Slavernij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Afbeelding van de slavenmarkt in de Romeinse tijd gemaakt door Gustave Boulanger, vóór 1882
Een slavin wordt gestraft, 1839
Twee halve borden verbonden met een schakelketting, kunst van de Marrons, Tropenmuseum
Slavernij in Brazilië door Jean-Baptiste Debret (1768-1848).
Slaventransport in Afrika, gravure uit
Lehrbuch der Weltgeschichte oder Die Geschichte der Menschheit
William Rednbacher, 1890
Smeedijzeren slavenhalsboei; bij de Creoolse bevolking van Suriname staan dergelijke boeien bekend als 'banditi', hetgeen ook strafarbeid kan betekenen

Slavernij is een vorm van onvrijwillige dienst waarin een persoon wordt behandeld als het eigendom van een ander persoon.

De persoon die het bezit is, wordt slaaf genoemd, naar het Balkanvolk, zie ook Slavische volkeren, dat na de oudheid eeuwenlang de belangrijkste leverancier was van slaven. Slavernij komt nog op veel plekken in de wereld voor, hoewel het in de hele wereld is verboden. De schattingen over het aantal mensen in een situatie waarin ze gedwongen worden tewerkgesteld lopen van 30 miljoen[1] tot 100 miljoen. Een van de aspecten van slavernij is slavenhandel.

Slavernij in de oudheid[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Slavernij in de oudheid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het beeld van slavernij als Westerse misdaad van de 16e tot de 19e eeuw is niet volledig. Slavernij bestaat namelijk minstens zolang als de geschiedschrijving. Het Oude Egypte, Oude Griekenland, de Romeinen, maar ook modernere Afrikaanse en Arabische culturen maakten en maken veelvuldig gebruik van slaven. Slavernij kwam ook in de Chinese, Indische en Amerikaanse indianenculturen voor.

Er waren wel verschillen tussen de diverse vormen van slavernij. Slavernij kwam voor als gedwongen dienstverlening zoals huishoudelijk werk, dienst in het leger en zware arbeid, maar werd ook als straf opgelegd om bijvoorbeeld schulden af te lossen. Soms kregen slaven loon, soms kost en inwoning. Essentieel aan slavernij is echter dat mensen door anderen, zonder dat ze daartoe de vrije keuze hebben, worden verplicht werk te verrichten. Een slaaf werkte meestal vanaf zijn geboorte of gevangenneming tot aan zijn dood voor zijn eigenaar. In sommige culturen kon een slaaf zijn vrijheid wel verdienen of kopen.

In de meeste culturen van de Oudheid verkeerde een groot deel van de "vrije" boeren in een soort horigheid ten opzichte van de grondbezitters. Daardoor hadden dezen ook zonder slavernij de beschikking over een voldoende hoeveelheid goedkope arbeidskrachten.

Grieken en Romeinen[bewerken]

Hoewel slavernij bij (vrijwel) alle culturen in de oudheid voorkwam, waren het vooral de Grieken en Romeinen die op grote schaal hiervan gebruik maakten. In de meeste culturen werden slaven vooral in de huishouding van rijke mensen gehouden en waren ze betrekkelijk gering in aantal. Alleen na oorlogen zwol hun aantal sterk aan, wanneer de verslagenen door een overwinnend leger in slavernij werden weggevoerd. Door de grote uitbreidingsoorlogen van de late Romeinse Republiek kwamen er tijdelijk grote aantallen slaven beschikbaar. Deze werden overal tewerkgesteld waar veel mankracht nodig was, zoals in de landbouw, mijnbouw en grote constructiewerken. De vaak verkondigde voorstelling dat in de Griekse en Romeinse samenleving slaven de grote meerderheid der bevolking uitmaakten is echter beslist overdreven. Soms speelden slaven voor ons onverwachte rollen: zo bestond de politie in Athene uit Scythische slaven. Bij de Grieken en Romeinen kwam het regelmatig voor dat slaven zichzelf vrijkochten of dat ze door hun eigenaar werden vrijgemaakt. Ook was het gebruikelijk dat een eigenaar bij zijn overlijden een gedeelte van zijn slaven per testament vrijmaakte. Het aantal vrijgemaakten, in met name de stad Rome zelf, groeide hierdoor zozeer dat keizers als Augustus beperkingen invoerden op het vrijmaken van slaven door hun eigenaar.

In de Romeinse Keizertijd, toen de grote veroveringsoorlogen waren opgehouden, begon de aanvoer van "verse slaven" te stokken. De grondbezitters gingen toen bevorderen dat de slaven op hun plantages een gezin konden stichten ("servi casati" - slaven met een eigen huishouding), zodat de slavenpopulatie langs natuurlijke weg in stand kon worden gehouden. Tegelijk was een groot deel van de voorheen vrije boeren, de coloni, langzamerhand in een soort horigheid vervallen. Op den duur zou het onderscheid tussen servi casati en coloni grotendeels verdwijnen.

Mesopotamië[bewerken]

Ook hier bestond slavernij, maar er waren wel bepaalde regels. Zo konden slaven in de tijd van Apil-sin hun vrijheid krijgen wanneer ze geadopteerd werden door een ouder echtpaar die ze tot hun dood verzorgden. Daarna waren ze vrij.[2]

Egypte[bewerken]

Vroeger dacht men ook dat bijvoorbeeld de Egyptische piramiden door massale inzet van slaven gebouwd werden. Archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen gevonden dat dit voornamelijk door de Egyptische boeren, arbeiders en bewoners zelf werd gedaan als herendienst aan de farao op tijdstippen dat het land toch niet bewerkt kon worden (tijdens de periodieke Nijloverstromingen die het land door vers slib verbeterden).

Palestina: slavernij in de Bijbel[bewerken]

De Bijbel verhaalt vaak en uitvoerig over slaven, slavernij en slavenhandel.

De bijvrouw van Abraham, Hagar, was een Egyptische slavin die hem zijn eerste zoon, Ismaël, schonk. Zijn achterkleinzoon Jozef werd als slaaf naar Egypte gevoerd. Het hele Joodse volk was in slavernij in Egypte geraakt, waaraan het kon ontsnappen onder leiding van Mozes (en dit wordt nog steeds herdacht met het joodse paasfeest, Pesach).

De Bijbel geeft uitvoerige regels voor het behandelen van slaven. Zo is het volgens het Oude Testament verboden om Joden voor altijd in slavernij te houden (Exodus 21:2), wordt de verkoop van dochters als slavinnen gereguleerd (Exodus 21:7-11) en wordt het roven van Joden om hen als slaaf te verkopen met de dood bestraft (Deuteronomium 24:7). Maar ook konden slaven uit omringende volkeren worden gekocht. Deze niet-Joodse slaven waren dan voor altijd eigendom van de koper en konden als erfelijk bezit worden overgedragen aan het nageslacht (Leviticus 25:44-46).

Jezus geeft in het Nieuwe Testament verschillende parabels waarin gesproken wordt over slaven en meesters, maar keurt het niet expliciet af. De meeste verzen in het Nieuwe Testament waarin de slaaf direct genoemd wordt geven aan dat deze zich moet schikken in zijn lot en gehoorzaam moet zijn aan de meester (Lucas 12:47, 1 Timoteüs 6:1, Titus 2:9-10, Efeziers 6:5, 1 Petrus 2:18-19).

China en India[bewerken]

Ook in het oude China en India bestond de grote massa der bevolking uit in naam vrije boeren, maar hun positie verschilde echter vaak niet of nauwelijks van die van horigen.

Europa in de Middeleeuwen[bewerken]

In de vroege Middeleeuwen ontstond er in West-Europa een toenemende weerzin om medechristenen in volledige slavernij te houden. Het betrekkelijk geringe aantal "volle slaven" werd toen vooral gerekruteerd onder de Slaven in Oost-Europa, die vóór AD 1000 of 1100 nog grotendeels heidens waren. Het Latijnse woord "servus" voor "slaaf" ging toen "horige" betekenen en voor de "volle slaven" ging men het woord "sclavus" gebruiken, afgeleid is van het Oud-Slavische woord sloviti, dat "spreken" betekent, m.a.w. "de mensen die onze taal spreken").

De kerk ontmoedigde het rekruteren van medechristenen tot slaven, maar lijfeigenschap en horigheid, waardoor toen de meerderheid van de Europese bevolking gebonden was, vormden een gematigde vorm van slavernij. In het Byzantijnse en islamitische oosten kwam slavernij op grotere schaal voor en werd dit als normaal gezien. In het westen werden krijgsgevangen moslims meestal als slaaf behandeld.

Omstreeks 1500 waren er in Spanje en Portugal talrijke blanke, Moorse, joodse en negerslaven. In het begin van de 16e eeuw en nog lang daarna, werden door Spanje en andere landen de volgende personen als slaaf beschouwd:

  • iedereen die uit een slavenmoeder geboren was
  • wie in een 'rechtvaardige oorlog' gevangengenomen was
  • kinderen die door hun ouders in slavernij verkocht werden
  • misdadigers die door rechterlijk vonnis tot slaaf waren gemaakt
  • gedoopte joden en Moren (Morisken) die niet zuiver in de leer waren, verloren soms hun vrijheid
  • vrouwen van hogere stand die soms hun vrijheid verloren door 'ongeoorloofde' betrekkingen met de lagere geestelijkheid. Soms deelden hun kinderen hun lot.
  • schuldenaars die hun schulden afkochten door zich tijdelijk of blijvend in vrijwillige slavernij van de schuldeiser te begeven.

Slavernij in Afrika[bewerken]

De routes waarlangs slaven werden getransporteerd.

In Afrika bestaat slavernij en slavenhandel duizenden jaren, tot op de dag van vandaag. In het rijk Senegambia was een derde van de bevolking slaaf tussen 1300 en 1900. Afrikaanse volkeren zoals de Ashanti in Ghana en de Yoruba in Nigeria waren economisch afhankelijk van slavenhandel. De Imbangala van Angola en de Nyamwezi van Tanzania dienden als makelaars of voerden oorlog met andere volkeren om slaven buit te maken voor Europeanen. Piet Emmer beschrijft in zijn boek De Nederlandse Slavenhandel 1500-1850 hoe in oorlogen tussen Afrikaanse volkeren veel krijgsgevangenen werden gemaakt, die als ze niet vermoord werden als slaven werden gebruikt of verkocht.

De Somalische slavenhandel[bewerken]

De Bantoe (ook wel Gosha, Jareer en Mushunguli genoemd) zijn een etnische minderheidsgroep in Somalië.[3] De Somalische Bantoe zijn de afstammelingen van mensen uit hedendaags Tanzania, Malawi en Mozambique, die als slaaf werden verkocht als onderdeel van de recente Arabische slavenhandel.[3] Het aantal Bantoe inwoners in Somalië voordat de burgeroorlog uitbrak was ongeveer 80.000 (1970 schatting). De meeste wonen tussen de rivieren Jubba en Shebelle in het zuiden van Somalië. Echter, recente schattingen noemen een groter aantal, tot 900.000.[4] In tegenstelling tot de Somaliërs, die voor het grootste deel stedelingen en nomadische herders zijn, zijn de Bantoe hoofdzakelijk sedentaire boeren. Bantoe zijn ook fysiek, etnisch en cultureel gepolariseerd van Somaliërs, en zijn gemarginaliseerd sinds hun komst in Somalië.[3][5] De Bantoe slaven (die jareer genoemd werden door hun Somalische meesters) werden gekocht in de slavenmarkt om werk op plantages te verrichten.[6][7] Bovendien werd in de Somalische sociale mores sterk neergekeken op elke vorm van seksueel contact met Bantoe-slaven.[7] Vrijheid voor deze plantageslaven was alleen mogelijk door te ontsnappen of door zich te bekeren tot de Islam.

Een Bantoe slaaf in Mogadishu,Somalië (1882–1883).

Naast de Bantoe plantageslaven werden er ook Oromo gevangengenomen tijdens oorlogen met, en aanvallen op, Oromo-nederzettingen.[8][9] Maar er waren verschillen in termen van de vangst en behandeling van Oromo-slaven ten opzichte van de Bantoe plantageslaven. Op individuele basis werden de Oromo-slaven door hun Somalische meesters niet gezien als jareer.[8] De gevangengenomen Oromo waren ook meestal jonge kinderen en vrouwen en deze werden opgenomen in de families van hun ontvoerders; de mannen werden meestal gedood tijdens de aanvallen. Oromo-jongens en meisjes werden door hun Somalische meesters gezien en behandeld als hun eigen kinderen. Gewaardeerd om hun 'schoonheid' werden ze als wettige seksuele partners goedgekeurd. Veel Oromo-vrouwen werden concubines van hun Somalische meesters, terwijl anderen huispersoneel werden. In sommige gevallen waren hele Oromo-clans geassimileerd in het Somalische clansysteem. Noch gevangen Oromo-kinderen, noch vrouwen werden gedwongen plantagewerk te verrichten, en ze werkten meestal samen met de Somalische vrouwen in huis of op het land.[9] Nadat een Oromese concubine een kind kreeg van haar Somalische echtgenoot, werden het kind en de vrouw geëmancipeerd en de Oromo-vrouw kreeg de status die een autochtoon Somaliër had.

Slavernij in de Nieuwe Wereld[bewerken]

Blanke slaven[bewerken]

Tussen 1512 en 1693 werden blanke slaven en slavinnen vaak naar het Caribisch gebied gebracht. Eerst door de Spanjaarden, later ook door anderen. Tussen 1654 en 1685 vertrokken ongeveer 10.000 indentured servants, contractueel verplichte arbeiders, uit Bristol naar West-Indië en Virginia. Sommigen kwamen vrijwillig, anderen waren ontvoerd in de straten van Londen en Bristol. Later werden criminelen als gedwongen arbeider uit Engeland naar West-Indië gebracht. Franse koloniën kenden zogenaamde engagés. De Staten van Holland besloten in 1684 om misdadigers uit de provincie Holland naar De West (Suriname) te zenden in plaats van ze in tuchthuizen op te sluiten.

Inheemse Amerikanen[bewerken]

In de Spaanse en Portugese koloniën in Zuid- en Midden-Amerika stierf de autochtone bevolking, die gedwongen werd als slaaf op de plantages te werken, massaal doordat zij in het geheel geen resistentie had tegen ziekten als pokken en pest. In sommige gebieden was de inheemse bevolking bovendien al vóór de epidemieën erg schaars geweest.

Afrikanen[bewerken]

Afrikaans slaventransport.
Voorgedrukt koopcontract voor een 18-jarige slaaf, getekend te Lima, Peru, 13 oktober 1794.
Nuvola single chevron right.svg Zie Trans-Atlantische slavenhandel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Rond 1660 ontstond een tekort aan arbeiders in de VS. Boeren uit New Carolina en Virginia waren de eersten die Afrikaanse slaven gingen gebruiken voor de tabaksoogst. Virginia was ook de eerste staat die haar wetten veranderde: zwarten die in hun geboorteland geen christen waren werden als slaven beschouwd. Men ging op grote schaal slaven importeren uit Afrika, waar stamhoofden graag krijgsgevangenen, misdadigers, ongehoorzame slaven en dergelijken voor een goede prijs van de hand deden.

De slaven werden vooral ingezet bij de teelt en verwerking van suikerriet. Het leven van deze slaven was zeer hard. Ze werden met een terreurregime onder de duim gehouden. Het sterftecijfer op de plantages overtrof over het algemeen in aanzienlijke mate het geboortecijfer.

Littekens van een zweep op de rug van een slaaf.

Toen de Engelsen, Nederlanders en Fransen zich in de 17e eeuw meester maakten van een groot deel der Caribische eilanden en de Guyana's, begonnen zij ook daar suikerrietplantages aan te leggen, met zwarte slaven. De levensomstandigheden op de plantages waren over het algemeen verschrikkelijk.

Tussen ongeveer 1500 en 1850 werden omstreeks 11 miljoen Afrikanen als slaaf over de Atlantische Oceaan getransporteerd. Gemiddeld stierf zo'n 15% van de slaven tijdens het transport, vergelijkbaar met de sterfte onder de bemanning. Nederland nam met rond de 550.000 slaven 5% van de totale slavenhandel voor zijn rekening.[10]

In de 18e eeuw begon de slavernij zich ook te ontwikkelen in de Engelse kolonies langs de kust van Noord-Amerika, de oostkust van de latere Verenigde Staten. Hier was het sterftecijfer onder de slaven over het algemeen lager dan het geboortecijfer, misschien dankzij een iets betere behandeling, of door het minder tropische klimaat, waardoor het gemakkelijker was ziekten onder controle te houden. Werkelijk goed waren de levensomstandigheden van de zwarte slaven hier evenmin.

Gevluchte slaven stichtten gemeenschappen op ontoegankelijke plaatsen. Zulke gemeenschappen van Marrons ontstonden op vele plaatsen, van het Amazonegebied tot in de Amerikaanse staten Florida en North Carolina. Veelal voerden de Marrons een guerrillastrijd tegen de plantage-eigenaren.

Aziaten[bewerken]

Ook in Batavia waren slaven, in de 18e eeuw zelfs meer dan 60% van de bevolking. Deze waren met vele duizenden aangevoerd uit India en Arakan (Birma), en later ook uit Bali en Celebes. Om opstanden te voorkomen mochten geen Javanen tot slaaf worden gemaakt.

Slavernij in het christendom[bewerken]

In het Nieuwe Testament wordt slavernij veroordeeld noch verdedigd, wel zijn er verscheidene passages waarin duidelijk wordt gemaakt dat slaven en vrijen voor God gelijk zijn. Maar gevluchte slaven werden op bepaalde plaatsen in bepaalde tijden vervloekt en geweigerd tot de Heilige Communie of het avondmaal.[11]

In bepaalde perioden meende men wel in het Oude Testament een rechtvaardiging voor het nemen en houden van slaven te zien. Zo dacht men bijvoorbeeld dat de vervloeking van Cham betekende dat de zwarte Afrikaanse bevolking voor de slavernij bestemd was.

Vanaf de 15e eeuw waren er verscheidene pausen die slavernij veroordeelden, maar paus Nicolaas V keurde het maken van slaven onder 'heidenen en ongelovigen' juist goed. De ontwikkelingen rond de slavernij in bijvoorbeeld Amerika liet ook verschillende invalshoeken zien: gevestigde kerken met wereldlijke invloed verdedigden de slavernij, maar er waren ook christenen onder de felste tegenstanders van slavernij.

Slavernij in de Arabische wereld[bewerken]

Slavenmarkt van omstreeks 1236 in Jemen
Nuvola single chevron right.svg Zie Arabische slavenhandel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Arabisch-Afrikaanse slavenhandel is ouder dan de Europese en heeft eveneens een zeer grote omvang gekend. De Arabisch-Afrikaanse slavenhandel startte rond de 6e eeuw n.Chr. en eindigde in de 20e eeuw. Exacte cijfers over het aantal gevangengenomen Afrikanen zijn niet voorhanden, schattingen liggen tussen de 15 en 28 miljoen mensen. De Arabieren haalden hun Afrikaanse slaven ook uit West-Afrika net als de westerse landen.

De Somaliërs participeerden ook met de slavernij, ze haalden hun slaven uit West- en Centraal-Afrika en de Swahilikust, en verkochten de gevangengenomen slaven door aan de Arabieren en andere markten. De meeste slaven waren Ethiopische krijgsgevangenen, maar er werden ook veel dorpen geplunderd door de Somaliërs in Zuid-Oost-Afrika, wat veel mensen uit hedendaags Tanzania, Malawi en Mozambique naar Somalië bracht.[12] Zanzibar was een bekend centrum voor slavenhandel. Het was in de Arabische wereld gebruikelijk dat bij rivaliserende stammen die met elkaar in conflict raakten de ‘winnaar’ de mannen doodde en de vrouwen en kinderen tot bezit maakten. Dat was in conflicten tussen Arabieren en Afrikanen niet anders. De buitgemaakte vrouwen en kinderen werden per schip of middels een karavaan (lopend) naar de Arabische wereld gebracht. Zo'n 60 procent van de door de Arabieren veroverde Afrikaanse slaven stierf tijdens dit transport. Waar de Westerlingen zich concentreerde op mannelijke slaven (voor arbeid), richtte de Arabieren zich op vrouwen, de Arabieren importeerden ongeveer 65% vrouwen tegen 35% mannen - deze vrouwen kwamen veelal in harems terecht. De mannen werden vooral ingezet in het leger (zie ook: Mamelukken). Jongetjes werden vaak omgevormd tot eunuch.

Tot in de 20e eeuw heeft er in bepaalde delen van de Arabische wereld slavenhandel plaatsgevonden. De Arabische slavenhandel richtte zich niet alleen op slaven uit Afrika, maar ook op christenslaven uit Europa. Deze slavenhandel was het domein van de zogenaamde 'Barbarijse zeerovers' (zie hierna).

Islam[bewerken]

In het verleden hebben de voornaamste islamitische rechtsscholen traditiegetrouw hun fiat gegeven aan de slavernij.[13] De islamitische profeet Mohammed en vele van zijn metgezellen kochten, verkochten, bevrijdden en maakten slaven.

In soera De Stad worden moslims aangemoedigd slaven te bevrijden en kan het vrijlaten van een slaaf als boetedoening dienen.

In islamitische wetgeving komt het onderwerp slavernij ruim aan bod.[13] De Koran (het heilige boek) en de tradities (de uitspraken van Mohammed) zien slavernij als een buitengewone toestand waarin men onder bepaalde omstandigheden kan belanden.[14] Alleen kinderen van slaven of niet-islamitische krijgsgevangen konden slaven worden, nooit een als vrij man geboren moslim.[15] Ze beschouwen de vrijlating van een slaaf ook als een van de daden waarmee zonden kunnen worden uitgewist.[16] Volgens de sharia worden slaven beschouwd als mensen, die op grond van die staat bepaalde rechten hebben. Bovendien is een moslimslaaf wat religieuze zaken betreft gelijk aan een vrije moslim en staat boven een vrije niet-moslim.[17]

In de praktijk hebben slaven verschillende sociale en economische posities ingenomen, van emir tot arbeider. Slaven werden breed ingezet in irrigatie, mijnbouw, werk op het land en in het leger. Sommige heersers leunden zo zwaar op slaven in het leger en de overheid dat deze de macht konden overnemen. Desalniettemin worden slaven niet steeds behandeld in overeenstemming met islamitisch recht. Soms waren de toestanden zo bar dat er rellen ontstonden zoals de Opstand van Zanj.[18] Dit was echter de uitzondering op de regel omdat de overgrote meerderheid van het werk in de middeleeuwse islamitische wereld werd gedaan door vrije, betaalde krachten. Om verschillende redenen was de natuurlijke groei van de slavenpopulatie niet genoeg om te voldoen aan de vraag naar slaven in de moslimgemeenschap. Het gevolg was een omvangrijke import van slaven die gepaard ging met enorm veel leed en grote aantallen doden bij het gevangennemen en vervoeren van slaven uit niet-moslimlanden.[19] In theorie heeft slavernij in islamitisch recht geen raciale componenten, maar in de praktijk was dat soms anders.[20]

De Arabische slavenhandel concentreerde zich vooral in Westelijk Azië en Noord-Afrika. Tegen het eind van de 19e eeuw bereikte deze een minimum. In het begin van de 20e eeuw, na de Eerste Wereldoorlog, werd slavernij in moslimlanden geleidelijk verboden en onmogelijk gemaakt, voornamelijk onder druk van Westerse mogendheden als Engeland en Frankrijk.[14] Toch is er nog steeds slavernij waarbij men zich op de islam beroept, met name in de Afrikaanse republieken Tsjaad, Mauretanië, Niger, Mali en Soedan.[21][22]

Mamelukken[bewerken]

Ook werden slaven ingezet in het leger, de zogenaamde Mamelukken. De eerste Mamelukken werkten voor het Abbasiden-kalifaat in het 9e-eeuwse Bagdad. De Abbasiden wierven hen uit niet-moslimfamilies in Turkije, Oost-Europa, Centraal-Azië en de Kaukasus. Door niet-moslims als militairen in te zetten werd gedeeltelijk het islamitische verbod op gevechten tussen moslims omzeild. Na hun bekering tot de islam, werden zij opgeleid tot cavaleristen. Hun diensten werden beloond met macht en uiteindelijk met vrijheid. Vele Mamelukken klommen op tot hoge posities binnen het rijk. De status was niet-erfelijk: zonen konden hun vaders niet opvolgen.

De Mamelukken dienden ook in de Somalische legers van Adal, die in oorlog waren met de Ethiopische Keizerrijk, in de 13e eeuw. Omdat ze niet gerelateerd waren met de Somalische stammen, waren ze goed te vertrouwen bij de generaals. De Adal Sultanaat was hierdoor in staat om meer dan een derde van de Ethiopische Keizerrijk te veroveren, onder leiding van Ahmad ibn Ibrihim.

In het leger van het Ajjoebidische Rijk, opgericht door Saladin, verkregen de Mamelukken na verloop van tijd de overmacht. In 1250 leidden Mamelukse emirs een succesvolle coup tegen de staat en vermoordden de Ajjoebidische sultan. Daarna konden ze Egypte voor zich opeisen. Het Mamelukse Rijk werd ten val gebracht door de Ottomanen. In 1517 versloeg sultan Selim I het Mamelukse leger. De Ottomanen namen de macht in Egypte over, maar de Mamelukken bleven aan als plaatselijke elite.

Barbarijse zeerovers[bewerken]

Het verkrijgen van 'christenslaven' uit Europa was het domein van de zogenaamde 'Barbarijse zeerovers', die opereerden vanuit bases in Noord-Afrika, in de autonome provincies van het Ottomaanse Rijk met de hoofdsteden Algiers, Tunis en Tripoli, en ook vanuit het onafhankelijke Marokko, met name Salé aan de Atlantische kust.

Sinds de 16e eeuw was de Europese scheepvaart in de Middellandse Zee sterk toegenomen en deze vormde het doelwit van de Barbarijse zeerovers. De bemanningen van de veroverde schepen werden als slaven aan land gebracht en verhandeld. Daarnaast werden vanuit Noord-Afrika voortdurend strooptochten ondernomen op de kusten van de christelijke gebieden in het noorden van de Middellandse Zee en zelfs ver daarbuiten. Hele dorpen, gelegen van Sicilië tot op IJsland zijn vanaf de 16e tot de 19e eeuw in de Noord-Afrikaanse slavernij terechtgekomen. In enkele van die plaatsen worden jaarlijks nog steeds herdenkingen gehouden naar aanleiding van deze voorvallen. Later werd de ontvoering van de held of heldin door Arabische piraten, gevolgd door slavernij, meestal in de harem, een literair topos dat met name in veel opera's voorkomt.

De Barbarijse slaven waren niet alleen goedkope werkkrachten, maar zij konden ook geld opleveren door losgeld te bedingen voor hun vrijlating. De westerse mogendheden gingen daar vaak op in, vooral als de slaven behoorden tot de beter gesitueerden. Voor de jonge Verenigde Staten van Amerika waren de aanvallen door Barbarijse zeerovers op Amerikaanse schepen de reden voor de oprichting van hun marine in 1794. Door de eeuwen heen is geprobeerd de praktijken van de Barbarijse zeerovers gewapenderhand de kop in te drukken. Een kustbombardement vanaf marineschepen wilde nog wel eens tijdelijk effect hebben, maar pas nadat de Fransen in 1830 Algiers hadden veroverd, kwam langzaam maar zeker een eind aan deze vorm van slavernij.

Hoewel de Barbarijse slaven in de slavernijdiscussie nogal onderbelicht zijn gebleven, ging het bepaald niet om een marginaal verschijnsel. De historicus Robert C. Davis schat hun aantal door de eeuwen heen op 1 à 1,25 miljoen.[23]

Nederland en slavernij[bewerken]

William Blake - Neger opgehangen aan een rib
Bioscoopjournaal uit 1963. Viering van de Emancipatiedag op het Oranjeplein te Paramaribo ter gelegenheid van de afschaffing van de slavernij 100 jaar geleden.
William Blake - Europa, ondersteund door Afrika en Amerika
Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van de Nederlandse slavernij voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Een slavenstempel (slaven werden gebrandmerkt met de initialen van hun meester)

In de 17e eeuw had Nederland een voortrekkersrol in de slavenhandel die in de 18e eeuw werd overgenomen door Engeland. In Nederland was de slavenhandel in handen van de West-Indische Compagnie en de VOC, hoewel pogingen in Nederland zelf slaven op de markt te brengen op weerstand stuitten. In totaal verscheepte Nederland, dat wil zeggen de WIC en diverse particulieren rond de 450.000 slaven vanaf de West-Afrikaanse kust, op een totaal van naar schatting 10 tot 11 miljoen slaven. Vooral het fort Sint George te Elmina speelde een cruciale rol. Het in 1634 veroverde Curaçao werd het Nederlandse verzamelpunt voor slaven. Rond 1670 telde Batavia ongeveer 13.000 slaven, de helft van de totale Bataviase bevolking.[24] Deze slaven kwamen voornamelijk uit Zuid-Azië: India en Zuidoost-Azië: Birma, Bali, Makassar en Banda, Azië: de kuststrook van China. Een groot deel van Batavia bestond uit Mardijkers, tot het protestantisme bekeerde slaven die na een aantal jaar in dienst van de VOC onder voorwaarden vrijgelaten werden.[25] In 1732 werkten op Amboina 3.777 slaven[26] Bij Kaap de Goede hoop maakte de VOC gebruik van in eerste instantie op Portugal buitgemaakte Angolese slaven. Later werden slaven aangevoerd vanuit Mozambique, Madagaskar, Bengalen, Maleisië en Indonesië. Rond 1800 werkten er rond de 17.000 slaven in de VOC kolonie op de Kaap.[27] Schattingen van de omvang van de slavenhandel van de VOC ligt rond een half miljoen, ongeveer gelijk aan de Atlantische slavenhandel.[28]

In 1797 schreef de Schot in Nederlandse dienst, John Gabriël Stedman, het boek Narrative of a five years expedition against the Revolted Negroes of Surinam. Dit door Johannes Allart als Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana vertaalde boek (verschenen in 1799-1800), werd door zijn omschrijvingen van de mishandelingen door Nederlandse slavenhouders en door de afbeeldingen van William Blake een belangrijk wapen voor de voorstanders van afschaffing van slavernij.

Napoleon Bonaparte probeerde de slaven- en suikereconomie te ondermijnen door de suikerbiet in West-Europa te introduceren.

In 1807 verbood het Verenigd Koninkrijk de trans-Atlantische slavenhandel en in 1833 verbood het de slavernij. Op 1 juli 1863, dertig jaar na het voorbeeld van de Britten, klonken 21 kanonschoten in Paramaribo en werden de slaven vrije mensen. De Nederlandse regering betaalde een schadevergoeding van 300 gulden per slaaf aan de eigenaars ter compensatie voor het verloren eigendom. Slavenhouders maakten vlak voor de afschaffing extra jacht op weglopers om zo veel mogelijk compensatiegeld op te strijken. De vrijmaking wordt op 1 juli gevierd als Keti-koti (ketenen verbroken), tijdens het Kwakoe-feest.

België en slavernij[bewerken]

Bij het ontstaan in 1830 van het huidige België vonden sommige politici dat de nieuwe staat koloniën nodig had. In de periode 1840 tot 1870 werden daarom diverse pogingen gedaan koloniën te verkrijgen. In Guinea en de Filipijnen faalden deze pogingen. Vanaf 1876 probeerde Leopold II als privéondernemer Kongo te verwerven. In 1884 werd Kongo toegewezen aan de onderneming van Leopold op de Koloniale Conferentie van Berlijn. De onderneming van Leopold voerde in Kongo een schrikbewind, dat ten slotte tot internationaal protest leidde. Het bewind werd gekenmerkt door slavernij, ontvoeringen, marteling, verkrachtingen, onthoofdingen en afhakken van handen. De schattingen over het aantal slachtoffers variëren echter aanzienlijk.

In 1908 werd Kongo vervolgens door de Belgische regering geannexeerd en Belgisch-Congo genoemd. Aan het eind van de jaren vijftig kwam de Congolese onafhankelijkheidsbeweging op onder leiding van Patrice Lumumba en in juni 1960 vond de soevereiniteitsoverdracht plaats.

Wettelijke afschaffing van de slavernij[bewerken]

Nederlandse ontwerpwet voor de afschaffing van de slavernij
The Official Medallion of the British Anti-Slavery Society

Frankrijk schafte tijdens de revolutie in 1794 de slavernij af (het paste immers niet goed bij de Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap), maar Napoleon I draaide dat snel weer terug. Denemarken was het eerste Europese land dat slavernij afschafte, en wel in 1803. In 1807 verbood het Verenigd Koninkrijk de slavenhandel en in 1833 de slavernij. In 1838 werd in de Britse koloniën de laatste binding tussen voormalige eigenaars en slaven ontbonden. In 1848 werd de heringevoerde slavernij in Franse koloniën verboden en de Code Noir afgeschaft.

De kwestie van de afschaffing van de slavenhandel kwam zijdelings ook ter sprake op het Congres van Wenen. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Lord Castlereagh (die morele bezwaren had) en tsaar Alexander I waren er voorstander van. De gevolmachtigden van Spanje (Labrador) en Portugal (Palmella) verzetten zich ertegen met het argument dat het verbod op slavenhandel ingrijpende gevolgen had voor hun economie, respectievelijk in Cuba en Brazilië, die de slaven niet konden missen als goedkope arbeidskrachten. Palmella haalde ook de kwestie aan dat het niet onder het internationale recht viel en dat het een interne aangelegenheid betrof van elk land. Hij herinnerde het Congres eraan dat de afschaffing van de slavenhandel hier niet aan de orde was. Castlereagh opperde daarop het idee van handelssancties op door slavenarbeid geproduceerde goederen. Dit leidde tot enkele nijdige reacties. De zaak werd ten slotte op de lange termijn geschoven met plechtige verklaringen waarbij slavenhandel als weerzinwekkend en immoreel werd gebrandmerkt. Zij gaven te kennen de slavenhandel uit te roeien en beloofden dat doel met ijver en volharding te zullen nastreven.

Vrijlatingsbrief voor de slavin Lina Julia Vasilda, 19 maart 1860

In 1859 schafte Nederland de slavernij in de onder direct bestuur staande delen van Oost-Indië af. Een strategisch moment van minister van Koloniën Jan Jacob Rochussen. Een jaar later verscheen namelijk Max Havelaar, de aanklacht van Multatuli (Eduard Douwes Dekker) tegen de Nederlandse politiek in Nederlands-Indië. Nog vier jaar later, in 1863, schafte Nederland de lucratieve slavernij in de West-Indische koloniën (Suriname en de Nederlandse Antillen) af. In Europa was Nederland een van de laatste landen die de slavernij afschaften, op Portugal en Spanje na.

Slavenwinkel en veilinghuis in 1864 in Atlanta, Georgia, VS, vlak voor de afschaffing van de slavernij aldaar.

De Verenigde Staten kwamen in september 1862 met de Emancipatieproclamatie van president Lincoln, toen afschaffing van de slavernij als een van de oorlogsdoelen tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog onvermijdelijk was geworden. Op 1 januari 1863 werd de afschaffing in de noordelijke staten van kracht.

In Brazilië ondertekende Prinses Isabella in 1888 tijdens de afwezigheid van de Keizer de Lei de Aurea waarmee de slavernij werd afgeschaft.

In de indirect bestuurde delen van Nederlands-Indië bleef slavernij legitiem tot in de 20e eeuw. Op het eiland Sumbawa (Soembawa) werden de slaven pas vrijgelaten op 31 maart 1910.

In bepaalde delen van Azië en Afrika, onder andere in Arabië, Liberia en Ethiopië, heeft de officiële slavernij nog bestaan tot in de 20e eeuw. In Ethiopië werd de slavernij in 1931 afgeschaft, in 1937 in Bahrein, in 1949 in Koeweit en in 1952 in Katar. In Jemen werd de slavernij afgeschaft in 1962. Prins Faisal van Saoedi-Arabië liet in datzelfde jaar circa 100.000 tot 200.000 Oost-Afrikaanse slaven vrij. In 1981 werd in Mauritanië officieel de slavernij afgeschaft, waarmee Mauritanië de laatste slavenstaat ter wereld was. Strafbaar werd slavernij in Mauritanië pas in 2007.[29]

Moderne slavernij[bewerken]

In 2001 verklaarde de VN-conferentie tegen racisme die in Durban gehouden werd slavernij tot een van de misdaden tegen de menselijkheid. Er werd aan staten geen juridische verplichting opgelegd om compensatie te betalen. Desondanks blijft slavernij nog steeds de dagelijkse praktijk onder grote delen van de wereldbevolking.

Kinderslavernij[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: kinderarbeid

Naar schatting tien miljoen kinderen werken als slaaf, hoewel ook wel schattingen van 100 miljoen worden gehoord. Kindsoldaten in Colombia en Afrika zijn voorbeelden van moderne slavernij. Verder werken kinderen als slaaf in steengroeven, in de tapijtindustrie in India, en op cacaoplantages in Ivoorkust. Op Haïti werken ten minste 400 duizend kinderen als slaaf, restaveks genoemd. Ook werken veel kinderen in ontwikkelingslanden onder dwang in de prostitutie, met name in Zuidoost-Azië.

De Indiër Kailash Satyarthi richtte in 1992 de Bachpan Bachao Andolan (Zuid-Aziatische Coalitie tegen Kinderslavernij) (SACCS) op. De SACCS voerde een keurmerk in voor niet met kinderarbeid vervaardigde producten, en voerde bevrijdingsacties uit. Dankzij felle protesten in India werden tienduizenden kinderen bevrijd.

Protest tegen moderne slavernij[bewerken]

Armeense slavin wordt geveild, 29 september 1915, Richard G. Hovannisian: Remembrance and denial)

De slavernij en haar geschiedenis zijn dan ook nog steeds belangrijke onderwerpen voor schrijvers. Zo schreef de Zuid-Afrikaan Ronald Segal, die lange jaren als ANC-aanhanger in ballingschap verbleef, zowel een boek over de Westerse slavernij (The black diaspora 1996) als meer recentelijk een studie van de slavernij en slavenhandel van de islamitische wereld (Islam's black slaves 2001).

De organisatie Anti-Slavery International strijdt tegen moderne vormen van slavernij.

In oktober 2008 won een voormalig kindslavin, de toen 24-jarige Hadijatou Maní, een rechtszaak tegen de staat Niger, die zij had aangeklaagd omdat de overheid haar niet had beschermd tegen slavernij. Niger moest haar bijna 20.000 dollar betalen. Het bleek een opmerkelijke en historische uitspraak in een land waar naar schatting 40.000 slaven worden gehouden. Ook Mauritanië geldt als een van de landen waar nog slavernij voorkomt. De slavernij is daar weliswaar wettelijk afgeschaft, maar de daardoor geboden vrijheid zou slechts theoretisch zijn: de "vrijgelatenen" verrichten nog steeds fysiek zeer zwaar werk voor hun voormalige heren, thans tegen betaling van een schamel loon dat onvoldoende zou zijn voor een zelfstandig bestaan.

Canon van Nederland[bewerken]

De slavernij werd in 2007 als een van de vijftig thema's opgenomen in de canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen
  • Clissold, Stephen, 1979, De Barbarijse Slaven, Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, ISBN 978-90-228-3869-3
  • Emmer, P.C., 2003, De Nederlandse Slavenhandel 1500-1850, Amsterdam. ISBN 90-295-1509-0
  • Gordon, Murray, 1989, Slavery in the Arab World, New Amsterdam Books, New York
  • Kempen, Michiel van, 'De prijs van een gruwelijke geschiedenis. Nederland en de slavernij.' In: Armada, 11 (2005), nr. 38, maart, p. 38-47.
  • Kom, Anton de, 1934, Wij slaven van Suriname (1e ongecensureerde uitgave in 1971), RVU in samenwerking met Uitgeverij Contact, ISBN 90-254-9605-9
  • Lier, Rudolf van, 1949, Samenleving in een grensgebied. Een sociaalhistorische studie van Suriname, 3e herziene uitgave S. Emmering 1977, ISBN 90-6033-381-0
  • Vrijman, L.C., 1943, Slavenhalers en slavenhandel, Amsterdam
  • Williams, Eric, 1966, Capitalism and Slavery, New York
  • Segal, Ronald, Islam's Black Slaves: The Other Black Diaspora, Farrar, Straus and Giroux, New York, 2001
  • Lewis, Bernard, Race and Slavery in the Middle East, Oxford University Press, New York, 1990 ISBN 0-19-505326-5.
  • Batavia in de 17e eeuw, E. Niemeijer, Uitgeverij Balans, ISBN 9050187234
  • De Kaap, Goede Hoop halverwege Indië: bloemlezing van Kaapteksten uit de Compagniestijd, Marijke L. Barend- van Haeften, Uitgeverij Verloren, 2003, p. 12 ISBN 9065506888

Noten

  1. NOS. "Wereldwijd bijna 30 miljoen slaven", 17 oktober 2013.
  2. Blz. 16 The horizon: studies in Egyptology in honour of M.A. Nur El-Din Basem El-Sharkaway 2009
  3. a b c Bantu - People
  4. Tanzania accepts Somali Bantus
  5. L. Randol Barker et al., Principles of Ambulatory Medicine, 7e editie (Lippincott Williams & Wilkins: 2006), p. 633
  6. Africa's Lost Tribe Discovers American Way
  7. a b Catherine Lowe Besteman, Unraveling Somalia: Race, Class, and the Legacy of Slavery (University of Pennsylvania Press: 1999), p. 83-84
  8. a b Catherine Lowe Besteman, Unraveling Somalia: Race, Class, and the Legacy of Slavery (University of Pennsylvania Press: 1999), p. 116.
  9. a b Bridget Anderson, World Directory of Minorities (Minority Rights Group International: 1997), p. 456.
  10. Emmer, P.C., 2003, De Nederlandse Slavenhandel 1500-1850, Amsterdam ISBN 9029515600
  11. Infallibility on Trial Christian Classics, Luis M. Bermejo, 1992, p. 313, ISBN 0-87061-190-9
  12. Refugee Reports, november 2002, Volume 23, Nummer 8
  13. a b Lewis 1994, Ch.1
  14. a b Brunschvig. 'Abd; Encyclopedia of Islam
  15. Du Pasquier, Roger, Unveiling Islam, p. 67
  16. Gordon 1987, page 40.
  17. Zie: Martin (2005), p. 150 en 151; Clarence-Smith (2006), p.2
  18. Clarence-Smith (2006), p. 2-5
  19. Lewis 1990, page 10
  20. Bernard Lewis, Race and Color in Islam, Harper and Row, 1970, citaat op pagina 38. The haakjes zijn van Lewis.
  21. Segal, pg. 206.
  22. Person-Lynn, Kwaku. AfricaSpeaks.com - Christianity, Islam and Slavery. www.africaspeaks.com Geraadpleegd op 18 januari 2008
  23. R. Davis (2003), Christian Slaves, Muslim Masters: White Slavery in the Mediterranean, the Barbary Coast and Italy, 1500-1800, Palgrave, Macmillan
  24. Indische Letteren, jaargang 12, Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, p. 147, Alphen aan den Rijn 1997
  25. E. Niemeijer, Uitgeverij Balans, ISBN 9050187234
  26. VOC 7960, ziel-en nagelbeschrijving, folio's 336-337
  27. Marijke L. Barend- van Haeften, De Kaap, Goede Hoop halverwege Indië: bloemlezing van Kaapteksten uit de Compagniestijd, Uitgeverij Verloren, 2003, p. 12, ISBN 9065506888
  28. Hoogleraar Gert Oostindie in Historisch Nieuwsblad, "De Vooruitgang"
  29. Slavernij blijft groot probleem in Mauritanië, MO