Slankapen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slankapen
Affe Gueryza 0509012.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Primates (Primaten)
Familie: Cercopithecidae (Apen van de Oude Wereld)
Onderfamilie
Colobinae
Jerdon, 1867
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren
Zuidelijke franjeaap (Colobus angolensis)
Javaanse langoer (Trachypithecus auratus)
Gouden stompneusaap (Rhinopithecus roxellanae)

De slankapen of bladapen (Colobinae) zijn een van de twee onderfamilies uit de familie apen van de Oude Wereld (Cercopithecidae); de andere onderfamilie zijn de meerkatachtigen (Cercopithecinae). Soms wordt deze onderfamilie als een aparte familie beschouwd, de Colobidae. De slankapen worden in drie geslachtengroepen verdeeld, de Afrikaanse franjeapen (Colobini), de Aziatische langoeren (Presbytini) en de Aziatische stompneusachtigen (Pygatrichini), waartoe de neusaap (Nasalis), de doeks (Pygathrix), de stompneusapen (Rhinopithecus) en varkensstaartlangoer (Simias) behoren.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

Slankapen zijn over het algemeen bladetende boombewoners, die voornamelijk in bossen en bosgalerijen leven. Sommige soorten (bijvoorbeeld de gewone hoelman) leven ook in landbouw- en stedelijke gebieden.

De grootste diversiteit is te vinden in Zuid- en Zuidoost-Azië, waar zeven geslachten leven, van Pakistan en India tot Zuid-China, de Filipijnen, Celebes en Lombok. Op het eiland Borneo leven zo'n zes verschillende soorten. De Afrikaanse franjeapen zijn minder divers en worden verdeeld in twee à drie geslachten, en leven in de regenwouden van Oost- tot West-Afrika. De meeste fossielen worden gevonden in geheel Afrika, maar ook worden er fossiele slankapen gevonden in Azië en Europa. Een fossiele soort was zo groot als een hedendaagse mensaap.

Leefwijze[bewerken]

Bladeren (het liefst jonge) vormen het belangrijkste onderdeel van het dieet, aangevuld met vruchten, zaden, knoppen, bloemen en scheuten. In gebieden met minder vruchtbare grond zijn de dieren selectiever dan in gebieden met vruchtbare grond. Van enkele soorten is bekend dat ze ook mineraalrijke aarde eten, en sommige soorten eten ook dierlijk materiaal, voornamelijk insecten.

Er is geen vaste paartijd, maar wel een jaarlijks terugkerende piek in paaractiviteiten. Vrouwtjes nemen vaak het initiatief tot paren, door middel van lichaamsgebaren, waarop het mannetje met andere gebaren reageert. De ogen van de jongen zijn open bij de geboorte, en het jong klampt zich vrijwel direct vast aan de vacht van de moeder. Jongen hebben over het algemeen een kortere vacht die qua kleur afwijkt van dat van volwassen dieren. Bij veel soorten zorgen meerdere vrouwtjes voor de jongen.

Slankapen zijn vrij rustige soorten en minder agressief dan de meerkatachtigen. Ze leven in kleine familiegroepjes, alhoewel deze zich kunnen samenvoegen tot grotere groepen, die uit meer dan honderd dieren kunnen bestaan. Solitaire dieren zijn over het algemeen mannetjes.

Beschrijving[bewerken]

De meeste slankapen zijn slanker gebouwd dan de overige apen van de Oude Wereld, vandaar de naam. Uitzondering hierop vormen de neusaap en de stompneusapen, die juist vrij zwaar zijn, en tot de zwaarste apen behoren. Bij veel soorten is de duim gereduceerd, een aanpassing aan het leven in bomen.

Pasgeboren slankapen hebben meestal een vachtkleur die afwijkt van de kleur van volwassen dieren, maar meestal overeenkomt met de kleur van pasgeboren slankapen die tot andere soorten behoren. Veel soorten hebben op de kop opvallende "kapsels", waaronder kuiven en pruiken.

Slankapen verschillen in grootte van de gewone hoelman (Semnopithecus entellus), die tot 78 centimeter lang en 23,6 kilogram zwaar wordt, tot de groene franjeaap (Procolobus verus), die 43 tot 49 centimeter lang en 2,9 tot 5,7 kilogram zwaar wordt. De staart is bij de meeste soorten zeer lang.

De slankapen hebben vrij grote speekselklieren. De maag van de slankapen kan grote hoeveelheden voedsel aan en is verdeeld in verscheidene kamers, waardoor ze beter in staat zijn bladeren te verteren dan andere primaten. De bovenste kamer bestaat uit verscheidene zakken en bevat geen maagzuur. Hier leven anaerobe bacteriën, die de bladeren verteren. Mogelijk zijn de speekselklieren zo groot om het maagzuur, dat uit de onderste kamer naar de bovenste kan sijpelen, te neutraliseren.

Ze hebben anders dan de meerkatten en verwanten geen wangzakken. Ook zijn er verschillen in het gebit.

Relatie met de mens[bewerken]

Veel soorten worden bedreigd. Sommige soorten, als de gouden stompneusaap en de oostelijke franjeaap, hebben een prachtige pels, waardoor ze in het verleden aantrekkelijk waren voor de bontindustrie. Ook worden veel soorten bejaagd voor het vlees of medicijnen. Tegenwoordig vormt echter de oprukkende boskap de belangrijkste bedreiging.

De gewone hoelman wordt echter vereerd door de Hindoes, en de dieren worden gevoerd, ondanks het feit dat de hoelman regelmatig landbouwgewassen plundert. Ze worden namelijk gezien als afstammelingen van Hanuman, de belangrijkste helper van de god Rama toen deze zijn ontvoerde vrouw Sita probeerde terug te vinden.

Taxonomie[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Brandon-Jones, D. (2001) "Colobus and Leaf Monkeys". in: MacDonald, D. (red.), The New Encyclopedia of Mammals, Oxford: Oxford University Press, p. 380-391.
  • Nowak, R.M. (1999) Walker's Primates of the World. Baltimore & Londen: the Johns Hopkins University Press.