen. De Carmiggelts verkochten de weinige kostbaarheden die ze bezaten. Op 3 november 1942 werd zoon Frank geboren.

Jan Meijer, Wim van Norden en Ajé Noordam raakten betrokken bij de illegale krant Het Parool, een levensgevaarlijke bezigheid waar Carmiggelt aanvankelijk buiten gehouden werd omdat hij een gezin had.[50] Via vrienden raakte hij in Amsterdam betrokken bij het illegale blad Het Parool, waar hij instond voor de productie en de verspreiding. Stuk voor stuk riskante bezigheden en bijgevolg werd Carmiggelt door de bezetter opgepakt en gevangengezet. Van de drukproeven die hij bij zich had, kon hij het grootste deel doen verdwijnen in een verlaten pand.

Het Parool[bewerken]

Eind 1942 raakte Carmiggelt alsnog betrokken bij Het Parool. Enkele van zijn vrienden, onder meer Parool-mensen Wim van Norden en Jan Meijer, waren opgepakt en om te voorkomen dat de Duitsers een verband konden leggen tussen een arrestatie en de verschijning van een illegaal blad was het zaak alles op alles te zetten om de verschijning te laten voortgaan. Zo konden de gearresteerden volhouden niets met het periodiek te maken te hebben.[51] Carmiggelt zorgde dat de bewijsstukken uit hun huizen verdwenen: bij Jan Meijer haalde hij een pistool weg dat hij in een gracht wierp, waar het echter op een paal bleef liggen.[46] Ook nam hij de druktechnische verzorging van de krant op zich en moest eerst een nieuwe drukker vinden, daar de oude ook was opgepakt. Drukkerij Ando werd bereid gevonden elke tien dagen de tienduizend exemplaren van de Haagse editie te drukken. Het benodigde papier werd gestolen van collaborerende drukkerijen.[52] Bij deze drukker werden ook Vrij Nederland, verzetspoëzie en de eerste boekjes van De Bezige Bij, een illegale uitgeverij, gedrukt. De kranten werden per trein en koerier verzonden en het zetsel door een keten van koeriers vervoerd naar elders om gebruikt te worden voor de oplage in een andere provincie. Uitgangspunt was dat niemand meer moest weten dan hij strikt nodig had. Voor Den Haag wist alleen Carmiggelt waar de krant werd gedrukt en de drukkers en zetters kenden hem als Dick van Schoonhoven.[53]

Arrestatie, deportatie en overlijden van broer Frank (1943)[bewerken]

Jan Carmiggelt was betrokken bij de illegale distributie van voedselbonnen aan onderduikers. Zijn vrouw Loes werkte mee, maar wist veel bewust niet. Als de bevriende economist Friedrich Weinreb op bezoek was, ging zij wandelen zodat de twee ongestoord konden overleggen. Zaterdagochtend 17 juli 1943 om vijf uur kwamen Duitsers binnenvallen op hun adres aan de Berberiusstraat. Het joodse meisje dat bij hen was ondergedoken, wist te vluchten door over de schutting in de tuin te klimmen zich te verbergen in het schuurtje van de buren.[54] Op verdenking van illegale activiteiten werd Jan vastgezet in villa Windekind aan de Parklaan, van een naar Engeland uitgeweken politiecommissaris en nu gebruikt door de Sicherheitsdienst.

Bij de vermoedelijke toedracht van het verraad speelde Weinreb de rol van verrader. Drie dagen voor Jan Carmiggelt was de joodse arts Joseph Kalker op zijn onderduikadres opgepakt, maar weigerde - ook toen hij mishandeld werd - namen te noemen.

Aanhalingsteken openen

Daarop werd hij in één cel geplaatst met Friedrich Weinreb. Aangenomen wordt dat Weinreb zijn celgenoot de naam van Marcel Elsen heeft ontfutseld, en die prompt aan de SD heeft doorgegeven. Elsen was de man van wie dokter Kalker distributiebonnen kreeg. Ook hij werd gearresteerd en verhoord. Tijdens dit verhoor heeft Elsen verklaard dat hij de bonnen ontving van Jan Carmiggelt.[55]

Aanhalingsteken sluiten

Voorjaar 1943 werden Carmiggelts opgepakte vrienden weer op vrije voeten gesteld. Zijn broer Jan echter overleed op 26 september 1943 te Hooge Zwaluwe.[56] Hij was ingedeeld om buiten het kamp zware grondarbeid te verrichten en al snel ziek geworden. Met hoge koorts lag hij in een barak, zonder verzorging. 'Ze hebben hem gewoon dood laten gaan,' was Carmiggelts slotsom.[57]

Toen Carmiggelt zijn ouders op de hoogte stelde, verzuchtte zijn vader: 'Alles tevergeefs.'[58] Deze uitspraak maakte grote indruk op Carmiggelt, die aldus te verstaan kreeg dat hijzelf niets voorstelde.[59] Jan was voorbestemd geweest voor een grote naoorlogse carrière, mogelijk als minister. Vader Herman Carmiggelt, die altijd al een zwak hart had gehad, overleefde de schok niet: op 26 oktober, precies een maand na Jan, overleed hij, zestig jaar oud. Op 19 november beviel Loes van een zoon die eerst Robert-Jan zou heten, maar nu genoemd werd naar zijn vader, Johannes Simon. Na de dood van zijn broer werd Carmiggelt nooit meer helemaal de vrolijke jongen die hij altijd geweest was.[60]

Tegen het einde van 1943 werd de vervolging van de krant fanatieker, omdat de Duitsers er ophitserij tegen het Duitse gezag in zagen. Medewerkers werden vaker gearresteerd en anderen werd het heet onder de voeten. Max Nord verhuisde naar Amsterdam, waar hij door bemiddeling van de uitgever Geert van Oorschot een herenhuis verkreeg aan de Reguliersgracht 109, dat zo groot was dat er nog een gezin bij kon.

Verhuizing naar Amsterdam (1943)[bewerken]

Carmiggelt had redenen om van Den Haag naar Amsterdam te verhuizen. Zelf gaf hij als belangrijkste op dat zijn vrienden erheen trokken en je in die tijd niet zonder vrienden kon. Mogelijk nog belangrijker was dat het in verband met zijn toenemende activiteiten voor Het Parool praktischer werd om vanuit Amsterdam te werken.[61] Door zijn intrek ontwikkelde het pand aan de Reguliersgracht zich gedurende 1944 tot een vast adres voor medewerkers van de krant. De drukkerij voor Amsterdam was drukkerij Jesse aan de Nieuwezijds Voorburgwal, welke geen zetmachine had maar wel handletters. De vervaardiging was trager met als gevolg dat deze drukker vrijwel permanent belastend materiaal in huis had. Dinsdag bracht Carmiggelt nieuwe kopij. Na het zetten corrigeerde hij de drukproeven en leverde de correctie op donderdag in. Tot en met vrijdag was men bezig met de opmaak, waarna het drukken de rest van de vrijdag en de zaterdag in beslag nam. Zondag vouwen en inpakken en maandag werden de kranten afgehaald voor verspreiding. Dinsdag begon de cyclus opnieuw.[62] Carmiggelt publiceerde zelf slechts vijf stukjes in al de oorlogsedities. Een daarvan was het schrijnende cursiefje 'Honger', over een vrouw die een stuk taaitaai eet dat ze verborgen heeft gehouden voor het echtpaar bij wie ze verblijft. Ze wordt echter betrapt en de drie delen alles beschaamd op. Andere titels zijn 'Der Paul' en 'Warum denn?'[61]

Toen de bezetter het huis aan de Reguliersgracht in de gaten begon te houden, verhuisden de Carmiggelts naar een aftandse etage aan de Egelantiersgracht in de Jordaan. Die was zo klein dat hun dochter Marianne bij kennissen in Gouda werd ondergebracht.[63]

Hongerwinter (1944)[bewerken]

De barre omstandigheden in de Jordaan verhinderden niet dat Carmiggelt goede herinneringen aan deze tijd had: 'Want er was iets aan het gebeuren dat we sinds onze prille jeugd met iedere vezel hadden gewild: Hitler ging eraan.'[64]

Biografen leggen bij zijn oorlogservaringen de verklaring voor Carmiggelts latere pessimisme en vooral zijn felle antitotalitaire (en daarom onder meer ook anticommunistische) standpunten. Hij was zo fel in deze standpunten dat hij zich na de Hongaarse Opstand in 1956 bij een woedende menigte voegde die de redactieburelen van CPN-dagblad De Waarheid bestormde.

Na de bevrijding werd Het Parool een heus dagblad en kreeg Carmiggelt er de leiding over de kunstrubriek. Hij schreef toneel- en filmrecensies en begon ook zijn cursiefjes, aanvankelijk drie keer per week, later elke dag. De eerste Kronkel verscheen op 25 oktober 1946 en tot aan zijn dood in november 1987 zijn er ruim 10 000 verschenen. Een selectie van 50 stukjes uit elke jaargang werd elk jaar door De Arbeiderspers in boekvorm uitgegeven. Soms werden de bundels geïllustreerd door vrienden-tekenaars als Peter Vos, Charles Boost, Otto Dicke en Peter van Straaten.

Arrestatie (1944)[bewerken]

Carmiggelt was dagelijks onderweg met belastend materiaal en kort voor de bevrijding werd hij zelf gearresteerd toen hij in een razzia terechtkwam. Aanvankelijk vluchtte hij een winkel in waar hij het belastende materiaal (kopij, drukproeven, Engelse post) door het toilet probeerde te spoelen, maar het was veel te veel. De Duitsers vonden de papieren en dreigden de winkelbezoekers te fusilleren als de eigenaar zich niet aanmeldde, waarop Carmiggelt zijn vinger opstak. Hij werd naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans gebracht, waar hij door kapot matglas drie jongemannen gefusilleerd zag worden. Toen hij na enkele dagen werd verhoord, bleek hem dat een goede vaderlander de meest belastende papieren had verdonkeremaand, zodat hem alleen het bezit van een illegale krant aankleefde. Hij kwam vrij.[65][66] Er bestaat ook een andere lezing van de toedracht, te vinden in K.Peerebooms verslag van de ontstaansgeschiedenis van de krant. Carmiggelt zou zijn talent om geloofwaardige verhalen te bedenken hebben aangewend om de Duitser die hem verhoorde wijs te maken met een onnozele, onschuldige sukkel van doen te hebben.[67]

In maart 1945 was de eerste kopij voor het bevrijdingsnummer al aangeleverd toen de geallieerden per abuis Den Haag bombardeerden. Daarbij werden Carmiggelts belangrijkste vooroorlogse ontmoetingsplekken in de as gelegd. Carmiggelts oordeel over de journalistiek in oorlogstijd was dat hij 'de journalistiek die ik toen heb bedreven (...) de meest zinrijke arbeid vind, die ik ooit verricht heb.'[68]

Veelzijdigheid[bewerken]

Literair was Simon Carmiggelt een duizendpoot. Benevens het reeds eerder genoemde, schreef hij tussen ’48 en ’56 ook drie bundels ironische verzen onder het pseudoniem Karel Bralleput, in ’61 samen uitgegeven onder de titel Torren aan de lijm. Met Annie M.G. Schmidt hield hij jarenlang lezingen door heel Nederland en verder pende hij ook nog teksten voor cabaretiers als Wim Sonneveld en Wim Kan, schreef en sprak geestige filmcommentaren in en las voor uit eigen werk, wekelijks op de VARA-radio en maandelijks op de VARA-televisie, waar hij laat op de avond een van zijn columns op zijn karakteristieke zeer droge toon voorlas, na de herkenningsmelodie van Duke Ellington: In a sentimental mood.

Reputatie[bewerken]

Beeld van Simon Carmiggelt met zijn vrouw Tiny op een bankje in De Steeg. Het beeld werd in januari 2012 door koperdieven gestolen en vernield. Een jaar later werd het, gerestaureerd en beveiligd, teruggeplaatst.

Carmiggelt werd geroemd om zijn situatiehumor, hij observeerde scherp en creëerde dan een beeld of vergelijking, 'waarin de mens niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk helemaal wordt opgeroepen' aldus Kees Fens. In 1954 introduceerde hij in het cursiefje Het woord het neologisme 'epibreren', dat Van Dale haalde.

Carmiggelt schreef zijn stukjes niet op een redactiekantoor; hij schreef ze thuis, op een bankje in het park, in de kroeg — hij hield er in 1972 een drankprobleem aan over — op een terrasje, enzovoort, onveranderlijk met een mooie balpen, een van de vele uit zijn uitgebreide collectie, want hij 'had iets met pennen', zei hij zelf. Als het stukje af was, deponeerde hij het in een speciaal daartoe aangebracht busje onder zijn deurbel. Een koerier van de krant kwam het daar elke dag ophalen.

Slenterend door de stad vond hij zijn thematiek: hij verwerkte een detail van een banaal voorval tot een compleet verhaal, luisterde naar mensen en gebruikte elementen uit hun conversaties, verplaatst, herschikt, versterkt, stileert en bouwt. Soms verwerkte hij de gegevens, verzameld over een tijdsspanne van weken, tot een samenhangend geheel, soms was het cursiefje zo uit het leven opgeschreven. En altijd heeft de lezer de indruk dat deze eigenste anekdote zich dagelijks ontelbare malen voordoet: elke situatie heeft een grote vorm van herkenbaarheid, van identificatie ook.

In het eerste verhaal Hel van De rest van je leven (1979) sprak hij over een vriend van hem, de schilder/dichter Willem Hussem.
In de aanhef van de bundel Welverdiende onrust (1982) citeerde Carmiggelt Woody Allen: ‘Natuurlijk is alles wat iemand schrijft uiteindelijk autobiografisch’, wat erop moge duiden dat hij zich zeer nauw betrokken voelde bij de situaties en mensen, waarover hij schreef. Vandaar ook de grote mildheid waarmee hij dat telkens deed:
‘Hij is,’ zei Jan Greshoff, ’nooit geestig ten koste van iemand of iets.’
Die milde ironie had Carmiggelt met Elsschot gemeen, voor wie hij een levensgrote bewondering koesterde, met wie hij goed bevriend raakte en over wie hij boeiend publiceerde in ‘Ontmoetingen met Elsschot’ (1985). Ook Adriaan Roland Holst, Kurt Tucholsky, Tsjechov en Nescio droeg hij in het hart.

Prijzen[bewerken]

Carmiggelt werd enkele keren bekroond: in 1953 kreeg hij een prijs van de Haagse Jan Campert-stichting, in 1961 werd hem vanwege dezelfde stichting de Constantijn Huygens-prijs toegekend voor zijn volledige oeuvre, in 1967 de vijfjaarlijkse Boekenverkopersprijs en in 1974 de hoogste Nederlandse, literaire onderscheiding: de P.C. Hooft-prijs.

Dood[bewerken]

Simon Carmiggelt (1982)

Op het eind van zijn leven ontwikkelde hij ouderdomsdiabetes, die hij niet naar behoren verzorgde, ook al vanwege het feit dat zijn snel blind wordende vrouw nogal wat verzorging nodig had. Mogelijk was het drankprobleem uit zijn verleden hier mede oorzaak van, hoewel Carmiggelt zich sinds 1978 van sterkedrank onthield (cf. citaat over de drinkers). Zijn diabetes kreeg hij niet onder controle met als gevolg dat hij in de herfst van '87 in het ziekenhuis terechtkwam en de dag na zijn ontslag een hartinfarct kreeg. Na revalidatie in het Prinsengrachtziekenhuis kon hij weer naar huis, waar hij enkele weken later, in de laatste nacht van november, in zijn slaap aan een tweede infarct overleed.

Aanhalingsteken openen

De geheelonthouders hebben gelijk,
maar alleen de drinkers weten waarom.

Aanhalingsteken sluiten

Na zijn dood schreef Renate Rubinstein een bijzonder portret van de schrijver in Mijn beter ik; niet iedereen was daar blij mee. Rubinsteins relaas van haar geheime verhouding met de schrijver werd door sommigen als ongepast gezien.

Schrijfstijl[bewerken]

Carmiggelt schreef, aldus Kees Fens, 'een uiterst verfijnd en zeer beeldrijk Nederlands.'[69] Fens voegt daar nog aan toe dat het monument van een verzameld werk Carmiggelt is onthouden: 'Er zou een aantal van de mooiste zinnen in staan die in de Nederlandse taal zijn geschreven.'[70]

Trivia[bewerken]

  • Carmiggelt heeft een cameo in de Vlaamse stripreeks De Kiekeboes door Merho in het album Kiekeboe in Carré waar hij een borrel drinkt in een café terwijl Balthazar met zijn opdrachtgever belt.
  • Hij werd in 2004 geselecteerd voor de verkiezing van De grootste Nederlander en eindigde op de 118de plaats.
  • Op 24 september 1979 heeft hij de openbare Simon Carmiggeltschool in Delft geopend die met zijn toestemming naar hem is vernoemd.
  • De documentaire Vroeger kon je lachen uit 1983 van regisseur Bert Haanstra is een film rond Carmiggelt, Haanstra's nauwste geestesverwant. Carmiggelt verzorgde onder andere het commentaar van een aantal van Haanstra's documentaires, waaronder Alleman uit 1963. Vroeger kon je lachen bestaat uit een aantal scènes gespeeld door Nederlandse acteurs, die een aantal cursiefjes van Carmiggelt spelen, al dan niet in aanwezigheid van Carmiggelt zelf.
  • In twaalf verhalen, omvat in vier afleveringen uit 1983, van de AVRO-televisieserie Mensen zoals jij en ik (met in de hoofdrol Kees Brusse) verzorgde Simon Carmiggelt de introductie.

Prijzen[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • 1940 - Vijftig dwaasheden
  • 1941 - Johan Justus Jacob
  • 1946 - Honderd dwaasheden
  • 1946 - De sneehoed
  • 1947 - Kronkels kronkelpaden
  • 1947 - Allemaal onzin
  • 1948 - Het jammerhout
  • 1949 - Tussen mal en dwaas
  • 1949 - Ieder kent ze
  • 1950 - Klein beginnen
  • 1951 - Omnibus
  • 1951 - Louter leugens
  • 1952 - Poespas
  • 1952 - Made in Germany
  • 1952 - Wereld-melkboeren
  • 1953 - Vergeet het maar
  • 1953 - Speciaal voor U
  • 1954 - Al mijn gal
  • 1954 - Twin set
  • 1954 - Ping pong
  • 1954 - Speciaal voor u
  • 1955 - Articles de Paris
  • 1955 - Duiven melken
  • 1955 - Vliegen vangen
  • 1955 - Speciaal voor u
  • 1956 - Fabriekswater
  • 1956 - Kwartet
  • 1956 - Spijbelen
  • 1956 - Speciaal voor u
  • 1957 - Haasje over
  • 1957 - De afgevallen blaadjes
  • 1958 - Kraaltjes rijgen
  • 1959 - Een toontje lager
  • 1960 - Duiven melken
  • 1961 - Alle orgels slapen
  • 1961 - Een stoet van dwergen
  • 1961 - Torren aan de lijm
  • 1962 - Dag opa
  • 1962 - Kroeglopen
  • 1962 - Tussen twee stoelen
  • 1963 - Oude mensen
  • 1963 - We leven nog
  • 1963 - Weet ik veel
  • 1963 - Trilogie
  • 1964 - Kinderen (combinatie van Klein beginnen en Dag opa)
  • 1964 - Later is te laat
  • 1965 - Kroeglopen 2
  • 1965 - Tekst voor een wijnkaart
  • 1965 - Maatschappelijk verkeer
  • 1965 - Fluiten in het donker
  • 1965 - Mooi weer vandaag
  • 1966 - Een hand vol kronkels
  • 1967 - Morgen zien we wel weer
  • 1967 - Omdat het zo lekker is
  • 1968 - Drie van vroeger
  • 1968 - Het panorama
  • 1968 - Je blijft lachen
  • 1968 - Rondje van de zaak
  • 1968 - Een beetje zon
  • 1969 - Mijn moeder had gelijk
  • 1969 - Alle kroegverhalen
  • 1970 - Twijfelen is toegestaan
  • 1971 - Gewoon maar doorgaan
  • 1972 - Ik mag niet mopperen
  • 1973 - Elke ochtend opstaan
  • 1974 - Brood voor de vogeltjes
  • 1975 - Slenteren
  • 1975 - Maatschappelijk verkeer
  • 1976 - Ze doen maar
  • 1976 - Dwaasheden (1976)
  • 1977 - Vroeger kon je lachen
  • 1978 - Bemoei je d'r niet mee
  • 1979 - De rest van je leven ISBN 9029510897
  • 1979 - Mooi kado
  • 1979 - Carmiggelt op Steeg
  • 1980 - De avond valt
  • 1980 - Residentie van mijn jeugd
  • 1981 - Een Hollander in Parijs
  • 1981 - De duif
  • 1981 - Verhaaltjes van vroeger
  • 1982 - Welverdiende onrust
  • 1982 - Feestelijk
  • 1983 - De Amsterdamse kroeg
  • 1983 - Met de neus in de boeken
  • 1983 - Mag 't een ietsje meer zijn
  • 1984 - Ik red me wel
  • 1984 - Vreugden en verschrikkingen van de dronkenschap
  • 1984 - Alle kroegverhalen (combinatie van Kroeglopen I en ~II)
  • 1985 - Ontmoetingen met Willem Elsschot
  • 1986 - Bij nader omzien
  • 1986 - Trio voor één hand
  • 1987 - De vrolijke jaren
  • 1987 - Het literaire leven
  • 1987 - Lachen kost niks


Postuum verschenen:

  • 1989 - Zelfportret in stukjes
  • 1990 - De kuise drinker
  • 1992 - Schemeren
  • 1993 - Van u heb ik ook een heleboel gelezen...
  • 1995 - Thelonious en Picasso
  • 1996 - Croiset en Jongerius op een dag
  • 1997 - Visite
  • 1997 - Hoe Heet Keizer Karels Hond
  • 1999 - Beste Godfried, beste Simon
  • 1999 - Voorhout
  • 1999 - Zes kronkels
  • 1999 - Ruim baan
  • 2000 - Kenner
  • 2001 - Groninger melange
  • 2001 - Genot
  • 2002 - Geachte spreker
  • 2004 - De engel
  • 2004 - Een grap
  • 2005 - Feest
  • 2005 - Terugkomen
  • 2005 - Louis Couperus bij Kronkel
  • 2006 - Afscheid van het oude jaar
  • 2006 - Het eind van december
  • 2007 - Ik lieg de waarheid
  • 2007 - Straf
  • 2007 - Uitzicht
  • 2007 - Amsterdam
  • 2007 - Over schrijvers en boeken
  • 2007 - Eten
  • 2007 - Kerstpakje
  • 2008 - Zwijgplicht
  • 2008 - 16 augustus
  • 2008 - Huwelijksperikelen
  • 2008 - Feestdagen
  • 2008 - Nadorst
  • 2008 - Het kerstverhaal
  • 2009 - Grap
  • 2009 - En toch
  • 2009 - Al goed
  • 2009 - De kerstman
  • 2009 - Winter
  • 2010 - Gelderse Avonturen
  • 2010 - Geen lintje, wel een pintje
  • 2010 - Bromfiets of niet: de Solex
  • 2010 - Kleinigheden
  • 2010 - De Kerstman had 't warm
  • 2010 - Oud en nieuw
  • 2010 - De complete werken van S. Carmiggelt.
  • 2011 - Ode
  • 2011 - Godfried
  • 2011 - Ziek zijn of niet
  • 2011 - Vijftien stukjes van Simon Carmiggelt
  • 2011 - Terugkeer op Waardershoeve
  • 2012 - Met de Solex op pad
  • 2012 - Het laatste stukje
  • 2013 - Theo Thijssen en zijn kinderen
  • 2013 - De doos - Na dosu
  • 2013 - Trouwen
  • 2013 - Carmiggelt over Cohen
  • 2013 - Gedundrukt
  • 2013 - Dwalen door Amsterdam
  • 2013 - Op stap met Sinterklaas
  • 2014 - Waterloo


Vertalingen[bewerken]

  • 1954 - Alles für die Katz
  • 1954 - Mach dir nichts draus
  • 1955 - Abenteur mit Kindern
  • 1956 - Pariser Souvenirs
  • 1958 - Hohe Schule
  • 1959 - Einfach unerhört
  • 1961 - Von Katzen und kleinen Kindern
  • 1966 - A Dutchman's slight adventures
  • 1969 - Die Kunst, Großvater zu sein
  • 1970 - Die Kunst, stillvergnügt zu sein
  • 1972 - I'm just kidding: More of a Dutchman's slight adventures
  • 1980 - Heiteres aus Amsterdam
  • 1982 - Humor sekolom senyum dikulum
  • 1985 - Neskol'ko bespoleznych soobrazjenij
  • 1985 - Chodene po kretsjmite
  • 1988 - Che cos' è un Amsterdammer
  • 1993 - Il venditore di aringhe e altri racconti di Amsterdam
  • 2002 - Morgau denove ni vidu; Esperanto-vertaling van Gerrit Berveling van Morgen zien we wel weer
  • 2003 - It Sometimes Sounds Very Nice
  • 2009 - Die geschenkte Katze
  • 2014 - Flonkergood

Biografie[bewerken]

  • 1975 - Simon Carmiggelt door Luc Verhuyck (gedeeltelijk in samenwerking met Theo Jochems). Brugge: Uitgeverij Orion - Den Haag: Uitgeverij Scheltens & Giltay.
  • 1988 - Simon Carmiggelt 1913-1987 door A.M. de Bakker. Lelystad: Stichting IVIO (AO-boekje 2206).
  • 1996 - Een erg moeilijk vak. S. Carmiggelt in de reclame door Henk van Gelder. Nieuwerkerk Zld.: De Carmiggeltvrienden.
  • 1998 - S. Carmiggelt; Een levensverhaal door Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers.
  • 1999 - Carmiggelt; Het Levensverhaal door Henk van Gelder. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.
  • 2000 - Geen Kronkel, geen Bralleput door Henk van Gelder. Amsterdam: Vereniging van Carmiggeltvrienden.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Sylvia Witteman en Thomas van den Berg, S. Carmiggelt. Een levensverhaal. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam en Antwerpen, 1998, p. 12.
  2. Henk van Gelder, Carmiggelt. Het levensverhaal, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1999, 13.
  3. Van Gelder (1999), 11-12
  4. Van Gelder (1999), 14
  5. Van Gelder (1999), 15
  6. Witteman en Van den Berg (1998), p. 13
  7. Witteman en Van den Bergh (1998), 14
  8. Carmiggelt geciteerd bij Van Gelder (1999), 16
  9. Van Gelder (1999), 17
  10. Witteman en Van den Bergh (1998), 16
  11. a b Van Gelder (1999), 18
  12. Van Gelder (1999), 19
  13. Van Gelder (1999), 20
  14. Van Gelder (1999), 21 en 23.
  15. Van Gelder (1999), 22-23
  16. Van Gelder (1999), 24-26
  17. Van Gelder (1999), 27
  18. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 20
  19. Van Gelder, 28
  20. Van Gelder (1999), 30
  21. Van Gelder (1999), 32-33
  22. Jan Meijer geciteerd bij Van Gelder (1999), 35
  23. Van Gelder (1999), 37-39
  24. a b Van Gelder (1999), 39
  25. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 44
  26. Van Gelder, 36 en 45-46
  27. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 47
  28. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 48
  29. Van Gelder (1999), 48
  30. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 51
  31. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 57
  32. Van Gelder (1999), 58
  33. 'Geciteerd bij Van Gelder (1999), 59
  34. Van Gelder (1999), 64
  35. Van Gelder (1999), 66
  36. Witteman en Van den Bergh (1998), 28.
  37. Van Gelder (1999), 67-68
  38. Witteman en Van den Bergh (1998), 29.
  39. Van Gelder (1999), 70-73.
  40. a b Van Gelder (1999), 74.
  41. Van Gelder (1999), 75.
  42. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 32.
  43. Van Gelder (1999), 77.
  44. Van Gelder (1999), 77
  45. Van Gelder (1999), 78
  46. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 34.
  47. Van Gelder (1999), 79
  48. Van Gelder (1999), 80
  49. Van Gelder (1999), 81
  50. Van Gelder (1999), 82
  51. Van Gelder (1999), 86.
  52. Van Gelder (1999), 87-88.
  53. Van Gelder (1999), 89.
  54. Van Gelder (1999), 84
  55. Citaat uit Van Gelder (1999), 85
  56. Witteman en Van den Bergh (1998), 30
  57. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 91.
  58. Witteman en Van den Bergh (1998), 31
  59. Van Gelder (1999), 91.
  60. Van Gelder (1999), 92.
  61. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 37.
  62. Van Gelder (1999), 97-98.
  63. Van Gelder (1999), 100.
  64. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 102.
  65. Van Gelder (1999), 102-103.
  66. Witteman en Van den Bergh (1998), 38-39.
  67. Witteman en Van den Bergh (1998), 39.
  68. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 104.
  69. Kees Fens, Doorluchtig glas. Vijftig jaar P.C. Hooft-prijs. Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde, Den Haag/ Em. Querido's Uitgeverij B.V, Amsterdam, 1997, 58.
  70. Fens, 1997, 59.

Bronnen[bewerken]

  • Fens, Kees. (1997). Doorluchtig glas. Vijftig jaar P.C. Hooft-prijs. Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde, Den Haag/ Em. Querido's Uitgeverij B.V, Amsterdam.
  • Gelder, Henk van. (1999). Carmiggelt. Het levensverhaal. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.
  • Witteman, Sylvia en Thomas van den Bergh. (1998). S. Carmiggelt. Een levensverhaal. Amsterdam en Antwerpen: De Arbeiderspers.