Slag om de IJzer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slag om de IJzer
Onderdeel van de Race naar de Zee, Westfront (Eerste Wereldoorlog)
Frontverloop in 1915 en 1916
Frontverloop in 1915 en 1916
Datum 18 oktober31 oktober 1914
Locatie IJzer, België
Resultaat Belgisch-Franse overwinning
Strijdende partijen
Vlag van België België

Vlag van Frankrijk Frankrijk

Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk
Commandanten
Vlag van België Albert I
Vlag van Frankrijk admiraal Ronarc'h
Flag of the German Empire.svg Albrecht van Württemberg
Troepensterkte
België: 4 infanteriedivisies, 2 reservedivisies
Frankrijk: 1 infanteriedivisie, 2 Fusiliers Marins regimenten
6 legerkorpsen, 12 divisies
Verliezen
België: 40.000
Frankrijk: 15.000
Totaal: 55.000
minimaal 86.500
Onder water gezet gebied

De Slag om de IJzer was een veldslag in de Eerste Wereldoorlog die begon op 18 oktober en eindigde op 31 oktober 1914.

Wat vooraf ging[bewerken]

Op 12 oktober 1914 rukken de Duitsers Gent binnen en de volgende dag wappert de Duitse vlag op het stadhuis. De Britten bezetten Ieper vanaf 14 oktober 1914. De volgende dag stellen Franse, Britse en Belgische troepen zich achter de IJzer en de Ieperlee op. Uitgeput graven ze zich in in spoedloopgraven onder de belofte van hun oversten spoedig naar huis terug te keren. Op 16 oktober 1914 arriveren Duitse verkenningstroepen in Diksmuide en reeds de volgende dag gaan ze tot de aanval over, die succesvol door de Britten wordt afgeslagen.

De slag[bewerken]

Op 18 oktober 1914 gaat de Slag om de IJzer van start. Veldmaarschalk sir John French geeft de British Expeditionary Force opdracht naar Menen en Rijsel te vertrekken, maar wordt door de Duitsers in zijn opzet gehinderd. Zuidelijk van Nieuwpoort dringen de Duitsers bij Mannekensvere door en verjagen de Belgen uit hun verdedigingslinie. 's Nachts nemen de Belgische troepen wraak en kunnen enkele posities opnieuw innemen. Hun succes is maar van korte duur, want enkele uren later worden ze weer verdreven.

Diksmuide komt onder vuur op 18 oktober 1914 maar de Belgische troepen wijken niet. Ook Nieuwpoort staat in lichterlaaie. Lombardsijde wordt enkele uren later ingenomen nadat de Duitsers het Kanaal Plassendale-Nieuwpoort zijn overgestoken. Diezelfde dag moeten de Belgen bijna al hun voorposten opgeven. En op 20 oktober 1914 staan de Duitsers aan de IJzer.

De volgende dag vallen de Duitsers Tervate aan en slagen erin een loopbrug over de IJzer te nemen en een bruggenhoofd te vormen op de linkeroever. Ze dreigen door te stoten naar Duinkerke en de situatie wordt kritiek voor de Belgische verdediging. Zeker voor de volgende dagen want ook de 2e verdedigingslinie wordt bedreigd als de Duitsers hun posities op de linkeroever weten te verstevigen.

Op 25 oktober 1914 wordt de situatie zo kritiek dat Koning Albert, de opperbevelhebber van het Belgische leger, besluit om de polder tussen de IJzer en de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide onder water te zetten. Onderzoeksrechter Feys had Kolonel Wielemans van het Belgisch hoofdkwartier gewezen op een oud plan voor inundatie dat toen aanleiding had gegeven tot het betalen van vergoedingen aan boeren. Overigens waren vrijwel alle inwoners van het poldergebied van de IJzervlakte zich bewust van de mogelijkheden van inundaties als onderdeel van militaire defensieve operaties. Ook het Belgische Leger zelf was vertrouwd met de militaire waarde van onderwaterzettingen. Inundaties waren een onderdeel van de Vesting Antwerpen. Op 21 oktober was reeds een deel van de polder Noord van de IJzer onder water gezet door aan het sluizencomplex van Nieuwpoort de verlaten van de Kreek van Nieuwendamme te openen. Het plan zelf wordt opgesteld door de staf van het Belgische leger. Het leger was echter niet vertrouwd met de plaatselijke situatie. Daarom wordt beroep gedaan op Karel Cogge, als raadgever. Hij was toezichter bij de Noord Watering Veurne, het geheel van grachten, sloten en vaarten dat de IJzervlakte Zuid van de IJzer ontwatert, en vertrouwd met elk détail van de watering. In de nacht van 28 op 29 oktober 1914 worden bij vloed de verlaten van Veurne-Ambacht aan de Ganzepoot in Nieuwpoort geopend door Belgische militairen. Hendrik Geeraert, een burger die al hielp bij de allereerste inundatie op 21 oktober, is er ook hier bij. Het zeewater stroomt krachtig door de Veurne-Ambacht verlaten in de Noordvaart en verspreidt zich verder door de sloten en grachten over de polder. De sluizen worden weer gesloten wanneer het water in de Noordvaart even hoog staat als het niveau van de zee. Dat maneuver wordt bij de volgende hoge getijden, om de twaalf uur, nog enkele keren herhaald. Ondertussen worden Pervijze, Ramskapelle, Nieuwpoort en Diksmuide onophoudelijk gebombardeerd. Om redenen waarover men enkel kan speculeren hebben de Duitsers het belang van het sluizencomplex en de mogelijkheden tot inundatie niet erkend. Pas wanneer de polder in een ontoegankelijke watervlakte is veranderd en hun troepen Zuid van de IJzer hopeloos vast zitten, geven ze zich rekenschap van het gebeurde.

Op 29 oktober 1914 valt Diksmuide na hevige gevechten op de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide. De Duitse generaal Erich von Falkenhayn, chef van de Duitse generale staf, heeft ondertussen de sterkte van zijn 4e en 6e leger opgebouwd om na de IJzer de havens van Calais en Boulogne in te kunnen nemen. Op deze manier hebben de Duitsers een voordeel van 6-tegen-1.

Op 30 oktober 1914 wordt de tweede Belgische verdedigingslinie toch gebroken door een aanval tussen Nieuwpoort en Rijsel door de Duitse 5e reservedivisie. Als ze Pervijze en Ramskapelle proberen in te nemen stuiten ze op hevige tegenaanvallen van de Belgen en Fransen. Ze proberen zich terug te trekken achter de IJzer maar ondertussen is het water zo gestegen dat het hele gebied ten Westen van de IJzer blank staat.

Het front aan de IJzer zit muurvast. De Duitse keizer verlaat ontmoedigd het front. Alleen rond Ieper wordt volop gestreden over de paar meters grond tussen de Duitse en Britse linies (zie Eerste Slag om Ieper).

Op 10 november 1914 bezetten de Duitsers Diksmuide. Maar als het twee dagen later begint te sneeuwen, graven alle partijen zich in. Dit luidt het voorlopige einde van de strijd in.

Lange tijd bleef het stil aan het westfront, soldaten kropen zo diep mogelijk weg in de loopgraven. De onderwaterzetting gaf een gevoel van veiligheid, al bleek dit gevoel van veiligheid vals toen tijdens de nacht van 15 januari - 16 januari 1916 de soldaten plots oog in oog kwamen te staan met drie Duitsers. Men dacht dat het onmogelijk was zo'n grote afstand af te leggen door het ijskoude water. Met grote ontzetting ondervond men dat de soldaten uitgerust waren met speciaal ontworpen zwempakken, bestaande uit zeildoek, teer en rubber zodat ze zich gedurende lange tijd in uiterst koud water konden voortbewegen. Bovendien kwam men te weten na ondervraging dat er soldaten getraind werden om op deze manier de vijand te besluipen. Meteen werd de beveiliging van de wachtposten strenger gecontroleerd. Het bleef echter bij deze drie "zwemmers".

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Bauwens Jacques. De IJzer. Het ultieme front, Davidsfonds, Leuven, 2008.
  • Leper J. Kunstmatige inundaties in Maritiem Vlaanderen 1316-1945, Michiels, Tongeren, 1957, 327 p.
  • Van Pul Paul, Oktober 1914. Het koninkrijk gered door de zee, De krijger, Erpe, 2004, 371 p.
  • Thys Robert, kapitein-commandant. Nieuport 1914-1918. Les inondations de l’Yser et la Compagnie des Sapeurs-Pontonniers du Génie Belge, Paris/Liège/Londres, Levrault/Henri Desoer/Constable and Co, 1922.
  • Wydooghe Benedict. De sluiswachter van de Ijzer. Sterk water. Op zoek naar Hendrik Geeraerts Eerste Wereldoorlog, Witsand, sp. 2013.