Slag bij het Teutoburgerwoud

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De kaart van de nederlaag van Varus in het Teutoburgerwoud

De Slag bij het Teutoburgerwoud (ook Varusslag of door contemporaine Romeinse geschiedschrijvers clades Variana ("varusramp") genoemd) is de benaming van de veldslag die, zoals recent bekend is geworden, bijna zeker van 9 tot 11 september van het jaar 9 n.Chr. plaatsvond bij Kalkriese. Deze plaats ligt aan de oostkant van de gemeente Bramsche (10 km ten oosten van de gelijknamige stad), ten noorden van Osnabrück. De veldslag leidde een zevenjarige oorlog in, aan het eind waarvan de Rijn voor een periode van meer dan 350 jaar als grens van het Romeinse Rijk werd vastgelegd[1].

Veldslag[bewerken]

Reconstructie van de Germaanse wal

Bij de veldslag werden drie Romeinse legioenen - het XVIIe, XVIIIe en XIXe - en hulptroepen onder leiding van Publius Quinctilius Varus, in een hinderlaag gelokt door een bondgenootschap van een aantal Germaanse stammen, dat onder aanvoering stond van Arminius, de zoon van Sigimerus, de hoofdman van de Cherusken. Arminius (in de Duitse geschiedschrijving lange tijd bekend als Hermann, de Germaan, om hem een 'Duits' gezicht te geven) maakte vlak voor de slag nog deel uit van de Romeinse hulptroepen en had een belangrijk aandeel gehad in het uitzetten van de marsroute van het Romeinse leger. De slag eindigde in een vernietigende nederlaag voor de Romeinen.

De legioenen, ongeveer 18.000 man sterk, waren op de terugreis naar hun winterkampen in Xanten, Anreppen en Haltern, toen ze in de door Arminius voorbereide hinderlaag liepen. Daar hadden de Romeinse legionairs te weinig bewegingsruimte om hun gebruikelijke gevechtstechnieken te kunnen inzetten. Toen op de tweede- of derde dag van het gevecht de Romeinse ondergang onafwendbaar bleek, pleegde de Romeinse aanvoerder, Varus, zelfmoord. Slechts enige tientallen Romeinen slaagden erin aan de vijand te ontsnappen en de Romeinse legerplaatsen aan de Rijn te bereiken.

Volgens Suetonius was de Romeinse keizer Augustus zo ontzet door de uitkomst van de slag, dat hij zijn baard en haren maanden liet groeien, als een teken van rouw en tot zijn dood regelmatig uitriep: "Quinctili Vare, redde legiones!" ("Quinctilius Varus, geef me mijn legioenen terug!"). De historicus Leopold von Ranke stelde echter dat dergelijk gedrag Augustus vreemd was en verwees deze anekdote naar het rijk der fabelen.

Plaats van de strijd[bewerken]

De plek waar de veldslag zich afspeelde was bijna 2000 jaar niet bekend. De belangrijkste aanwijzing voor de locatie was een toespeling op de Saltus Teutoburgiensis in sectie i.60-62 van Tacitus zijn Annalen, een gebied "niet ver" van het land tussen de bovenlopen van de Lippe en de Eems in het midden van Westfalen.

Gedurende de 19e eeuw deden vele theorieën over de werkelijke locatie van de slag de ronde. Een theorie pleitte met succes voor een lange beboste heuvelrug, de Osning, in de nabijheid van Bielefeld. Deze heuvelrug werd vervolgens omgedoopt tot het Teutoburgerwoud en werd de plaats waar het monument voor Hermann (het Hermannsdenkmal) werd opgericht.

De Duitse historicus Theodor Mommsen vermoedde in 1885, op grond van muntvondsten dat de slag in de buurt van Kalkriese had plaatsgevonden. Deze stelling kwam hem destijds op veel kritiek te staan, maar al in 1789 schreef Johann Eberhart Stūve in zijn geschiedenis van de stad Osnabrück dat de plaats van de veldslag in de buurt van deze stad moet hebben plaatsgevonden. Hij baseerde zich hierbij eveneens op zogenoemde Gaius-Lucius munten uit de verzameling van Heinrich Sigismund von Bar.

Het onderzoek en de opgravingen die in Kalkriese (52°26'29"N, 8°8'26"E.) vanaf begin jaren negentig hebben plaatsgevonden, werden in gang gezet door de ontdekkingen vanaf einde jaren tachtig door de Britse amateurarcheoloog Majoor Tony Clunn van Romeinse munten uit de regeerperiode van Augustus (en geen enkele munt uit latere periodes) en enkele ovaalvormige loden slingerkogels. Clunn was met zijn metaaldetector aan het zoeken in de hoop een paar Romeinse munten te vinden [2]. De opgravingen brachten al snel resten van wapens en uitrusting aan het licht. Ook werd een helm-masker van een Romeinse officier gevonden, vond men putten gevuld met beenderen en overblijfselen van de Germaanse versterkingen. Als gevolg hiervan wordt Kalkriese nu gezien als de plaats waar een deel van de slag, waarschijnlijk de beslissende fase, zich heeft afgespeeld. Kalkriese is een dorp, dat administratief deel uitmaakt van de stad Bramsche. Het ligt ten noorden van Osnabrück aan de uitlopers van de noordhelling van het Wiehengebergte, een kam-achtige heuvelrug in de Duitse deelstaat Nedersaksen.

Kalkriese ligt ongeveer 60 kilometer ten noordwesten van het Hermannsdenkmal, de plaats waar men in de negentiende eeuw dacht dat de slag bij het Teutoburgerveld had plaatsgevonden.

Romeinse vergelding[bewerken]

Germanicus' campagne in het jaar 14[bewerken]

Hoewel de schok van de Romeinse nederlaag enorm was, begonnen de Romeinen onmiddellijk met een langzame, systematische voorbereiding voor de herovering van het land. In 14 n.Chr. vlak na de dood van Augustus en de troonsbestijging van zijn erfgenaam en stiefzoon Tiberius, werd een massale inval uitgevoerd door de neef van de nieuwe keizer Germanicus. Hij voerde een verrassingsaanval op de Marsi uit. De Bructeren, Tubanten en Usipeti schoten deze stam te hulp en legden een hinderlaag voor Germanicus' troepen, toen deze op weg waren naar hun winterkwartieren; deze coalitie van Germaanse stammen werd echter verslagen. Hierbij leden de Germanen zware verliezen.[3] [4]

Campagnes in het jaar 15 n.Chr[bewerken]

Het volgende jaar werd gekenmerkt door twee grote campagnes en een aantal kleinere gevechten. De Romeinen beschikten nu over een groot leger van naar schatting 55.000-70.000 man. Dit leger werd gesteund door zeestrijdkrachten. In het voorjaar van 15 n.Chr. viel de Legatus Caecina Severus de Marsi voor een tweede keer aan. Hij had een troepenmacht van ongeveer 25.000-30.000 mannen tot zijn beschikking. Hiermee veroorzaakte hij opnieuw een grote ravage in het land van de Marsen. Ondertussen hadden Germanicus' troepen een fort gebouwd op de berg Taunus. Vandaar trok hij met ongeveer 30.000-35.000 legionairs op tegen de de Chatten. Veel van de Germanen vluchtten over een rivier en verspreidden zich in de bossen. Germanicus marcheerde nu op naar Mattium. Deze stad brandde hij vervolgens af.[5] [6] Na aanvankelijke succesvolle schermutselingen in de zomer van 15 n.Chr. met inbegrip van de gevangenneming van de Arminius' vrouw Thusnelda,[7] bracht het leger een bezoek aan de plaats waar de slag bij het Teutoburgerwoud zes jaar eerder had plaatsgevonden. Volgens Tacitus vonden zij hopen gebleekte botten en verbrijzelde schedels, die aan de bomen waren genageld, deze stoffelijke resten werden begraven, "... zij zagen allen als verwanten en als van hun eigen bloed ...".

Strijd in de 16 n.Chr.[bewerken]

In 16 n.Chr. trokken de Romeinen onder leiding van Germanicus samen met geallieerde Germaanse hulptroepen, weer op in Germania. In de buurt van het moderne Minden trokken zij de Weser over. Daarbij leden de Romeinen lichte verliezen. Germanicus wist de Germanen tot een open veldslag bij Idistaviso (de slag bij de Weser) te dwingen. Germanicus' legioenen brachten in deze slag enorme verliezen toe aan de geallieerde Germaanse legers. Zelf leden zij slechts lichte verliezen. Een laatste slag werd uitgevochten bij de Angivarische muur ten westen van het moderne Hannover. Het patroon van hoge aantallen Germaanse dodelijke slachtoffers herhaalde zich ook hier. De overlevende Germanen sloegen op de vlucht. In de zomer van 16 n.Chr. trok Caius Silius tegen de Chatten op met 33.000 mannen. Germanicus tenslotte viel de Marsi voor een derde keer aan en verwoestte hun land voor de derde keer[8]

Invloed op de Romeinse expansie[bewerken]

De 19e eeuwse Britse historicus Edward Creasy rekende het verlies van de Romeinse legioenen onder zijn vijftien meest beslissende veldslagen in de wereld. Hij stond daarbij in een zekere traditie. Vanaf het moment van de herontdekking van de Romeinse bronnen in de 15e eeuw, werd de slag bij het Teutoburgerwoud als een cruciale veldslag gezien, die een einde had gemaakt aan de Romeinse expansie in Noord-Europa. Deze gedachte werd vooral in de 19e eeuw dominant. Daar vormde deze notie een integraal onderdeel van de mythologie van het Duitse nationalisme.

Meer recent hebben sommige wetenschappers deze interpretatie ter discussie gesteld. Zij hebben op diverse redenen gewezen waarom de Rijn een veel praktischere grens voor het Romeinse Rijk zou hebben gevormd dan enige andere rivier in Germania.[9] Logistiek konden aan de Rijn gelegerde legioenen vanuit het Middellandse Zee-gebied worden bevoorraad via de Rhône, Saône en Moezel, met een slechts korte route van enkele tientallen kilometers over land. Een aan de Elbe gelegerd Romeins leger zou daarentegen door een veel lange route over land of over de toen nog zeer gevaarlijke zuidelijke Noordzee bevoorraad moeten worden. Ook was het Rijngebied op het moment van de Gallische verovering economisch gezien al zo ontwikkeld dat er steden en grote dorpen aan gelegen waren. Noord-Germania was daarentegen veel minder ontwikkeld; er waren minder dorpen en ook bestond er geen noemenswaardig voedselsurplus. De Rijn was dus vanuit Romeins perspectief een significant betere optie, want veel beter in staat om omvangrijke garnizoenen logistiek te ondersteunen dan andere Germaanse regio's ten noordoosten ervan. Het waren dus vooral praktische redenen om na de expansie ten tijde van Augustus in 47 n.Chr. nu definitief terug te vallen op de Rijngrens.

Romeinse bronnen[bewerken]

Cenotaaf voor Marcus Caelius, Primus Ordinus Legionis van het 18e legioen uit Bononia van de tribus Lemonia, 53 jaar, die viel in de bello variano, lange tijd het enige archeologisch bewijs voor de veldslag

Onderstaande lijst geeft alle bekende verwijzingen naar de strijd in de literaire bronnen uit de klassieke oudheid. Hoewel de beschrijving in Dio Cassius' Romeinse geschiedenis het meest gedetailleerd is, werd dit werk bijna twee eeuwen na de gebeurtenis geschreven en wijzen sommige nieuwe details, die niet vermeld worden door eerdere auteurs, er zeer waarschijnlijk op dat zijn werk eerder als een literaire bewerking van de gebeurtenissen moet worden gezien, dan als een echt betrouwbare historische beschrijving.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen:

  • Meidenbauer, J., Lexicon van Historische Misverstanden (vertaald door K. Moerbeek en J. Traats) (Amsterdam, 2005)

Voetnoten:

  1. Ook na deze oorlog vonden er nog regelmatig Romeinse expedities voorbij deze grens plaats, maar niet meer met het doel het gebied blijvend te koloniseren
  2. Hij was wel bekend met het werk van Mommsen, dus zo toevallig was het nu ook weer niet
  3. Tacitus, Annalen, I.50
  4. Tacitus, Annalen, I.51
  5. Matthew Bunson: A Dictionary of the Roman Empire. Oxford University Press US 1995, ISBN 0-19-510233-9, blz. 83
  6. Tacitus, Annalen, I.56
  7. Tacitus, Annalen, I.57
  8. Tacitus, Annalen, II.25
  9. Heather, Peter (2006). 'The Fall of the Roman Empire: A New History of Rome and the Barbarians.