Slag bij Karbala
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De Slag bij Karbala was een veldslag tussen soennitische troepen onder kalief Yazied I enerzijds en sjiitische troepen onder leiding van Imam Hoessein anderzijds. De slag vond plaats op de tiende dag van de maand Muharram van het jaar 680. De slag wordt elk jaar herdacht tijdens het festival Asjoera. De slag vond plaats op de Vlakte van Karbala, waar zich nu de Iraakse stad Karbala bevindt.
Na de dood van kalief Mu'awiya in 680 dringen de mensen in Koefa bij Hoessein er op aan om de nieuwe kalief (opvolger van Mohammed te worden). Hoessein, gegriefd door de beledigingen tegen zijn vermoorde vader Imam Ali, de schoonzoon van de profeet Mohammed, neemt het verzoek aan en vertrekt vanuit zijn woonplaats Medina naar Koefa.
Hoessein zal Koefa echter nooit bereiken. Zijn reisgezelschap wordt enkele kilometers ten zuiden Koefa door soldaten van de nieuwe kalief Yazied I opgewacht. Het is een ongelijke strijd van 72 mensen tegen een overmacht van het leger van de kalief. Alle mannen, waaronder ook de zoon van Hoessein, komen om. Hoesseins hoofd wordt met een slag van een zwaard van zijn romp geslagen en later aan de kalief in Damascus gepresenteerd.
[bewerk] Betekenis voor de sjiieten
Voor de sjiieten heeft de Slag bij Karbala een bijzondere betekenis gekregen. De dood van Hoessein wordt gezien als de dood van een martelaar, die vecht tegen tirannie.
Elk jaar wordt de slag tijdens Asjoera herdacht. Tijdens processies kastijden mannen zichzelf tot bloedens toe en wordt de slag nagebootst.
Tijdens de Iran-Irak-oorlog werden tienduizenden kinderen gemanipuleerd om als 'martelaar' aan het front te sterven. De kinderen droegen op hun hoofd een band met het woord 'Karbala' erop.

