Sippenhaftung

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Sippenhaftung (Duits, ongeveer 'aansprakelijkheid volgens verwantschap'; ook verkeerd: Sippenhaft) is een collectieve bestraffing van zelf onschuldige bloed- of aangetrouwde verwanten voor een misdaad die een familielid heeft begaan. De term stamt uit de Oud-Germaansrechtelijke traditie, en betekent in feite familie-, bloed- of groepswraak.

Germaanse traditie[bewerken]

Bij heidense Germaanse stammen was Sippenhaftung volkomen normaal. Men mocht wraak nemen op familieleden, echtgenoten of stamleden van de dader. Het idee erachter was dat de stamleden elkaar in de gaten zouden houden om te voorkomen dat één van hen ontoelaatbaar gedrag zou vertonen. Het leidde echter vaak tot stamvetes die letterlijk hele volksstammen konden uitroeien. Met de toename van het centraal gezag zag men in dat dit inefficiënt was, en werd Sippenhaftung verboden.

In 1944 blies Adolf Hitler de traditie nieuw leven in na de mislukte aanslag op zijn leven door Claus Schenk von Stauffenberg: niet enkel de daders werden terechtgesteld, maar ook hun familie opgepakt en ter dood veroordeeld. Doordat nazi-Duitsland kort daarna bezet werd door de geallieerden is de maatregel echter nooit ten uitvoer gebracht.

Andere contexten[bewerken]

In sommige niet-Westerse, sterk collectief gerichte culturen, werd dezelfde praktijk als iets volkomen normaals beschouwd en ook door niet-totalitaire regimes toegepast, bijvoorbeeld in Japan tot midden in de 19de eeuw.

Het Oude Testament bevat voorbeelden in Daniël 6:24 (of 6:25, er zijn verschillende nummeringen) en in Esther 8:14. Zie ook Exodus 20:5, 34:7 en Numeri 14:18, waarin de kleinkinderen en achterkleinkinderen moeten boeten voor hun voorouders.

De traditie was heel taai in de Balkan, vooral bij de Albanese bergstammen, en veel Oosterse tribale (berg)streken, zoals Koerdistan. Ook de Iraakse president-dictator Saddam Hoessein hanteerde Sippenhaftung. Wie zich tegen hem keerde, liep ook het risico dat zijn hele (mannelijke) familie vermoord zou worden. De zonen moesten dood, zodat ze niet konden opgroeien en een vete beginnen. De broers moesten sterven, zodat ze geen wraak konden nemen. En ook de vader moest dood, zodat er geen "besmet zaad" meer was.

Stalin en Mao stelden familie van degenen die ze lieten oppakken niet terecht, maar legden hen wel vaak gevangenis- en kampstraffen op. In de wat mildere gevallen werden familieleden niet vervolgd, maar raakten toch vaak hun banen kwijt.