Slik (bodemsoort)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Een slik is een droogvallende plaat in een getijdenwater. Slikken vallen droog bij eb en lopen onder water bij vloed. Slikken komen met name voor in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta en in de Waddenzee.
In deze zin heeft slik vrijwel dezelfde betekenis als wad. Met slik kan ook de modderige (niet de zandige) grond bedoeld worden die vaak op de droogvallende platen te vinden is. In die zin is het dus een grondsoort.
Slikken worden tweemaal per etmaal overspoeld. Dan bezinken er kleine, fijne deeltjes die zweven in het zeewater. In deze laag afzetting kunnen planten niet gedijen, tevens is deze laag ondoorlaatbaar waardoor er zich een zwarte laag vormt als gevolg van het rotten van wieren en andere organismen die er gevangen zitten.
Slikken zijn onderscheiden van schorren: schorren staan alleen onder water bij zeer hoog tij, slikken bij (bijna) elke vloed. Hierdoor zijn slikken, in tegenstelling tot schorren, onbegroeid. Desalniettemin komt er veel leven voor op slikken, met name waterdieren die zich verbergen in het zand. Deze vormen een rijke voedselbron voor vogels.
Slikken worden regelmatig al dan niet illegaal gebruikt door pierenstekers. Pierenstekers vangen zeepieren (een soort wormen) als vissersaas, door de slikgrond om te scheppen.

